ECLI:NL:RBAMS:2026:5497

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
2 juni 2026
Zaaknummer
C/13/775217
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
  • M.F. van Schendel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 150 RvArt. 6:96 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedeeltelijke toewijzing vordering terugbetaling lening en verrekening loonvordering

In deze civiele procedure vordert eiseres betaling van twee bedragen die zij aan gedaagde heeft verstrekt voor de aankoop van woningen. De rechtbank stelt vast dat voor het eerste bedrag van €235.000 onvoldoende bewijs is geleverd dat er een terugbetalingsverplichting bestaat, mede door onduidelijkheden over de aard van de lening en de betrokkenheid van partijen. Voor het tweede bedrag van €200.000, later verhoogd tot €252.569, erkent gedaagde de schuld, maar voert zij verrekening op haar loonvordering aan.

De rechtbank analyseert de correspondentie, schuldbekentenissen en financiële overzichten en concludeert dat alleen het tweede bedrag een duidelijke leningsovereenkomst betreft. Na verrekening van de loonvordering en betaling van een deel van de schuld resteert een bedrag van €904,38 dat gedaagde aan eiseres moet betalen, vermeerderd met rente. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen wegens niet-naleving van wettelijke aanmaningseisen.

De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot terugbetaling van het tweede bedrag minus verrekening toe en wijst de vordering tot terugbetaling van het eerste bedrag af.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer: C/13/775217 / HA ZA 25-1468
Vonnis van 20 mei 2026
in de zaak van
[eiser] B.V.,
te [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. W.F. Wienen,
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. M.M.P.M. Lousberg.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 20 februari 2026;
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 26 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en in het dossier zijn gevoegd.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[naam] is enig bestuurder en enig aandeelhouder van [eiser] . [naam] is ook de vader van [gedaagde] . [gedaagde] heeft van haar vader, al dan niet via [eiser] , in de loop der jaren meerdere geldbedragen ontvangen voor de aankoop van verschillende woningen.
2.2.
Op 18 juli 2005 hebben [gedaagde] en [eiser] een schuldbekentenis ondertekend, waarin [gedaagde] heeft verklaard een bedrag van 235.000 gulden aan [eiser] verschuldigd te zijn. Dit zou in feite gaan om € 235.000. Dit bedrag is door [gedaagde] aangewend voor de aanschaf van een woning aan de [adres 1] (hierna: de [adres 1] ).
2.3.
Op 27 april 2010 heeft [eiser] twee bedragen aan de notaris overgemaakt, één van € 200.000 en één van € 235.000. Volgens de omschrijving van de bedragen waren deze ten behoeve van “(…)
[gedaagde] aankoop woning [adres 2]”. Met ‘ [adres 2] ’ wordt bedoeld een woning aan de [adres 2] (hierna: de [adres 2] ).
2.4.
Op 30 juni 2010 hebben [gedaagde] en [eiser] opnieuw een schuldbekentenis ondertekend, waarin [gedaagde] heeft verklaard een bedrag van € 200.000 aan [eiser] verschuldigd te zijn.
2.5.
Op 1 juli 2010 is [gedaagde] in dienst getreden bij [eiser] als financieel administratief medewerker.
2.6.
In een door [naam] en [gedaagde] ondertekend schenkingsformulier van de Belastingdienst is opgegeven dat [naam] op 27 mei 2010 een schenking van € 300.000 aan [gedaagde] heeft gedaan. Op 2 november 2010 schreef [naam] aan [gedaagde] over dit formulier:

[gedaagde], bijgaand het aangifte biljet inzake de schenking ad € 300.000. Deze schenking is bedoeld ter verrekening van je hypotheek schuld en nog te betalen hypotheek rente op de [adres 1] .(…)
Indien de [adres 1] bij verkoop € 235.000 netto opbrengt en dit in mindering gebracht wordt op de hypotheek schuld van de [adres 2] , zijnde € 435.000, blijft nog een hypotheek schuld ad € 200.000 over.(…)”
2.7.
Op 8 november 2011 stuurde [naam] een brief aan [gedaagde] met meerdere overzichten bijgevoegd, waaronder een overzicht ‘
Aflossing & rente berekening hypotheek [gedaagde] – Bijgewerkt per 1 januari 2012’. Daarin is onder andere opgenomen:

Aankoop woning [adres 2]
435
Verkoop woning [adres 1] . De opbrengst zal geheel ter aflossing aangewend dienen te worden!
-235
Blijft hypotheek schuld:
(…)”
200
2.8.
Op 19 december 2011 schreef [naam] aan [gedaagde] onder meer:

Even een overzicht: Op de [adres 2] rust een schuld van € 435.000
Hierop is in mindering gebracht de verkoop waarde van de [adres 1] ad € 235.000 zodat een rest hypotheek op de [adres 2] blijft ad. € 200.000. Hierover is door jou de hypotheek rente steeds betaald.
Doordat de verkoop van de [adres 1] niet heeft plaatsgevonden en derhalve ook niet aan de Q-Holding is terugbetaald, is nog steeds hypotheek rente verschuldigd ad € 9.400 p/jaar.(…)
Dus feitelijk zou het beste zijn als de [adres 1] verkocht wordt. Dan blijft voor jou alleen een Hypotheek schuld over op de [adres 2] ad. € 200.000(…)
3) Op het huis in de [adres 1] rust nog steeds een hypotheek ad. € 235.000,=(…)
Dat zal ik nog op de een of andere manier moeten weg werken. Los ik wel op in 2012.
2.9.
Op 16 november 2012 heeft [gedaagde] de [adres 1] aan [eiser] verkocht voor een koopprijs van € 210.000. Volgens de koopakte heeft betaling van de koopprijs plaatsgevonden door “
verrekening van de vordering (thans groot tweehonderd vijf en dertig duizend euro (€ 235.000)) die verkoper heeft op de koper uit hoofde van een op achttien juli tweeduizend vijf gesloten geldlening(…)”.
2.10.
Op 31 december 2017 hebben [gedaagde] en [eiser] wederom een schuldbekentenis ondertekend, waarin [gedaagde] heeft verklaard een bedrag van € 252.569 aan [eiser] verschuldigd te zijn, bestaande uit € 161.731 resterende lening voor de aanschaf van de [adres 2] en een nieuwe lening van € 84.838 voor de aanschaf van een woning aan de [adres 3] (hierna: de [adres 3] ). In deze schuldbekentenis zijn [gedaagde] en [eiser] verder overeengekomen dat (i) [gedaagde] het geleende bedrag zal terugbetalen in 30 jaar in jaarlijkse termijnen van € 6.000, (ii) [gedaagde] over het geleende bedrag een jaarlijkse rente van 1,5% verschuldigd zal zijn met als eerste vervaldatum 28 januari 2018 en (iii) dat bij beëindiging van de huidige dienstbetrekking wegens welke oorzaak ook het geleende bedrag direct opeisbaar wordt.
2.11.
In de jaarrekening over 2019 van [eiser] is onder
Overige vorderingeneen lening aan [gedaagde] opgenomen ter hoogte van € 243.675. Ter toelichting is opgenomen: “
De lening u/g [gedaagde] , oorspronkelijke groot EUR 200.000 en verstrekt op 30 juni 2010, heeft een looptijd van 30 jaar. In 2017 is een aanvullend bedrag ad EUR 84.838 verstrekt.(…)”.
2.12.
Op 21 januari 2019 ontving [gedaagde] van [naam] een overzicht van de stand van de uitstaande schuld. Daarop is onder andere opgenomen:

Aankoop woning [adres 2]
435
Verkoop woning [adres 1] . De opbrengst zal geheel ter aflossing aangewend dienen te worden!
-235
Blijft hypotheek schuld:
(…)
200
Blijft nw. Hoofdsom per 31 dec. 2017
162.931,00
Verhoging Hypotheek per 1 jan. 2018[adres 3]
84.838,01
Blijft nieuwe hoofdsom per 1 jan. 2019
247.769,01
2.13.
Op 30 oktober 2021 is [gedaagde] op staande voet ontslagen door [eiser] .
2.14.
Op 3 december 2021 heeft [eiser] , vanwege het einde dienstverband van [gedaagde] , met verwijzing naar de afspraken uit 2017 aanspraak gemaakt op terugbetaling van een uitstaand leenbedrag van € 247.254.
2.15.
Op 31 januari 2022 heeft de rechtbank Midden-Nederland het ontslag op staande voet vernietigd en de vordering tot doorbetaling van het salaris van [gedaagde] toegewezen.
2.16.
In de periode van maart 2024 tot en met 25 februari 2025 vond correspondentie plaats tussen partijen en de accountant van [eiser] over de uitstaande schuld van [gedaagde] aan [eiser] . Daarin noemden [naam] en de accountant bedragen tussen de € 232.666 en € 268.108.
2.17.
Op 27 februari 2025 zijn partijen een vaststellingsovereenkomst aangegaan. Daarin spraken zij onder meer af dat [gedaagde] een bedrag van € 70.000 aan [eiser] zou betalen, als resultaat van de verrekening van de loonvordering van [gedaagde] op [eiser] met de uitstaande hypotheekschuld van [gedaagde] aan [eiser] . [gedaagde] heeft deze vaststellingsovereenkomst uiteindelijk ontbonden.
2.18.
Op 9 juli 2025 heeft de rechtbank Midden-Nederland de arbeidsovereenkomst van [gedaagde] en [eiser] ontbonden per 1 september 2025 wegens een verstoorde arbeidsverhouding.
2.19.
Op 19 november 2025 heeft [gedaagde] een bedrag van € 75.750,63 aan [eiser] overgemaakt.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert – samengevat – betaling door [gedaagde] van een bedrag van € 548.442,05 (bestaande uit hoofdsom en verschuldigde rente tot aan 1 augustus 2025), vermeerderd met een contractuele rente van 1,5% per jaar over een hoofdsom van € 467.666, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten.
3.2.
[eiser] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [eiser] heeft op 27 april 2010, via de notaris, aan [gedaagde] een bedrag van € 235.000 (hierna: Bedrag 1) en een bedrag van € 200.000 (hierna: Bedrag 2) betaald voor de aanschaf van de [adres 2] . Deze bedragen zouden door [gedaagde] worden terugbetaald. Bedrag 2 is daarna op 31 december 2017 verhoogd tot € 252.569 voor de aanschaf van de [adres 3] . [gedaagde] heeft deze bedragen inclusief de daarover verschuldigde rente tot op heden niet volledig aan [eiser] terugbetaald, ondanks meerdere sommaties.
3.3.
[gedaagde] voert verweer en voert daartoe het volgende aan. [gedaagde] betwist dat ten aanzien van Bedrag 1 sprake is van een lening. Er is in 2005 wel een bedrag van € 235.000 door [gedaagde] geleend, maar dat staat los van de betalingen in 2010 bij de notaris. Die lening uit 2005 is tenietgegaan door de schenking in 2010. Uit de stukken blijkt alleen dat ten aanzien van Bedrag 2 een leningsovereenkomst tussen [gedaagde] en [eiser] is gesloten. [eiser] , [naam] en [gedaagde] zijn er in hun correspondentie en afspraken ook steeds vanuit gegaan dat alleen Bedrag 2 zou worden terugbetaald. [gedaagde] beroept zich voor Bedrag 2 op verrekening van het uitstaande bedrag met de loonvordering die [gedaagde] had op [eiser] . Door overboeking van het verschil tussen deze vorderingen heeft [eiser] niets meer van [gedaagde] te vorderen. De vorderingen van [eiser] dienen daarom te worden afgewezen. [gedaagde] vordert verder dat [eiser] wordt veroordeeld tot betaling van een reële proceskostenvergoeding wegens misbruik van recht.

4.De beoordeling

Bedrag 1
4.1.
De rechtbank stelt voorop dat het, op grond van de hoofdregel van artikel 150 van Pro het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering, aan [eiser] is om te stellen en bij betwisting zo nodig te bewijzen dat sprake is van een verplichting voor [gedaagde] om de door [eiser] gevorderde bedragen aan [eiser] terug te betalen. [eiser] is daar ten aanzien van Bedrag 1 (€ 235.000) niet in geslaagd. De rechtbank ligt dat hierna toe.
4.2.
Tussen partijen staat vast dat [eiser] Bedrag 1 ten behoeve van [gedaagde] aan de notaris in 2010 heeft verstrekt. Die betaling schept, zeker tegen de achtergrond van de verhouding tussen partijen, echter niet direct een verplichting tot terugbetaling. Tussen [eiser] en [gedaagde] is geen document ondertekend waarin is vastgelegd dat [gedaagde] Bedrag 1 aan [eiser] zou terugbetalen, terwijl [gedaagde] en [eiser] dat voor de terugbetaling van Bedrag 2 wel expliciet hebben vastgelegd in de schuldbekentenis uit 2010 (voor de [adres 2] ) en de schuldbekentenis uit 2017 (die ziet op de verhoging van Bedrag 2 voor de [adres 3] ).
4.3.
Volgens [eiser] moet de afspraak tot terugbetaling van Bedrag 1 worden afgeleid uit de correspondentie tussen partijen na 2010. De afspraak was, aldus [eiser] , dat na verkoop van de [adres 1] door [gedaagde] een bedrag van € 235.000 (zijnde Bedrag 1) in mindering zou worden gebracht op de hypotheekschuld van [gedaagde] aan [eiser] ten aanzien van de [adres 2] . [naam] heeft dat meermaals zo aan [gedaagde] gecommuniceerd en opgenomen in de financiële overzichten die hij aan haar stuurde.
4.4.
Hoewel het op zichzelf juist is dat de opmerking over de opbrengst van de verkoop van de [adres 1] is opgenomen in meerdere overzichten en brieven die [naam] aan [gedaagde] heeft verstuurd, is voor de rechtbank onvoldoende duidelijk geworden dat hieruit (nog altijd) een concrete verplichting tot terugbetaling van dit bedrag door [gedaagde] aan [eiser] kan worden afgeleid.
4.5.
De rechtbank stelt voorop dat tussen partijen een hoop bedragen heen en weer zijn gegaan en dat het daarbij deels om schenkingen en deels om leningen ging. Daarbij is het zelfs voor partijen niet altijd meer duidelijk welk bedrag waarvoor precies is aangewend en hoeveel er nog betaald moet worden door wie aan wie. Zo heeft de advocaat van [eiser] op zitting aangegeven dat [naam] Bedrag 1 eerst steeds zou hebben aangemerkt als een privélening van hem aan [gedaagde] en dat hij die daarom niet in de administratie van [eiser] zou hebben verwerkt. Ook kon op zitting geen sluitend antwoord worden gegeven op de vraag van de rechtbank hoe het kan dat [eiser] in 2012 de koopprijs voor de [adres 1] aan [gedaagde] zou hebben voldaan door verrekening van de lening van [eiser] aan [gedaagde] van € 235.000 uit juli 2005, terwijl die lening ook al zou zijn afgelost met de schenking van [naam] aan [gedaagde] in mei 2010.
4.6.
Partijen gingen in de overgelegde correspondentie zelf ook steeds uit van terugbetaling door [gedaagde] aan [eiser] van (uitsluitend) het resterende gedeelte van Bedrag 2. Zij kozen er expliciet niet voor om Bedrag 1 ook op te nemen in de schuldbekentenis uit 2017 terwijl Bedrag 1 op dat moment ook nog uitstond als lening, aldus [eiser] . Ook in de overgelegde jaarrekening van [eiser] uit 2019 en de overzichten van de accountant van [eiser] komt Bedrag 1 niet terug als een lening van [eiser] aan [gedaagde] . In april 2024 schreef [naam] nog dat de uitstaande hypotheekschuld van [gedaagde] aan [eiser] tot en met 30 april 2024 € 268.108 bedroeg en in een overzicht van augustus 2024 verstrekt door de advocaat van [naam] werd Bedrag 1 nog expliciet aangemerkt als een lening aan [gedaagde] door [naam] in privé. Bij het sluiten van de vaststellingsovereenkomst zijn partijen daar eveneens vanuit gegaan. Pas in (de aanloop naar) deze procedure heeft [eiser] zich op het standpunt gesteld dat een uitstaande schuld die ziet op én Bedrag 1 én Bedrag 2 nog aan haar moest worden terugbetaald.
4.7.
De rechtbank kan bij deze stand van zaken onvoldoende vaststellen of een concrete afspraak tot terugbetaling is gemaakt en zo ja, welke afspraak met wie is gemaakt en of die afspraak (al dan niet na schenking of door verrekening) is nageleefd of niet. Het was aan [eiser] om deugdelijk en onderbouwd naar voren te brengen dat Bedrag 1 ook aan haar moest worden terugbetaald, maar daar is zij niet in geslaagd. De onduidelijkheid die hierover is ontstaan, komt voor rekening van [eiser] . Het was immers ook steeds [eiser] , vertegenwoordigd door [naam] , die de financiële constructies in kwestie bedacht en daarvan overzichten maakte en deelde met [gedaagde] . Bij het oordeel van de rechtbank speelt verder mee dat, zoals overwogen in r.o. 4.2, partijen ten aanzien van Bedrag 2 juist wél duidelijke afspraken hebben gemaakt over terugbetaling en die hebben vastgelegd in ondertekende schuldbekentenissen.
4.8.
Als gevolg van het voorgaande wordt de vordering van [eiser] afgewezen voor zover deze ziet op terugbetaling door [gedaagde] van Bedrag 1.
4.9.
De rechtbank merkt ten slotte op dat eveneens onduidelijk is gebleven hoe het nu precies zit met de betaling voor en de overdracht van de [adres 1] in 2012 (toen [eiser] eigenaar zou zijn geworden) en de latere verkoop van dit pand, en de eventuele betrokkenheid daarbij van [gedaagde] . Nu [eiser] stelt dat Bedrag 1 door [gedaagde] had moeten worden terugbetaald met de opbrengst uit die latere verkoop van de [adres 1] maar dat – aldus [eiser] – niet is gebeurd, had het opnieuw op de weg van [eiser] gelegen om daar meer duidelijkheid over te verschaffen. Ter zitting kon [eiser] echter geen duidelijk antwoord geven op de vraag wat er met de [adres 1] na 2012 is gebeurd, terwijl zij als eigenaar bij een latere verkoop betrokken moet zijn geweest. Hierover zijn ook geen stukken gedeeld. Wel is duidelijk dat het zou bijdragen aan de beëindiging van de voortslepende onenigheid tussen partijen als deze kwestie (bijvoorbeeld door het delen van stukken van de overdracht) wordt opgehelderd.
Bedrag 2
4.10.
Wat betreft de terugbetaling van Bedrag 2 geldt dat [gedaagde] in deze procedure heeft erkend dat zij Bedrag 2 verschuldigd was aan [eiser] . Partijen verschillen van mening over de vraag hoe hoog Bedrag 2, minus aflossingen en inclusief rente, was op 1 augustus 2025. Dat is relevant voor de vraag of [eiser] nog iets te vorderen heeft van [gedaagde] in het kader van Bedrag 2, na verrekening door [gedaagde] op 19 november 2025.
4.11.
In de correspondentie en de processtukken worden (met name van de zijde van [eiser] ) telkens verschillende bedragen genoemd. [eiser] stelt dat Bedrag 2 op 1 augustus 2025 € 259.639,93 bedroeg. [gedaagde] is bij verrekening uitgegaan van een bedrag van € 243.717,66, dat de accountant van [eiser] heeft genoemd op 25 februari 2025. Het verschil tussen beide bedragen kan gedeeltelijk worden verklaard doordat [eiser] stelt dat over de jaren 2018 t/m 2021 door [gedaagde] geen rente over Bedrag 2 zou zijn betaald. [gedaagde] heeft in reactie daarop opnieuw verwezen naar berekeningen van de accountant van 25 februari 2025.
4.12.
Partijen zijn het er in ieder geval over eens dat Bedrag 2 op 31 oktober 2021 € 232.666 bedroeg. De rechtbank gaat ervan uit dat de rente tot die datum daarin is meegenomen. De accountant schrijft daarover immers op 10 mei 2024: “
De schuld in de administratie is EUR 232.666 sinds oktober 2021. Uiteraard issindsdien[onderstreping rechtbank]
nog rente onbetaald gebleven (maar dat heb ik niet bij de hoofdsom opgeboekt). Zie bijgaand voor het overzicht per jaar, dit sluit aan met de administratie.
4.13.
Vast staat ook dat [gedaagde] na 31 oktober 2021 geen aflossingen meer heeft gedaan op Bedrag 2, omdat zij per 30 oktober 2021 op staande voet was ontslagen en nadien geen loon meer heeft ontvangen. De aflossingen werden door [eiser] op haar loon ingehouden. Dat betekent dat er sindsdien alleen nog rente bij is gekomen, met als vervaldatum 28 januari van ieder jaar daarna.
4.14.
Dat leidt tot de volgende hoofdsom per datum verrekening (19 november 2025):
Van
Tot en met
Dagen
Rente (%)
Bedrag over
Rentebedrag
31-10-2021
31-12-2021
62
1,50
232.666,00
592,82
01-01-2022
27-01-2022
27
1,50
232.666,00
258,16
28-01-2022
31-12-2022
338
1,50
233.516,98
3.243,65
01-01-2023
27-01-2023
27
1,50
233.516,98
259,11
28-01-2023
31-12-2023
338
1,50
237.019,74
3.292,30
01-01-2024
27-01-2024
27
1,50
237.019,74
262,28
28-01-2024
31-12-2024
339
1,50
240.574,32
3.342,41
01-01-2025
27-01-2025
27
1,50
240.574,32
266,94
28-01-2025
19-11-2025
296
1,50
244.183,67
2.970,34
4.15.
Totaal bedroeg Bedrag 2 dan per 19 november 2025: € 247.154,01.
Verrekening
4.16.
[gedaagde] heeft in deze procedure gesteld dat haar loonvordering ten tijde van verrekening op 19 november 2025 in totaal € 170.498,40 bedroeg. [eiser] heeft dit bedrag niet betwist. De rechtbank gaat daarom uit van de juistheid van de door [gedaagde] gestelde loonvordering op [eiser] .
4.17.
Op 19 november 2025 heeft [gedaagde] een bedrag van € 75.750,63 aan [eiser] overgemaakt ter verrekening met de openstaande schuld.
4.18.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [eiser] op dit moment het volgende van [gedaagde] te vorderen heeft wat betreft Bedrag 2:
- hoofdsom
247.154,01
- te verrekenen loonvordering
170.498,40
-/-
- betaling 19 november 2025
75.750,63
-/-
Totaal
904,38
4.19.
De vordering ten aanzien van Bedrag 2 wordt daarom toegewezen tot een bedrag van € 904,38.
Rente
4.20.
De rechtbank zal de gevorderde contractuele rente van 1,5% toewijzen over het toegewezen bedrag van € 904,38, vanaf de datum van verrekening (19 november 2025).
Buitengerechtelijke kosten
4.21.
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De rechtbank stelt vast dat [gedaagde] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de rechtbank controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. [eiser] heeft aan [gedaagde] een aanmaning verstuurd die niet voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW Pro. In de aanmaning is het toepasselijke wettelijke tarief niet vermeld. Ook is geen betalingstermijn van veertien dagen gegeven die ingaat op de dag na ontvangst van de aanmaning door [gedaagde] . De gevorderde vergoeding zal daarom worden afgewezen.
Proceskosten
4.22.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
4.23.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor een reële proceskostenvergoeding door [eiser] , zoals gevorderd door [gedaagde] . [gedaagde] heeft erkend dat zij Bedrag 2 aan [eiser] verschuldigd was en heeft het volgens haar nog verschuldigde bedrag na verrekening uiteindelijk pas overgemaakt op de datum van haar conclusie van antwoord. De dagvaarding is daarmee niet zonder reden uitgebracht.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 904,38, te vermeerderen met 1,5% rente vanaf 19 november 2025 tot aan volledige betaling,
5.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.F. van Schendel en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026.