Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:5496

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
2 juni 2026
Zaaknummer
C/13/730893 / HA ZA 23-233
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10:2 BWArt. 10:118 BWArt. 10:119 BWArt. 6:162 BWArt. 6:166 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenvonnis over toepasselijk recht en bevoegdheid in internationale onrechtmatigheidszaak

Esperaza Holding B.V. vordert een verklaring dat diverse besluiten nietig zijn en dat meerdere gedaagden onrechtmatig hebben gehandeld door €52,6 miljoen van haar vermogen weg te sluizen. De rechtbank bevestigt haar bevoegdheid om van alle vorderingen kennis te nemen en stelt in dit tussenvonnis vast dat Nederlands recht van toepassing is op alle vorderingen van Esperaza, gebaseerd op de Rome II-verordening en het Nederlandse vennootschapsrecht.

De rechtbank analyseert het toepasselijk recht op grond van de hoofdregel van artikel 4 lid 1 Rome Pro II, waarbij de plaats van de schade (Kaapverdië) als uitgangspunt geldt, maar concludeert dat er een kennelijk nauwere band is met Nederland vanwege de Nederlandse vennootschapsstructuur en de aard van de transacties. De rechtbank wijst de stellingen van gedaagden af die Portugees, Kaapverdisch of Angolees recht als toepasselijk achten.

Ten aanzien van de vraag of bepaalde gedaagden daadwerkelijk erfgenamen zijn van de nalatenschap van de overleden [erflater], oordeelt de rechtbank dat zij niet bevoegd is hierover te beslissen, omdat de Erfrechtverordening de bevoegdheid toekent aan de gerechten van het land van de gewone verblijfplaats van de overledene, hier niet Nederland. Dit betekent dat de vorderingen jegens deze gedaagden niet-ontvankelijkheid niet opleveren, maar dat voor toewijzing eerst uitsluitsel van bevoegde autoriteiten moet komen.

Verzoeken tot aanhouding van de procedure in afwachting van andere procedures worden afgewezen om onredelijke vertraging te voorkomen. Ook wordt tussentijds hoger beroep niet toegestaan. De rechtbank bepaalt een termijn van vier maanden voor gedaagden om een conclusie van antwoord in te dienen en stelt een roldatum vast voor september 2026.

Uitkomst: De rechtbank bepaalt dat Nederlands recht van toepassing is op alle vorderingen van Esperaza, maar is niet bevoegd te oordelen over de erfgenaamschap van bepaalde gedaagden volgens de Erfrechtverordening.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer: C/13/730893 / HA ZA 23-233
Vonnis van 29 april 2026
in de zaak van
ESPERAZA HOLDING B.V.,
te Amsterdam,
eisende partij,
hierna te noemen: Esperaza,
advocaat: mr. M.J. Drop,
tegen

1.[gedaagde 1]

(i) voor zichzelf en (ii) als gesteld erfgenaam van wijlen haar echtgenoot [erflater] ,
te [woonplaats 1] (Verenigde Arabische Emiraten),
hierna te noemen: [gedaagde 1] (voor zichzelf en gesteld erfgenaam van [erflater] ),
advocaat: mr. J.Ph. de Korte,
2.
[gedaagde 1]
(iii) als wettelijke vertegenwoordiger van de gestelde minderjarige erfgenamen: [minderjarige erfgenaam 1] , [minderjarige erfgenaam 2] , [minderjarige erfgenaam 3] en [minderjarige erfgenaam 4] , welke laatste naam met een herstelexploot is gewijzigd in [gewijzigde naam m.j. erfgenaam 4] ,
te [woonplaats 1] (Verenigde Arabische Emiraten),
hierna te noemen: [minderjarige erfgenamen] ,
advocaat: mr. S.N.J. Putter,
3.
[gedaagde 3],
te [woonplaats 2] (Frankrijk),
hierna te noemen: [gedaagde 3] ,
advocaat: mr. S.N.J. Putter,
4.
[gedaagde 4],
te [woonplaats 3] (Portugal),
hierna te noemen: [gedaagde 4] ,
advocaat: mr. A. Oorthuys,
5.
[gedaagde 5],
te [woonplaats 1] (Verenigde Arabische Emiraten),
hierna te noemen: [gedaagde 5] ,
advocaat: mr. S.M.Y. van de Graaff,
7. de rechtspersoon naar buitenlands recht
URÍA MENÉNDEZ ABOGADOS, SLP,
te Madrid (Spanje),
hierna te noemen: Uría ,
advocaat: mr. R. de Bree,

8.[gedaagde 8] ,

te [woonplaats 3] (Portugal),
hierna te noemen: [gedaagde 8] ,
advocaat: mr. R.A. Kronenberg,
9.
TRUST COMPANY AMSTERDAM B.V.,
te Amsterdam,
hierna te noemen: TCA ,
advocaat: mr. L.J.J. Kerstens,
11.
[gedaagde 11],
te [woonplaats 4] ,
hierna te noemen: [gedaagde 11] ,
advocaat: mr. W.A. Vader,
12.
[gedaagde 12],
te [woonplaats 1] (Verenigde Arabische Emiraten),
hierna te noemen: [gedaagde 12] ,
advocaat: mr. J.Ph. de Korte,
13. de rechtspersoon naar buitenlands recht
BANCO BIC PORTUGUÊS, S.A.,
te Lissabon (Portugal),
hierna te noemen: Eurobic ,
advocaat: mr. R.G.J. de Haan,
14. de rechtspersoon naar buitenlands recht
BANCO BIC CABO VERDE, S.A.,
te Praia (Kaapverdië),
hierna te noemen: BBCV ,
advocaat: mr. S.J.A. van Gils,
15.
[gedaagde 15],
te [woonplaats 5] (Angola),
hierna te noemen: [gedaagde 15] ,
advocaat: mr. M.P. Vink,
16. de rechtspersoon naar buitenlands recht
TERRA PEREGRIN , S.A.,
te Lissabon (Portugal),
hierna te noemen: Terra Peregrin ,
advocaat: mr. J.Ph. de Korte,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden]

6.[gedaagde 6] ,

te [woonplaats 5] (Angola),
hierna te noemen: [gedaagde 6] ,
10.
[gedaagde 10],
te [woonplaats 6] (België),
hierna te noemen: [gedaagde 10] ,
gedaagden in de hoofdzaak tegen wie verstek is verleend,

17.[gedaagde 1]

(iv) in haar hoedanigheid van beheerder, althans vertegenwoordigster, althans curator, de iure althans de facto, van de nalatenschap van [erflater],
hierna te noemen: [gedaagde 1] als vertegenwoordiger van de nalatenschap van [erflater] , op grond van artikel 118 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering door Esperaza opgeroepen in deze procedure,
niet verschenen.

1.Waar gaat deze zaak over?

1.1.
Eiseres in deze procedure, Esperaza, is een Nederlandse vennootschap die stelt dat verschillende (rechts)personen tegen haar hebben samengewerkt, waardoor er € 52,6 miljoen van haar vermogen is ‘weggesluisd’.
1.2.
Bij vonnissen in incident van 18 december 2024 en 17 december 2025 heeft de rechtbank (onder meer) beslist dat zij bevoegd is om van alle vorderingen tegen alle (buitenlandse) gedaagden kennis te nemen.
1.3.
Na het incidentele vonnis van 18 december 2024 heeft Esperaza de feitelijke onderbouwing van haar vorderingen in de hoofdzaak aangevuld. Vervolgens hebben diverse partijen een antwoordakte genomen en zich uitgelaten over het toepasselijk recht en/of de ontvankelijkheid van de vorderingen jegens gedaagden [gedaagde 1] (als gesteld erfgenaam van [erflater] ), [minderjarige erfgenamen] en [gedaagde 3] .
1.4.
De rechtbank beslist in dit tussenvonnis dat op alle vorderingen van Esperaza het Nederlands recht van toepassing is. Daarnaast komt de rechtbank tot het oordeel dat zij niet bevoegd is om te beslissen of de gedaagden [gedaagde 1] , [minderjarige erfgenamen] en [gedaagde 3] , allen als gesteld erfgenamen van de nalatenschap van [erflater] , aangesproken kunnen worden voor de schulden van de nalatenschap van [erflater] . Dit maakt echter niet dat de rechtbank de vorderingen van Esperaza jegens deze gedaagden niet inhoudelijk mag beoordelen (niet-ontvankelijkheid). Er zal in deze procedure tegen alle gedaagden worden doorgeprocedeerd.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het vonnis in incident van 18 december 2024, met de daarin genoemde stukken en gegeven definities,
- de akte van Esperaza van 26 maart 2025 (met producties),
- de antwoordaktes over het toepasselijk recht en/of ontvankelijkheid van gedaagden:
  • Uría van 7 mei 2025,
  • [gedaagde 15] van 7 mei 2025,
  • [gedaagde 1] (voor zichzelf en als gesteld erfgenaam van [erflater] ), Terra Peregrin , en [gedaagde 12] van 18 juni 2025 (met producties),
  • [minderjarige erfgenamen] en [gedaagde 3] van 18 juni 2025 (met producties),
  • [gedaagde 4] van 18 juni 2025 (met producties),
  • [gedaagde 8] van 18 juni 2025 (met producties),
  • [gedaagde 11] van 18 juni 2025 (met producties),
  • Eurobic van 18 juni 2025,
  • BBCV van 18 juni 2025, en
  • [gedaagde 5] van 14 januari 2026,
- het vonnis in incident van 17 december 2025, met de daarin genoemde stukken,
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 19 maart 2026, met de daarin genoemde stukken,
- de reactie van mr. De Korte van 16 april 2026, van mr. De Haan van 24 april 2026 en van mr. Drop van 28 april 2026 naar aanleiding van het proces-verbaal.
2.2.
Daarna is een datum voor het (tussen)vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1.
Voor een weergave van de feiten wordt verwezen naar de vonnissen in incident van 18 december 2024 en 17 december 2025, die hier als herhaald en ingelast worden beschouwd en met de afkortingen en definities zoals daarin opgenomen.

4.Het geschil

in de hoofdzaak
4.1.
Esperaza vordert – samengevat en na eiswijziging – bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
I. voor recht te verklaren dat de Besluiten nietig zijn;
II. voor recht te verklaren dat [gedaagde 1] , [erflater] en gedaagden 4 tot en met 17 onrechtmatig jegens Esperaza hebben gehandeld;
III. voor recht te verklaren dat gedaagden – [gedaagde 3] slechts gezamenlijk met [gedaagde 1] in haar hoedanigheden vermeld onder (ii) tot en met (iv) – jegens Esperaza hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de als gevolg van dit onrechtmatig handelen door Esperaza geleden schade;
IV. gedaagden hoofdelijk – [gedaagde 3] slechts gezamenlijk met [gedaagde 1] in haar hoedanigheden vermeld onder (ii) tot en met (iv) – te veroordelen tot betaling aan Esperaza van € 52.600.000, met rente;
V. gedaagden hoofdelijk – [gedaagde 3] slechts gezamenlijk met [gedaagde 1] in haar hoedanigheden vermeld onder (ii) tot en met (iv) – te veroordelen tot betaling aan Esperaza van de kosten die Esperaza heeft moeten maken om de aansprakelijkheid van gedaagden te kunnen vaststellen, thans begroot op € 24.600, met rente;
met veroordeling in de beslag-, vertaal- en proceskosten.
4.2.
Esperaza legt aan haar vorderingen samengevat het volgende ten grondslag.
Esperaza stelt dat alle gedaagden tezamen onrechtmatig hebben gehandeld door het onttrekken van € 52,6 miljoen uit Esperaza en het overboeken van dit bedrag naar Exem en uiteindelijk naar Terra Peregrin . De Besluiten hebben geleid tot deze onttrekking. Er is sprake van groeps-onrechtmatige daad omdat de gedragingen van alle gedaagden een reeks van samenhangende handelingen zijn die, in onderling verband beschouwd, er steeds op waren gericht om het bedrag van € 52,6 miljoen aan Esperaza te onttrekken. Gedaagden hebben weliswaar elk op verschillende wijze bijgedragen aan deze onttrekking, maar zij zijn daar allemaal bij betrokken geweest en wisten, of behoorden te weten, dat hun gedragingen hieraan bijdroegen. Elk van de gedragingen van gedaagden vormde een onmisbare schakel in het geheel. Als gevolg hiervan zijn gedaagden hoofdelijk aansprakelijk voor de door Esperaza geleden en te lijden schade. De voor gedaagden [gedaagde 4] , [gedaagde 5] en [gedaagde 6] subsidiaire grondslag van aansprakelijkheid voor onbehoorlijk bestuur heeft Esperaza ter zitting van 19 maart 2026 ingetrokken.
4.3.
De verschenen gedaagden in de hoofdzaak hebben – op TCA en [gedaagde 11] na – nog geen verweer gevoerd.
het toepasselijk recht en de gestelde hoedanigheid van de erven van [erflater]
4.4.
Esperaza en (de meeste) gedaagden verschillen van mening welk recht van toepassing is op de vorderingen van Esperaza.
4.5.
Esperaza stelt dat het Nederlands recht van toepassing is op al haar vorderingen. Ten eerste is op de vordering dat de Besluiten nietig zijn Nederlands recht van toepassing omdat op Esperaza (als corporatie) Nederlands recht van toepassing is en daardoor ook op haar besluitvorming (artikel 10:118 BW Pro en 10:119 onder b BW; de zogenoemde incorporatieleer).
Ten aanzien van de vorderingen op grond van onrechtmatige daad moet het toepasselijk recht worden bepaald aan de hand van Rome II [1] . Zowel voor de (primaire) groeps-onrechtmatige daad als voor de (subsidiaire) individuele onrechtmatige daad moet het toepasselijk recht worden bepaald in de context van het samenstel van onrechtmatige handelingen van gedaagden. Op grond van de hoofdregel van artikel 4 lid 1 Rome Pro II ligt het Erfolgsort in Nederland; door de Besluiten ontstond de verplichting voor Esperaza om dividend uit te keren aan Exem, die betalingsverplichting drukte op het vermogen van Esperaza en dat kwalificeert als initiële schade in de zin van Rome II. Dat de betaling van het dividend heeft plaatsgevonden van de bankrekening van Esperaza bij BBCV in Kaapverdië is geen reden om Kaapverdisch recht toe te passen. Bovendien beroepen gedaagden zich ter rechtvaardiging van hun handelen op de Besluiten en daarmee op Nederlands recht, waarin een rechtskeuze in de zin van artikel 14 Rome Pro II ligt besloten. Ook op grond van artikel 4 lid 3 Rome Pro II blijkt uit het geheel der omstandigheden dat het onrechtmatig handelen van gedaagden een nauwere band heeft met de Nederlandse rechtssfeer. De SPA en de Exem-transactie (zie feiten vonnis in incident van 18 december 2024 r.o. 3.11-3.12) zijn onderworpen aan Nederlands recht en nietig verklaard. De vorderingen van Esperaza bouwen voort op de door Nederlands recht beheerste nietigheid van de Exem-transactie en nietigheid van de naar Nederlands recht genomen Besluiten. De onttrekking van gelden uit Esperaza zijn ten gunste gekomen van Exem, beide zijn een Nederlandse vennootschap.
Het toepasselijk recht op de nalatenschap van [erflater] moet worden vastgesteld aan de hand van artikel 21 Erfrechtverordening Pro [2] (hierna: ErfVo): de gewone verblijfplaats van erflater op het moment van overlijden. Dat was voor [erflater] [plaats] – omdat hij de laatste twee jaar daar woonde, een
residence certificatehad en het zwaartepunt van zijn vermogen in [plaats] lag – zodat het recht van de Verenigde Arabische Emiraten (hierna: VAE) van toepassing is. Naar dit recht zijn [gedaagde 1] als langstlevende echtgenote en de kinderen van [erflater] van rechtswege erfgenamen en is een daad van aanvaarding niet nodig. Daarom zijn [gedaagde 1] , [minderjarige erfgenamen] en [gedaagde 3] terecht (wat betreft [gedaagde 1] : ook) in hun hoedanigheid van erfgenaam van [erflater] in deze procedure gedagvaard.
4.6.
De gedaagden betwisten dat Nederlands recht van toepassing is op de vorderingen van Esperaza. Gedaagde [gedaagde 1] , als gesteld erfgenaam [erflater] , en [minderjarige erfgenamen] en [gedaagde 3] betogen daarnaast, in dit kader, dat Portugees recht van toepassing is op de nalatenschap van [erflater] en dat zij naar dat recht geen erfgenaam zijn. De volgende gedaagden hebben in hun (antwoord)akte (samengevat) het volgende betoogd.
4.6.1.
[gedaagde 1] (voor zichzelf en als gesteld erfgenaam van [erflater] ), Terra Peregrin , en [gedaagde 12] betogen dat op de nalatenschap van [erflater] Portugees recht van toepassing is omdat de gewone verblijfplaats van [erflater] op het moment van overlijden in Portugal was en een Portugese notaris in een notariële akte heeft vastgelegd dat de nalatenschap van [erflater] wordt beheerst door het Portugese erfrecht. Portugal is daardoor het exclusieve forum om over de nalatenschap van [erflater] te beslissen en dus ook over de vraag wie de erfgenamen zijn. [gedaagde 1] is naar Portugees recht geen erfgenaam, daardoor kan zij ook niet in die hoedanigheid worden gedagvaard. Daarom moet Esperaza niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vorderingen jegens [gedaagde 1] als gesteld erfgenaam van [erflater] .
Voor het overige betogen [gedaagde 1] voor zichzelf, Terra Peregrin en [gedaagde 12] dat voor de vordering die ziet op de nietigheid van de Besluiten ook andere rechtstelsels dan Nederlands recht relevant zijn en dat voor de vorderingen op grond van onrechtmatige daad aansluiting moet worden gezocht bij het recht van Angola. De Payment Agreement (zie feiten incident van 18 december 2024, r.o. 3.13-3.16) is op initiatief van Sonangol tot stand gekomen en de vraag of Sonangol, een Angolees (staats)bedrijf, dat rechtsgeldig heeft gedaan wordt beheerst door Angolees recht. Datzelfde geldt voor de uitvoering van de Payment Agreement.
4.6.2.
[minderjarige erfgenamen] en [gedaagde 3] betogen in het kader van de nalatenschap van [erflater] dat hij zijn gewone verblijfplaats in Portugal had. Dat is vastgelegd in een Portugese notariële akte waarin is verklaard dat Portugees recht van toepassing is op de nalatenschap van [erflater] . Op basis van Portugees recht moet daarom worden vastgesteld of [minderjarige erfgenamen] en [gedaagde 3] de hoedanigheid van erven hebben waarin zij zijn gedagvaard. Naar Portugees recht is het antwoord op die vraag ontkennend. Daarom moet Esperaza niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vorderingen jegens hen. Daarnaast betogen [minderjarige erfgenamen] en [gedaagde 3] dat onduidelijk is wat de aan [erflater] verweten gedraging is en dus ook wat het Erfolgsort is van de door zijn handelingen veroorzaakte schade. Dit kan in ieder geval niet Nederland zijn omdat hij als buitenlands persoon en enkel indirect UBO van een Nederlandse vennootschap niet handelt of nalaat in Nederland, en de onttrekkingen zien op buitenlandse derden die plaatsvonden in het buitenland.
4.6.3.
[gedaagde 4] betwist dat Nederlands recht van toepassing is op de vorderingen van Esperaza op grond van onrechtmatige daad. De kennelijk nauwere band die Esperaza betoogt op grond van artikel 4 lid 3 Rome Pro II, of de (impliciete) rechtskeuze van artikel 14 Rome Pro II gaat niet op. Het toepasselijk recht moet op grond van de hoofdregel van artikel 4 lid 1 Rome Pro II worden bepaald aan de hand van de ‘lex loci damni’, de plaats waar de schade intreedt. Dat is in dit geval Kaapverdië omdat daar de bankrekening van Esperaza werd belast voor de dividenduitkering aan Exem en Sonangol.
4.6.4.
[gedaagde 5] betwist dat Nederlands recht van toepassing is op de vorderingen van Esperaza op grond van onrechtmatige daad. Op grond van het Erfolgsort komt men uit bij het recht van Kaapverdië omdat de dividenduitkering is uitgevoerd door betalingen vanaf Esperaza’s bankrekening bij BBCV in Kaapverdië. Voor wat betreft de handelingen van [gedaagde 5] als bestuurder en opdrachtnemer van Sonangol kan hij bescherming ontlenen aan het op die rechtsverhouding toepasselijke Angolees recht.
4.6.5.
Uría refereert zich aan het oordeel van de rechtbank over het recht dat toegepast moet worden op de vorderingen van Esperaza.
4.6.6.
[gedaagde 8] betoogt dat Kaapverdisch recht van toepassing is. Het toepasselijk recht waarnaar het onrechtmatig handelen moet worden beoordeeld is het land waar de directe schade voor het eerst is ingetreden. Dat is hier Kaapverdisch recht omdat het dividend, waarvan Esperaza stelt dat het onrechtmatig aan haar aandeelhouders is uitgekeerd, ten laste van de bankrekening van Esperaza bij BBCV , gevestigd te Kaapverdië, aan Sonangol en Exem is betaald. Als [gedaagde 8] bescherming kan ontlenen aan Spaans althans Portugees recht, dat van toepassing is op zijn rechtsverhouding met Uría , dient dat bij de beoordeling van de vorderingen uit hoofde onrechtmatige daad te worden betrokken.
4.6.7.
Eurobic betoogt dat de verwijten aan haar adres betrekking hebben op de wijze waarop Eurobic als Portugese bank heeft gehandeld. Of Eurobic aan haar verplichtingen heeft voldaan kan alleen worden beoordeeld op basis van Portugees recht. Indien één rechtsstelsel van toepassing zou zijn op alle vorderingen tegen alle gedaagden moet dat op grond van de hoofdregel van artikel 4 lid 1 Rome Pro II Kaapverdisch recht zijn, omdat Kaapverdië de plaats is waar de schade is ingetreden. Eurobic betwist verder dat op grond van artikel 4 lid 3 of Pro artikel 14 Rome Pro II Nederlands recht van toepassing zou zijn.
4.6.8.
BBCV betoogt dat het toepasselijk recht moet worden bepaald aan de hand van Rome I [3] omdat sprake is van een overeenkomst tussen Esperaza en BBCV op grond waarvan BBCV een betalingsopdracht heeft uitgevoerd. Op grond van een rechtskeuze in de toepasselijke algemene voorwaarden van BBCV , is Kaapverdisch recht van toepassing. Als het toepasselijk recht moet worden bepaald aan de hand van Rome II is ook Kaapverdisch recht van toepassing omdat de schade is ingetreden in Kaapverdië. BBCV betwist tot slot ook dat Nederlands recht van toepassing zou kunnen zijn.
4.6.9.
[gedaagde 15] betoogt dat op grond van de hoofdregel van artikel 4 lid 1 Rome Pro II het recht van Kaapverdië van toepassing is, omdat Kaapverdië de plaats is waar Esperaza direct schade heeft geleden. De uitzonderingsbepaling van artikel 4 lid 3 Rome Pro II wijst ook naar het recht van Kaapverdië. [gedaagde 15] betwist dat Nederlands recht van toepassing is nu de enige omstandigheid die naar Nederland wijst de vestigingsplaats van Esperaza is. Ook als ander recht dan Kaapverdisch recht van toepassing is, moeten de gedragsregels en veiligheidsvoorschriften van het recht van Kaapverdië bij de beoordeling worden meegewogen op grond van artikel 17 Rome Pro II.

5.De beoordeling

Algemeen kader vaststellen toepasselijk recht
5.1.
De rechtbank is op grond van artikel 10:2 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) gehouden het door de regels van internationaal privaatrecht aangewezen buitenlands recht ambtshalve toe te passen. De rechtbank kan echter wel partijen om inlichtingen vragen, hetgeen hier ook is gebeurd door de door partijen genomen aktes en wat is besproken op de mondelinge behandeling. De rechtbank zal op basis van het (tot nu toe) gevoerde partijdebat het toepasselijk recht vaststellen per vordering van Esperaza.
Vordering nietigheid Besluiten
5.2.
Esperaza vordert een verklaring voor recht dat de Besluiten nietig zijn (vordering I). De wijze waarop besluiten binnen een vennootschap genomen worden, inclusief de vraag of die rechtsgeldig zijn, wordt beheerst door het recht waaronder die vennootschap (corporatie) is opgericht (artikel 10:119 en Pro artikel 10:118 BW Pro). Esperaza is een Nederlandse vennootschap en dus is Nederlands recht op haar van toepassing en dus ook op haar besluitvorming. Dit betekent dat op deze vordering van Esperaza Nederlands recht van toepassing is.
Vorderingen op grond van onrechtmatige daad
5.3.
Esperaza vordert een verklaring voor recht dat gedaagden 4 tot en met 17 onrechtmatig jegens haar hebben gehandeld (vordering II), dat gedaagden hiervoor aansprakelijk zijn (vordering III), en om gedaagden daarom hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € 52,6 miljoen (vordering IV) en de kosten om de aansprakelijkheid vast te stellen (vordering V). Aan deze vier vorderingen legt Esperaza primair groeps-onrechtmatige daad ten grondslag en subsidiair individuele onrechtmatige daad gepleegd door ieder van gedaagden.
5.4.
Deze vorderingen zijn dus gegrond op onrechtmatige daad en de bron om het toepasselijk recht vast te stellen is daarom Rome II, al dan niet via artikel 10:159 BW Pro waarin is bepaald dat Rome II van overeenkomstige toepassing is indien de verbintenis als onrechtmatige daad kan worden aangemerkt maar materieel buiten het toepassingsgebied van Rome II valt.
5.5.
De toepassing van Rome II maakt ook dat de daarin gehanteerde termen verdragsautonoom moeten worden uitgelegd. Bij het vaststellen van het toepasselijk recht op een vordering die is gegrond op onrechtmatige daad speelt dus geen rol dat het Nederlandse recht een groeps-onrechtmatige daad kent. Er zal dus per gedaagde moeten worden beoordeeld welk recht van toepassing is op de tegen hem of haar ingestelde vorderingen op grond van onrechtmatige daad.
Hoofdregel: toetsingskader
5.6.
Op grond van de hoofdregel van artikel 4 lid 1 Rome Pro II is op een onrechtmatige daad in beginsel het recht van toepassing van het land waar de schade zich voordoet, ongeacht in welk land de schadeveroorzakende gebeurtenis zich heeft voorgedaan en ongeacht in welke landen de indirecte gevolgen van die gebeurtenis zich voordoen. Het begrip ‘waar de schade zich heeft voorgedaan’ wordt ook wel aangeduid als het
Erfolgsort, of ‘lex loci damni’.
5.7.
Het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof van Justitie EU) heeft – in het kader van de internationale bevoegdheid van de nationale rechter op grond van artikel 7 lid 2 Brussel Pro I-bis – een aantal arresten gewezen over de bepaling van de plaats waar de schade is ingetreden. Deze arresten zijn ook van belang in het kader van de oordeelsvorming over het toepasselijk recht in de zin van artikel 4 lid 1 Rome Pro II, omdat in beide verordeningen het begrip ‘het recht van het land waar de schade zich voordoet’ wordt gehanteerd en verschillende uitleg van dit unierechtelijke begrip met het oog op de effectiviteit van het unierecht en de rechtszekerheid zoveel mogelijk vermeden dient te worden.
5.8.
Voor een geval als dit, waarin de schade voortvloeiend uit de onrechtmatige gedraging (zuivere) vermogensschade betreft, heeft het Hof van Justitie EU in meerdere uitspraken aanknopingspunten gegeven voor de beantwoording van de vraag hoe de plaats waar de schade intreedt kan worden bepaald.
Zo heeft het Hof van Justitie EU beslist (in het kader van een bevoegdheidsvraag) dat als een benadeelde enkel financiële gevolgen ondervindt op de plaats waar het centrum van zijn vermogen zich bevindt, dit niet rechtvaardigt dat gerechten van de woonplaats van de benadeelde bevoegd zijn, wanneer zowel de schadebrengende gebeurtenis als het intreden van de schade zich op het grondgebied van een andere lidstaat voordoen. [4] In de zaak [zaak 2] , heeft het Hof van Justitie EU geoordeeld dat de gerechten van de woonplaats van de benadeelde bevoegd zijn wanneer de schade zich rechtstreeks voordoet op de bankrekening van die benadeelde bij een in het rechtsgebied van die gerechten gevestigde bank. [5] In een hierna gewezen arrest, in de zaak Universal Music, heeft het Hof van Justitie EU met zoveel woorden verduidelijkt dat het vanwege het “
bijzondere kader” van de [zaak 2] -zaak en op grond van de overige omstandigheden in die zaak tot dat oordeel is gekomen. [6] Het Hof van Justitie EU heeft in de Universal Music-zaak daaraan toegevoegd dat zuiver financiële schade die rechtstreeks intreedt op de bankrekening van verzoeker, zonder bijkomende omstandigheden, niet kan worden aangemerkt als een relevant aanknopingspunt. Hierbij heeft het Hof van Justitie EU opgemerkt dat in die zaak niet was uitgesloten dat een vennootschap zoals Universal Music de keuze had tussen verschillende bankrekeningen ten laste waarvan zij het in die zaak aan de orde zijnde schikkingsbedrag had kunnen voldoen, zodat de plaats waar deze rekening werd gehouden, niet noodzakelijkerwijs een betrouwbaar aanknopingspunt vormt. Daarnaast wezen alle andere omstandigheden naar een ander land, zoals dat het verlies van vermogensbestanddelen – waarmee de schade is ingetreden – heeft plaatsgevonden in een ander land. Uitsluitend in het geval waarin andere bijzondere omstandigheden er eveneens toe bijdragen bevoegdheid toe te kennen aan het gerecht van de plaats waar zuiver financiële schade is ingetreden, zou dergelijke schade kunnen rechtvaardigen dat de benadeelde zijn zaak bij dit gerecht aanbrengt. [7]
Hoofdregel: toepassing
5.9.
In dit geval heeft Esperaza gesteld dat alle gedaagden wordt verweten dat zij een onmisbare bijdrage hebben geleverd, omdat zij allemaal hebben deelgenomen en meegewerkt aan een samenstel van handelen, dat erop gericht was om € 52,6 miljoen te onttrekken uit de Nederlandse vennootschapsstructuur van Esperaza en over te boeken naar Exem en vervolgens naar Terra Peregrin om uiteindelijk dit bedrag bij [gedaagde 1] te krijgen. Dit samenstel van handelen begon volgens haar bij de SPA en had als sluitstuk dat dit geld uit het vermogen van Esperaza is geraakt en op de bankrekening van Terra Peregrin is bijgeschreven. De schade is echter al eerder ingetreden, namelijk vanaf het moment dat de Besluiten werden genomen waardoor de betalingsverplichting ter zake van het dividend op het vermogen van de vennootschap drukte. Het Erfolgsort van de besluitvorming kan niet anders dan in Nederland worden gelokaliseerd, aldus Esperaza.
5.10.
De rechtbank gaat daar niet in mee. Zij is van oordeel dat door het gestelde onrechtmatig handelen van iedere gedaagde de onttrekking van € 52,6 miljoen uit het vermogen van Esperaza plaats heeft gevonden op het moment dat dit geld vanaf haar Kaapverdische bankrekening bij BBCV is overgemaakt naar Terra Peregrin . Weliswaar is aan deze betaling interne besluitvorming voorafgegaan, maar deze heeft op zichzelf niet het gevolg gehad dat Esperaza direct in haar vermogen werd geraakt. De stelling van Esperaza verhoudt zich bovendien niet tot haar standpunt dat deze besluitvorming nietig is en dus geen rechtens bindend effect kan hebben gehad.
5.11.
Als vermogensschade op een bankrekening wordt geleden, kan worden aangenomen dat de schade (direct en als eerste) intreedt in het land waar deze bankrekening werd aangehouden. In dit geval werd de vermogensschade geleden op de bankrekening van Esperaza bij BBCV en is Kaapverdië dus de plaats waar de eerste, directe schade is ingetreden. Enkel op basis van de bankrekening van Esperaza waar het geld vanaf werd geboekt zou dus Kaapverdisch recht van toepassing kunnen zijn op de gestelde onrechtmatige daad van iedere gedaagde. De rechtbank ziet in de overige omstandigheden van de zaak echter aanleiding om aan te knopen bij Nederlands recht.
Kennelijk nauwere band: toetsingskader
5.12.
Artikel 4 lid 3 Rome Pro II bevat een uitzondering op de hoofdregel voor het geval uit het geheel der omstandigheden blijkt dat de onrechtmatige daad een kennelijk nauwere band heeft met een ander land. De uitzondering van artikel 4 lid 3 Rome Pro II op de algemene regel vloeit voort uit de wens om rechtszekerheid te bereiken, maar zo nodig recht te doen aan individuele gevallen en zo een ‘flexibel kader’ van verwijzingsregels te bieden, zo volgt uit considerans 14 van Rome II.
5.13.
Het criterium ‘kennelijk nauwere band’ kan op een aantal manieren worden vastgesteld. Ten eerste kunnen er objectieve geografische factoren zijn, zoals de plaats waar de schadeveroorzakende gebeurtenis heeft plaatsgevonden, de plaats van de indirecte schade, of de plaats waar de direct of indirect benadeelde zijn gewone verblijfplaats heeft. Ten tweede kan in het geval waarbij verschillende rechtsverhoudingen sterk met elkaar zijn verweven, ervoor worden gekozen om via de techniek van accessoire aanknoping één rechtsstelsel te kiezen zodat hetzelfde recht wordt toegepast. In de derde plaats kan een rol spelen op de toepassing van welk recht gerechtvaardigd mocht worden vertrouwd. Of andersom, welk recht buiten toepassing zou worden gelaten en waarmee partijen dus geen rekening konden of behoefden te houden.
5.14.
Het Hof van Justitie EU heeft ook meerdere uitspraken gewezen over de uitleg van het begrip ‘kennelijk nauwere band’. Zeer recent nog de uitspraak van 15 januari 2026 (
[zaak 3]) [8] waarin (nogmaals) is bevestigd dat de hoofdregel slechts bij uitzondering opzij mag worden gezet, namelijk wanneer de onrechtmatige daad op basis van een omvattende analyse van de omstandigheden van het geval een kennelijk nauwere band blijkt te hebben met een ander land dan dat waar de schade zich heeft voorgedaan, teneinde de door deze verordening nagestreefde voorspelbaarheid en rechtszekerheid te waarborgen.
Nauwere band: toepassing
5.15.
De rechtbank stelt voorop dat het begrip ‘kennelijk nauwere band’ relatief is, in die zin dat er niet in absolute zin een heel grote of sterke nauwe band moet zijn met een ander rechtsstelsel, maar er in relatieve zin een kennelijk nauwere band moet zijn met een ander land dan met het land van de hoofdregel van artikel 4 lid 1 Rome Pro II. Met andere woorden, als er weinig aanknopingspunten zijn voor het vaststellen van het land waar de schade is ingetreden conform de hoofdregel en er relatief gezien meer (maar ook nog niet veel) aanknopingspunten zijn voor een band met een ander land dan kan er toch met dat land een kennelijk nauwere band zijn in de zin van artikel 4 lid 3 Rome Pro II.
5.16.
In deze zaak blijkt uit de omvattende analyse van de (gestelde) omstandigheden van het geval, op basis van het (tot nu toe) gevoerde partijdebat, dat de onrechtmatige daad die aan ieder van de gedaagden wordt verweten, een kennelijk nauwere band heeft met Nederland dan met Kaapverdië. Hiertoe zijn de volgende omstandigheden van belang.
5.17.
Uitgaande van stellingen van Esperaza, is Esperaza als Nederlandse vennootschap met geen ander doel opgericht en gebruikt dan het mogelijk maken van het verhangen van aandelen en het wegsluizen van geld. Dat begon volgens Esperaza met een naar Nederlands recht opgestelde SPA op 21 december 2006. Met die SPA heeft Sonangol 40% van de aandelen in Esperaza, en daarmee haar indirecte deelneming in Galp, verkocht aan Exem, ook een Nederlandse vennootschap. Volgens Esperaza is deze SPA op frauduleuze gronden gesloten omdat hierdoor de aandelen zijn overgedragen aan Exem, waarvan [erflater] UBO was, terwijl hier geen directe/daadwerkelijke betaling van de koopprijs tegenover stond.
Vervolgens was, volgens de stellingen van Esperaza, een deel van gedaagden betrokken bij het opstellen van Nederlandse Besluiten die erop gericht waren om via een gelaagde grotendeels Nederlandse vennootschapsstructuur, via dividenduitkering, geld uit te betalen aan (uiteindelijk) [gedaagde 1] . Terwijl volgens Esperaza dat geld gebruikt had moeten worden om de koopprijs voor de aandelen in Esperaza aan Sonangol te betalen.
Hierbij is dividend uitgekeerd uit de Nederlandse vennootschap Esperaza, vanaf haar rekening bij de Kaapverdische bank BBCV , naar een Nederlandse vennootschap Exem, op haar rekening bij de Portugese bank Eurobic , die het vervolgens heeft overgeboekt naar Terra Peregrin , op haar rekening bij (eveneens) de Portugese bank Eurobic .
5.18.
Dit gestelde samenstel van handelen van de individuele gedaagden heeft dus met name plaatsgevonden in, en is mede mogelijk gemaakt door, een Nederlands vennootschapsrechtelijke structuur.
Daardoor is er een kennelijk nauwere band met Nederland dan met Kaapverdië, waar het enige aanknopingspunt is dat het geld van Esperaza van een Kaapverdische bankrekening is gehaald. Dit legt ten opzichte van de omstandigheden die naar Nederland wijzen, te weinig gewicht in de schaal. Hierbij is ook van belang dat het vermogen van Esperaza een aantal maal is verplaatst. Het vermogen van Esperaza stond namelijk tot het najaar van 2015 bij Deutsche Bank maar is in november 2015 – omdat Deutsche Bank, zonder opgave van reden, had aangegeven dat Esperaza binnen twee maanden moest vertrekken – overgeboekt naar de Portugese bank Eurobic . Daar heeft het vervolgens een ruim half jaar gestaan waarna het in juni 2016, enkele weken na het aantreden van [gedaagde 1] als voorzitter van de raad van bestuur van Sonangol, is overgeboekt naar de Kaapverdische bank BBCV , waar [gedaagde 1] en [gedaagde 15] aandeelhouder waren en [gedaagde 15] non-executive lid van het bestuur. Daar heeft het vervolgens slechts 1,5 jaar gestaan.
Over de laatste verplaatsing van haar vermogen heeft Esperaza opgemerkt dat de keuze voor de Kaapverdische bank BBCV volgens haar bewust/opzettelijk is gekozen door gedaagden. Dat (een deel van) gedaagden zelf in de hand hebben gehad waar het vermogen van Esperaza zich bevond, maakt ook dat aan de plaats van de bank waar de bankrekening wordt aangehouden waarvan de betaling uit het vermogen van Esperaza is verricht, in dit geval niet te veel gewicht moet worden toegekend in het kader van het vaststellen van het toepasselijk recht.
5.19.
De verweten onrechtmatige daad heeft dus een kennelijk nauwere band met Nederland en dat geldt voor alle gedaagden. Terecht heeft Esperaza gesteld dat ook bij een individuele benadering moet worden gekeken naar de context van het gestelde samenstel van gedragingen van gedaagden tezamen. Naar het oordeel van de rechtbank was voor gedaagden ook voorzienbaar dat Nederlands recht zou kunnen worden toegepast. Gelet op de gestelde medewerking aan het samenstel van handelen dat erop gericht zou zijn geweest om via een Nederlandse vennootschapsstructuur vermogen te onttrekken aan een Nederlandse vennootschap, konden alle gedaagden hierop bedacht zijn.
De rechtbank benadrukt dat zij voor de vaststelling van het toepasselijk recht uitgaat van de feiten die Esperaza aan haar vorderingen ten grondslag legt. Bij de inhoudelijke behandeling ligt vervolgens de vraag pas voor of gedaagden daadwerkelijk deze verwijten kunnen worden gemaakt.
5.20.
Verder is er geen reden om aan te nemen dat de verbintenis uit onrechtmatige daad nauw samenhangt met een andere rechtsverhouding, zoals andere onderliggende overeenkomsten als de Payment Agreement, de dienstverleningsovereenkomsten of de daarop van toepassing zijnde algemene voorwaarden, waardoor aangeknoopt zou moeten worden bij het rechtsstelsel dat op die andere rechtsverhouding/overeenkomst van toepassing is (artikel 4 lid 3 Rome Pro II tweede deel). De onrechtmatige daad die gedaagden hier wordt verweten is naar het oordeel van de rechtbank niet nauw genoeg verweven met die overeenkomsten en daarom dus ook niet met het op die overeenkomsten toepasselijk recht. Hierbij is van belang dat hetgeen aan gedaagden wordt verweten gedragingen betreft die buiten eventuele contractuele verplichtingen zijn verricht, dan wel dat hen wordt verweten de betreffende overeenkomst te hebben opgesteld met het doel om de uiteindelijke onttrekking te faciliteren.
5.21.
De conclusie is dan ook dat Nederlands recht van toepassing is op alle vorderingen die zijn gegrond op onrechtmatige daad.
5.22.
Dat betekent echter niet dat de rechtbank bij het toepassen van Nederlands recht geen rekening moet houden met buitenlands recht. Bij de beoordeling van de vraag of deze gedaagden naar Nederlands recht onrechtmatig hebben gehandeld komt zowel in artikel 6:166 BW Pro als in artikel 6:162 BW Pro betekenis toe aan alle omstandigheden van het geval. Eén van die omstandigheden kan zijn dat sprake is van (nationale) toezichtregels, veiligheidsvoorschriften of gedragsregels. Mede gelet op artikel 17 Rome Pro II zal in een voorkomend geval bij het beoordelen van het handelen van een gedaagde op passende wijze met die context rekening moeten worden gehouden.
5.23.
De door Esperaza gestelde keuze van gedaagden voor Nederlands recht, wat daar verder ook van zij, hoeft gelet op het voorgaande geen beoordeling meer.
De hoedanigheid van de gestelde erven [erflater]
5.24.
De vraag die in dit verband voorligt, is of [gedaagde 1] als gesteld erfgenaam van [erflater] en [minderjarige erfgenamen] en [gedaagde 3] , als gesteld erfgenaam van [erflater] , daadwerkelijk erfgenaam van [erflater] zijn en dus in die hoedanigheid aangesproken kunnen worden voor de schulden van de nalatenschap van [erflater] .
5.25.
De nalatenschap van [erflater] heeft een internationaal aspect omdat [erflater] , die de Congolese, Deense en Angolese nationaliteit had, in [woonplaats 1] is overleden, hij (onder andere) over een registratiecertificaat beschikte om in Portugal te verblijven en over vermogen beschikte in verschillende landen. Vanwege deze internationale aspecten van de nalatenschap van [erflater] komt de Europese Erfrechtverordening (hierna: ErfVo) in beeld, waarin zowel bepalingen van formeel internationaal privaatrecht – onder andere over de bevoegdheid van een gerecht – als bepalingen van materieel internationaal privaatrecht – onder andere welk recht van toepassing is – zijn opgenomen. [9]
ErfVo van toepassing
5.26.
Deze vraag, of gedaagden [gedaagde 1] als gesteld erfgenaam van [erflater] en [minderjarige erfgenamen] en [gedaagde 3] , als gesteld erfgenaam van [erflater] , erfgenaam zijn van [erflater] en dus zijn aan te spreken voor de schulden van de nalatenschap van [erflater] valt onder het toepassingsbereik van de ErfVo. Ten eerste valt het onder het formele toepassingsbereik van de ErfVo, want het betreft een internationale erfkwestie. Ook temporeel is de ErfVo van toepassing want [erflater] is overleden na 17 augustus 2015 (artikel 83 ErfVo Pro).
5.27.
Anders dan Esperaza betoogt, is de ErfVo ook materieel van toepassing, omdat de hier te beantwoorden vragen vallen onder het begrip ‘de erfopvolging’ zoals gedefinieerd in artikel 3 ErfVo Pro. De rechtbank verwijst hierbij naar considerans 9 ErfVo waarin is bepaald dat het toepassingsgebied van de verordening
alle burgerrechtelijke aspectenvan erfopvolging in de nalatenschap van een overleden persoon omvat. Dat is dus een breed begrip en betekent dat de in de ErfVo aangewezen gerechten bevoegd zijn om zich over de gehele erfopvolging en alle aspecten ervan uit te spreken. Volgens considerans 42 en artikel 23 onder Pro g van de ErfVo omvat dit de vererving van de gehele nalatenschap en in het bijzonder ook de aansprakelijkheid voor schulden van de nalatenschap. Daarmee valt ook de daaraan voorafgaande vraag wie de aan te spreken personen überhaupt zijn, oftewel de vraag “wie zijn de erfgenamen/vertegenwoordigers van de nalatenschap” onder het materiële toepassingsbereik van de ErfVo.
Ook uit de toelichting van artikel 4 ErfVo Pro (bevoegdheidsbepaling) blijkt dat de gerechten die op basis van dit artikel worden aangewezen, bevoegd zijn om zich over de gehele erfopvolging en alle aspecten daarvan uit te spreken.
Verder doen de uitzonderingen van artikel 1 lid 2 ErfVo Pro – gevallen die geacht kunnen worden verband te houden met het erfrecht waarbij de ErfVo uitdrukkelijk
nietvan toepassing is – zich hier niet voor. Onder de uitzonderingen vallen bijvoorbeeld wel familierechtelijke betrekkingen (artikel 1 lid 2 onder Pro a ErfVo) zoals de vraag wie als kind is te beschouwen van een overledene of hoe de overledene was getrouwd, maar dus niet de vragen of die betreffende nabestaande erfgenaam is en zodoende aansprakelijk kan worden gehouden voor schulden van de nalatenschap.
5.28.
Dit betekent dat de rechtbank alleen bevoegd is om te oordelen over de vraag of gedaagden [gedaagde 1] als gesteld erfgenaam van [erflater] en [minderjarige erfgenamen] en [gedaagde 3] , als gesteld erfgenamen van [erflater] , zijn aan te spreken voor schulden van de nalatenschap van [erflater] , als de ErfVo de rechtbank die bevoegdheid toekent.
5.29.
Het betoog van Esperaza dat de Nederlandse rechter zich al bevoegd heeft verklaard in het vonnis in incident van 18 december 2024 en dat nu enkel moet worden bepaald aan de hand van artikel 21 ErfVo Pro welk recht van toepassing is op de nalatenschap gaat niet op.
De vraag is hier niet of Esperaza een onrechtmatige daadvordering kan instellen jegens de nalatenschap – daarover is al beslist in incident van 18 december 2024 – maar of de gestelde erfgenamen, daadwerkelijk erfgenamen zijn in de nalatenschap van [erflater] en uit dien hoofde aan te spreken zijn voor schulden van die nalatenschap, en – allereerst – welke rechter bevoegd is om op díe vraag te beslissen.
De Nederlandse rechter is niet bevoegd te oordelen over de erfrechtvraag
5.30.
Op grond van de hoofdregel van artikel 4 ErfVo Pro zijn de gerechten van de lidstaat waar de erflater op het tijdstip van overlijden zijn gewone verblijfplaats had, bevoegd om uitspraak te doen over de erfopvolging in haar geheel. De gewone verblijfplaats van [erflater] op het moment van overlijden was in ieder geval niet Nederland. Daar zijn partijen het over eens. Op basis van artikel 4 ErfVo Pro is de Nederlandse rechter dus niet bevoegd om te oordelen wie de erfgenamen van [erflater] zijn en of zij dientengevolge aansprakelijk gehouden kunnen worden voor de schulden van de nalatenschap van [erflater] .
Ook de subsidiaire bevoegdheidsgronden van artikel 10 van Pro de ErfVo creëren geen bevoegdheid voor de Nederlandse rechter om daarover te beslissen. Er is namelijk niet gesteld of gebleken dat zich goederen van de nalatenschap van [erflater] in Nederland bevinden.
5.31.
Aan de voorwaarden voor toepasselijkheid van de bevoegdheidsgrond van artikel 11 ErfVo Pro is ook niet voldaan. In artikel 11 ErfVo Pro is bepaald dat indien geen enkel gerecht van een lidstaat op grond van andere bepalingen van deze verordening bevoegd is, de gerechten van een lidstaat bij wijze van uitzondering uitspraak kunnen doen over de erfopvolging indien in een derde staat waarmee de zaak nauw verbonden is, redelijkerwijs geen procedure aanhangig kan worden gemaakt of gevoerd, of een procedure daar onmogelijk blijkt (forum necessitatis). Enerzijds staat niet vast dat geen enkel gerecht van een lidstaat bevoegd is, dit zou immers Portugal kunnen zijn nu [gedaagde 1] als gesteld erfgenaam van [erflater] en [minderjarige erfgenamen] en [gedaagde 3] stellen dat de gewone verblijfplaats van [erflater] Portugal was. Daarnaast staat ook niet vast dat in een derde staat, wat mogelijk de VAE zouden kunnen zijn nu Esperaza stelt dat [woonplaats 1] de gewone verblijfplaats van [erflater] was, geen procedure aanhangig kan worden gemaakt of gevoerd.
5.32.
De Nederlandse rechter heeft op basis van de ErfVo dus geen bevoegdheid om te beslissen of [gedaagde 1] als gesteld erfgenaam van [erflater] , [minderjarige erfgenamen] en [gedaagde 3] erfgenamen zijn in de nalatenschap van [erflater] . Daarom kan nog niet worden vastgesteld of deze gestelde erfgenamen naar het recht van Portugal, de VAE, of van een ander land, aangesproken kunnen worden voor de schulden van de nalatenschap van [erflater] , wat door hen is betwist. Dat staat – anders dan de rechtbank in het incidentele vonnis van 18 december 2024 voor ogen stond – echter niet aan ontvankelijkheid in de weg, maar aan de toewijsbaarheid van de vorderingen. Voor toewijzing van enige vordering jegens hen is immers nodig dat de rechtbank kan vaststellen dat [gedaagde 1] , [minderjarige erfgenamen] en [gedaagde 3] erfgenamen zijn van de nalatenschap van [erflater] en aansprakelijk kunnen zijn voor schulden van de nalatenschap van [erflater] .
Het is daarom (nu) aan Esperaza om voor het wijzen van het eindvonnis van de (wel) bevoegde autoriteiten hierover uitsluitsel te krijgen.
5.33.
Bij deze stand van zaken wordt het verzoek namens [gedaagde 1] (voor zichzelf en als gesteld erfgenaam van [erflater] ), [gedaagde 12] en Terra Peregrin , [minderjarige erfgenamen] , [gedaagde 3] , [gedaagde 4] en BBCV om te mogen reageren op de nagekomen opinies van Esperaza in het kader van de gestelde erfgenamen afgewezen omdat zij hier geen belang meer bij hebben.
Overige verzoeken
Aanhouding voor vernietigingsprocedure en Exem-enquête / OK-procedure Exem
5.34.
Gedaagden [gedaagde 1] (voor zichzelf en als gesteld erfgenaam van [erflater] ), [gedaagde 12] en Terra Peregrin , [minderjarige erfgenamen] , [gedaagde 3] , [gedaagde 4] , [gedaagde 5] , [gedaagde 8] en TCA hebben verzocht deze zaak aan te houden in afwachting van de vernietigingsprocedure van het arbitraal vonnis en/of de Exem-enquêteprocedure bij de Ondernemingskamer (OK).
5.35.
De procedure bij het NAI is gevoerd tussen Exem als eiser en Sonangol als gedaagde. Het arbitraal vonnis is dus tussen deze twee partijen gewezen. In het arbitrale vonnis is geoordeeld dat de Exem-transactie nietig is vanwege strijd met de openbare orde. Er loopt nu bij het hof een procedure over de vernietiging van dit arbitrale vonnis.
De OK-procedure ziet op mogelijk wanbeleid bij Exem. De door de OK benoemde onderzoeker De Mol van Otterloo is op dit moment nog bezig met zijn onderzoek.
5.36.
Samengevat voeren gedaagden aan dat de uitkomst van deze procedures zoveel invloed zal hebben op deze zaak dat de uitkomst beter kan worden afgewacht. Zij stellen dat het niet efficiënt is als gedaagden nu een conclusie van antwoord moeten nemen naar de huidige stand van de feiten en deze vervolgens herschreven moet worden, of nieuwe aktes moeten worden genomen als op een later moment de uitkomst in deze procedures bekend wordt.
5.37.
De rechtbank gaat hier niet in mee. Dat de uitkomst van deze procedures
mogelijkvan invloed kan zijn op deze zaak maakt niet dat deze zaak moet worden aangehouden. De rechtbank dient namelijk ook te waken voor onredelijke vertraging van het geding en aanhouding in afwachting van de andere procedures zal deze procedure ernstig vertragen. Het belang om voort te procederen weegt zwaarder dan het belang om de uitkomsten van deze procedures af te wachten.
Tussentijds hoger beroep
5.38.
[gedaagde 15] heeft verzocht om tussentijds hoger beroep open te stellen indien de rechtbank zou oordelen dat op (een deel van) de vorderingen van Esperaza op [gedaagde 15] Nederlands recht van toepassing is. [gedaagde 15] heeft hiertoe samengevat betoogd dat vonnissen over internationale bevoegdheid en toepasselijk recht bij uitstek vonnissen zijn waartegen tussentijds hoger beroep mogelijk is. Bovendien zouden partijen een nodeloze discussie voeren over de aansprakelijkheidsvraag, met alle kosten van dien, als in een eventuele hoger beroepsprocedure zou worden geoordeeld dat niet Nederlands recht maar Kaapverdisch (of een ander) recht van toepassing is. Dit komt volgens [gedaagde 15] de goede procesorde, waaronder de proceseconomie, niet ten goede.
5.39.
De hoofdregel is dat van tussenvonnissen geen hoger beroep openstaat voordat eindvonnis is gewezen (artikel 337 lid 2 Rv Pro). De maatstaf is of het tussentijds openstellen van het hoger beroep leidt tot onredelijke vertraging van de procedure. Uit de wetsgeschiedenis van deze bepaling kan worden afgeleid dat het de bedoeling is geweest om bij het toestaan van tussentijds hoger beroep een grote mate van terughoudendheid te betrachten, en dat de beslissing daartoe afhankelijk is van het antwoord op de vraag of in het voorliggende geval sprake is van bijzondere omstandigheden die afwijking van de hoofdregel van artikel 337 lid 2 Rv Pro rechtvaardigen.
5.40.
De door [gedaagde 15] aangevoerde omstandigheden zijn onvoldoende om af te wijken van de hoofdregel om door te procederen. De aangevoerde proceseconomische reden met alle kosten die daarbij zouden worden gemaakt, weegt niet op tegen het voortvarend doorprocederen en het moeten waken tegen onredelijke vertraging van het geding.
Verdere verloop van de procedure
5.41.
In de vonnissen in incident van 18 december 2024 en 17 december 2025 was al beslist dat de Nederlandse rechter bevoegd is om van de vorderingen van Esperaza kennis te nemen. In dit vonnis is beslist dat de rechtbank de vorderingen van Esperaza zal beoordelen naar Nederlands recht.
5.42.
Esperaza is in haar dagvaarding en nadere akte aanvulling feiten al uitgegaan van de toepassing van het Nederlands recht zodat zij
geennadere gelegenheid krijgt om haar stellingen aan te vullen of te onderbouwen.
Enkel TCA en [gedaagde 11] hebben al een conclusie van antwoord genomen, maar de andere gedaagden nog niet. De overige gedaagden zullen daarom een conclusie van antwoord mogen nemen, naar Nederlands recht, en zij krijgen hiervoor een (ruime) termijn van 4 maanden. Gelet daarop zal in beginsel geen nader uitstel worden verleend. Gedaagden TCA en [gedaagde 11] mogen indien zij dat wensen hun conclusie van antwoord aanvullen omdat het ruim 2,5 jaar geleden is dat zij die hebben ingediend.
5.43.
Alle partijen zullen worden gevraagd op de roldatum van 2 september 2026 eveneens hun verhinderdata door te geven zodat de inhoudelijke mondelinge behandeling kan worden bepaald.
5.44.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

6.De beslissing

De rechtbank
6.1.
bepaalt dat op alle vorderingen van Esperaza Nederlands recht van toepassing is,
6.2.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
woensdag 2 september 2026voor het nemen van een conclusie van antwoord voor gedaagden: [gedaagde 1] (voor zichzelf en als gesteld erfgenaam van [erflater] ), [gedaagde 12] , Terra Peregrin , [minderjarige erfgenamen] , [gedaagde 3] , [gedaagde 4] , [gedaagde 5] , Uría , [gedaagde 8] , Eurobic , BBCV en [gedaagde 15] – en TCA en [gedaagde 11] voor zover zij hun conclusie van antwoord willen aanvullen – over wat is vermeld onder 5.42,
6.3.
bepaalt dat alle partijen op de rol van
woensdag 2 september 2026hun verhinderdata moeten doorgeven voor het eerste kwartaal van 2027 (januari, februari en maart),
6.4.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.M. Visser, mr. F.L. Bolkestein en mr. R.P.F. de Groot, rechters, bijgestaan door mr. E.H. van Kolfschooten, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2026.

Voetnoten

1.Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen, PbEU 2007, L 199/40 (Rome II)
2.Verordening (EU) nr. 650/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en de aanvaarding en de tenuitvoerlegging van authentieke akten op het gebied van erfopvolging, alsmede betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring (Erfrechtverordening)
3.de Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I)
4.Hof van Justitie EU 10 juni 2004, ECLI:EU:C:2004:364 (
5.Hof van Justitie EU 28 januari 2015, ECLI:EU:C:2015:37 (
6.Hof van Justitie EU 16 juni 2016 ECLI:EU:C:2016:449 (
7.idem
8.Hof van Justitie EU 15 januari 2026, ECLI:EU:C:2026:1 (
9.Verordening (EU) Nr. 650/2012 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en de aanvaarding en de tenuitvoerlegging van authentieke akten op het gebied van erfopvolging, alsmede betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring