8.3Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen maatregel gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan winkeldiefstal. Dit is een hinderlijk feit waarbij vaak financiële schade voor de winkelier ontstaat. Verdachte heeft hierbij geen oog gehad voor de belangen van het bedrijf waar hij de goederen heeft gestolen.
Persoon van de verdachte
Uit het uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 6 januari 2026 2026 volgt dat verdachte in de afgelopen vijf jaar meermalen voor winkeldiefstal tot een gevangenisstraf is veroordeeld.
Advies van de reclassering
De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van Verslavingsreclassering GGZ van 10 december 2025, opgemaakt door [reclasseringsmedewerker 1] , reclasseringswerker en [unitmanager] , unitmanager. Dit rapport houdt – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende in:
Verdachte is al jaren dakloos en ontvangt een daklozenuitkering. Verdachte heeft aan de reclassering aangegeven in behandeling te zijn voor psychische klachten en middelengebruik. Uit een Pro Justitia rapportage van 2008 blijkt dat verdachte werd gediagnosticeerd met schizofrenie. Deze diagnostiek is verouderd en het is volgens de reclassering wenselijk dat er nieuw diagnostisch onderzoek bij verdachte plaatsvindt. Aan verdachte is éénmaal reclasseringstoezicht opgelegd. Aan de uitvoering van dit reclasseringstoezicht heeft verdachte niet meegewerkt. Ook heeft verdachte tot dusver geen medewerking verleend aan het opstellen van reclasseringsadviezen, zo ook niet ten aanzien van het onderhavige rapport, waarbij verdachte het gesprek met de reclasseringswerker na twee minuten afbrak. Verdachte heeft eerder begeleid gewoond bij HVO Querido, maar hield de begeleiding af.
De reclassering schat het risico op recidive in als hoog, gelet op de justitiële documentatie van verdachte, de instabiliteit op de leefgebieden en de niet ontvankelijke houding ten opzichte van hulpverlening of reclasseringsinterventies. Ook het risico op onttrekken aan voorwaarden wordt door de reclassering ingeschat als hoog.
Gelet op het ontbreken van de ontvankelijkheid voor hulpverlening en de hoge kans op onttrekking ziet de reclassering geen mogelijkheden voor reclasseringsinterventies in het kader van een voorwaardelijke straf. De reclassering acht het noodzakelijk dat er diagnostiek bij verdachte plaatsvindt, zodat op grond daarvan een passende behandeling opgestart kan worden. Ook acht de reclassering een klinische behandeling tijdens de extramurale fase van de ISD-maatregel uitermate geschikt en noodzakelijk.
De rechtbank heeft ter terechtzitting reclasseringswerker [reclasseringsmedewerker 2] , collega van reclasseringswerker [reclasseringsmedewerker 1] , als deskundige gehoord. Hij heeft gepersisteerd bij voornoemd advies en in aanvulling daarop aangegeven dat verdachte meerdere gesprekken, die de reclassering heeft geprobeerd te voeren met verdachte sinds 2024, heeft afgebroken. Ook het FACT-team is voor verdachte ingeschakeld, maar zonder resultaat.
Motivering van de ISD-maatregel
De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van het bewezen geachte feit aan alle voorwaarden is voldaan die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht aan het opleggen van de ISD-maatregel stelt. Hiervoor is bewezen verklaard dat verdachte een misdrijf heeft begaan waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Uit het uittreksel Justitiële Documentatie van 6 januari 2026 blijkt dat verdachte gedurende de vijf jaren voorafgaand aan het bewezenverklaarde feit ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf, terwijl het in dit vonnis bewezen verklaarde feit is begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen en er, zoals blijkt uit de hiervoor genoemde rapportage, ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan. Blijkens het uittreksel Justitiële Documentatie van 6 januari 2026 is ook voldaan aan de eisen die de “Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers” van het Openbaar Ministerie stelt: verdachte is een zeer actieve veelpleger, die over een periode van vijf jaren processen-verbaal tegen zich zag opgemaakt worden voor meer dan tien misdrijven, waarvan ten minste één in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde feit. Verder eist de veiligheid van personen of goederen het opleggen van deze maatregel, gezien de ernst en het aantal door verdachte begane soortgelijke feiten.
Verdachte is recent meermalen veroordeeld voor vermogensdelicten, zo blijkt uit zijn omvangrijke strafblad. De gevangenisstraffen die hierbij zijn opgelegd, hebben niet geleid tot gedragsverandering bij verdachte. Ook weigert verdachte, ondanks de vele pogingen van de reclassering om contact met verdachte te leggen, consequent om zijn medewerking te verlenen aan hulpverlening. De rechtbank acht het gelet hierop dan ook niet kansrijk dat verdachte zich aan de voorwaarden zal houden bij oplegging van een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf met daaraan verbonden bijzondere voorwaarden en evenmin dat verdachte zich zal houden aan voorwaarden bij een voorwaardelijke oplegging van de ISD-maatregel.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat aan de harde en zachte criteria voor het opleggen van een ISD-maatregel is voldaan en dat de veiligheid van personen of goederen het opleggen van deze maatregel eist. De rechtbank vindt oplegging van de ISD-maatregel wenselijk en noodzakelijk om de door de wetgever beoogde doelen van de ISD-maatregel te realiseren: het doorbreken van het overlast veroorzakende delictgedrag van verdachte en het beveiligen van de maatschappij.
Om de beëindiging van de recidive van verdachte en het leveren van een bijdrage aan de oplossing van zijn problematiek alle kansen te geven en voorts ter optimale bescherming van de maatschappij, is het van groot belang dat voldoende tijd wordt genomen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen. Daarom zal de rechtbank de maatregel voor de maximale termijn van twee jaren opleggen en de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht niet in mindering brengen op de duur van de maatregel.