Op 30 augustus 2024 werd een geïmproviseerde explosieve constructie aangetroffen bij een pand in Amsterdam. Verdachte werd beschuldigd van medeplegen van het voorbereiden van een ontploffing en het voorhanden hebben van deze constructie. Het bewijs bestond uit twee vingerafdrukken van verdachte op het explosief.
De officier van justitie stelde dat deze vingerafdrukken voldoende waren om verdachte als medepleger aan te merken. De verdediging voerde aan dat het enkel aantreffen van vingerafdrukken zonder aanvullend bewijs onvoldoende is om betrokkenheid vast te stellen, mede omdat de sporen op verplaatsbare voorwerpen zaten en er meerdere verklaringen mogelijk zijn.
De rechtbank oordeelde dat het bewijs beperkt bleef tot het aanraken van de flessen en tape, zonder aanwijzingen dat verdachte betrokken was bij het vervaardigen, vervoeren of plaatsen van het explosief. Er was geen bewijs dat verdachte een van de personen op camerabeelden was of enige rol had bij het voorbereiden van de ontploffing. Daarom werd verdachte vrijgesproken van beide tenlastegelegde feiten.
Daarnaast werd beslag gelegd op de cobra’s, flessen en verdovende middelen. De cobra’s en flessen werden onttrokken aan het verkeer vanwege hun gevaarlijke aard, terwijl de verdovende middelen eveneens werden onttrokken. Andere inbeslaggenomen goederen werden in bewaring gegeven ten behoeve van de rechthebbende.
De vordering van de benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard omdat verdachte werd vrijgesproken. Beide partijen dragen hun eigen proceskosten.