Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:5465

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
1 juni 2026
Zaaknummer
13/024442-26+13/336734-25+13/343491-25+13/239277-25+13/012409-26+13/055911-24(tul)
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 38m SrArt. 38n SrArt. 57 SrArt. 63 SrArt. 138 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

ISD-maatregel opgelegd voor diefstal met geweld en overtreding gebiedsverbod

De rechtbank Amsterdam heeft op 20 mei 2026 uitspraak gedaan in een meervoudige strafzaak tegen verdachte, die meerdere feiten ten laste zijn gelegd waaronder diefstal met geweld, overtreding van gebiedsverboden en lokaalvredebreuk. De zaken zijn samengevoegd en beoordeeld.

De rechtbank achtte bewezen dat verdachte op 23 januari 2026 levensproducten heeft gestolen met geweld tegen een slachtoffer, en dat hij meerdere keren opzettelijk niet heeft voldaan aan bevelen om zich uit een overlastgebied te verwijderen. Ook is vastgesteld dat verdachte op twee momenten wederrechtelijk een besloten erf is binnengedrongen. Een tenlastelegging van vernieling van een auto kon niet worden bewezen, waardoor verdachte daarvan is vrijgesproken.

De rechtbank heeft de strafbaarheid van verdachte vastgesteld en heeft op grond van zijn recidive, psychische problematiek en verslaving besloten een ISD-maatregel van twee jaar op te leggen. Deze maatregel is gericht op behandeling en terugkeer naar het land van herkomst. Voor de overige bewezen feiten waarvoor geen voorlopige hechtenis is toegelaten, is geen straf of maatregel opgelegd. De vordering tot tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke straf is afgewezen vanwege de ISD-maatregel.

Uitkomst: ISD-maatregel van twee jaar opgelegd voor diefstal met geweld en geen straf voor overige feiten.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummers: 13/024442-26 (A) + 13/336734-25 (B) + 13/343491-25 (C) +
13/239277-25 (D) + 13/012409-26 (E; ttz gevoegd)
Parketnummer vordering tul: 13/055911-24
Datum uitspraak: 20 mei 2026 (Promis)
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 2000,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres 1] ,
nu gedetineerd te: [detentieadres] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 6 mei 2026.
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A, zaak B, zaak C, zaak D en zaak E aangeduid.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M.L. Firet, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. T.E. Korff, naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij
In zaak A:
1
op of omstreeks 23 januari 2026 te Amsterdam, levensproducten, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [bedrijf] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door:
- zich los te trekken van die [slachtoffer 1] en/of
- met gebalde vuist richting die [slachtoffer 1] te slaan;
2
op of omstreeks 23 januari 2026 te Amsterdam opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel, krachtens artikel 2.9 van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008, in elk geval een wettelijk voorschrift, gedaan door of namens de burgemeester van Amsterdam, in elk geval een ambtenaar als bedoeld in artikel 184 Wetboek Pro van Strafrecht, eerste en/of tweede lid, inhoudende - zakelijk weergegeven - om zich uit het overlastgebied Amsterdam Oost, althans uit een door de burgemeester aangewezen gebied, te verwijderen en zich daar gedurende 3 maanden niet meer te bevinden.
In zaak B:
op of omstreeks 10 december 2025 te Amsterdam, het besloten lokaal en/of het besloten erf, te weten een tankstation gelegen aan de [adres 2] bij een ander, te weten bij [naam tankstation] , althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, in gebruik wederrechtelijk is binnengedrongen.
In zaak C:
op of omstreeks 16 december 2025 te Amsterdam, het besloten lokaal en/of het besloten erf, te weten een tankstation gelegen aan de [adres 2] bij een ander, te weten bij [naam tankstation] , althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, in gebruik wederrechtelijk is binnengedrongen.
In zaak D:
op of omstreeks 25 augustus 2025 te Amsterdam, opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel, krachtens artikel 2.9 van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008, in elk geval een wettelijk voorschrift, gedaan door of namens de burgemeester van Amsterdam, in elk geval een ambtenaar als bedoeld in artikel 184 Wetboek Pro van Strafrecht, eerste en/of tweede lid, inhoudende - zakelijk weergegeven - om zich uit het overlastgebied Oost, althans uit een door de burgemeester aangewezen gebied, te verwijderen en zich daar gedurende 3 maanden niet meer te bevinden.
In zaak E:
op of omstreeks 13 augustus 2025 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een auto, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [slachtoffer 2] , toebehoorde heeft vernield en/of beschadigd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3.Voorvragen

De dagvaardingen zijn geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4.Waardering van het bewijs

4.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van het in zaak A onder 2, het in zaak B, zaak C en zaak D ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Ten aanzien van de in zaak A onder 1 ten laste gelegde diefstal met geweld heeft de raadsvrouw bepleit dat vrijspraak moet volgen van het geweldsaspect, omdat geen sprake is geweest van (bedreiging met) geweld in het kader van de diefstal, maar dat dit heeft plaatsgevonden nadat het winkelpersoneel verdachte had vastgepakt en geslagen.
Ten aanzien van de in zaak E ten laste gelegde vernieling heeft de raadsvrouw betoogd dat het dossier geen bewijs bevat voor de daadwerkelijke vernieling dan wel beschadiging van de auto van aangever.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
Vrijspraak van het in zaak E ten laste gelegde
De rechtbank acht niet bewezen wat in zaak E is ten laste gelegd, omdat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat het handelen van verdachte daadwerkelijk schade aan het voertuig van aangever heeft veroorzaakt. Verdachte zal daarom van dit feit worden vrijgesproken.
Het oordeel over de overige ten laste gelegde feiten
De rechtbank is van oordeel dat de overige ten laste gelegde feiten kunnen worden bewezen en verwijst daarvoor naar de inhoud van de bewijsmiddelen. Daarmee wordt ook het verweer van de raadsvrouw ten aanzien van het in zaak A onder 1 ten laste gelegde weerlegd.

5.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
In zaak A:
1
op 23 januari 2026 te Amsterdam, levensproducten, die aan [bedrijf] , toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd gevolgd van geweld tegen [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door:
- zich los te trekken van die [slachtoffer 1] en
- met gebalde vuist richting die [slachtoffer 1] te slaan;
2
op 23 januari 2026 te Amsterdam opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel, krachtens artikel 2.9 van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008, gedaan namens de burgemeester van Amsterdam, inhoudende - zakelijk weergegeven - om zich uit het overlastgebied Amsterdam Oost, te verwijderen en zich daar gedurende 3 maanden niet meer te bevinden.
In zaak B:
op 10 december 2025 te Amsterdam, het besloten erf, te weten een tankstation gelegen aan de [adres 2] bij een ander, te weten bij [naam tankstation] , in gebruik wederrechtelijk is binnengedrongen.
In zaak C:
op 16 december 2025 te Amsterdam, het besloten erf, te weten een tankstation gelegen aan de [adres 2] bij een ander, te weten bij [naam tankstation] , in gebruik wederrechtelijk is binnengedrongen.
In zaak D:
op 25 augustus 2025 te Amsterdam, opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel, krachtens artikel 2.9 van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008, gedaan namens de burgemeester van Amsterdam, inhoudende - zakelijk weergegeven - om zich uit het overlastgebied Oost, te verwijderen en zich daar gedurende 3 maanden niet meer te bevinden.

6.De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8.Plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders

8.1.
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD-maatregel) zal worden opgelegd voor de duur van twee jaren, zonder aftrek van voorarrest en heeft daartoe het volgende overwogen.
Verdachte heeft psychische problematiek, is verslaafd aan verdovende middelen en wil terugkeren naar zijn familie in [plaats] . In het kader van de ISD-maatregel kan verdachte worden geholpen bij de terugkeer naar zijn land van herkomst en kan in de tussentijd behandeling worden gevolgd gericht op zijn problematiek.
8.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft de rechtbank primair verzocht geen ISD-maatregel op te leggen, nu er een minder ingrijpend alternatief beschikbaar is om de terugkeer naar het land van herkomst te realiseren. Gelet daarop heeft de raadsvrouw verzocht aan verdachte een gevangenisstraf op te leggen, waarbij na de uitspraak nog voldoende tijd resteert om via het de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) vanuit detentie de terugkeer van verdachte naar [plaats] te organiseren. Verdachte is niet gelukkig in Nederland en het is zijn uitdrukkelijke wens om terug te keren naar zijn moeder en familie in [plaats] en daar een toekomst op te bouwen. Hij is bereid om te voldoen aan de voorwaarde die het IOM stelt en afstand te doen van zijn verblijfsrecht in Nederland.
Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht een ISD-maatregel voor de duur van één jaar met aftrek van voorarrest op te leggen, nu dat voldoende tijd zou moeten zijn om verdachte met een zachte landing terug te kunnen laten keren naar [plaats] . Het moet worden voorkomen dat de procedure voor terugkeer langer duurt dan nodig is.
Meer subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht bij de oplegging van een ISD-maatregel voor de duur van twee jaren expliciet in het vonnis op te nemen dat de invulling van de maatregel voornamelijk gericht moet zijn op repatriëring en bij voorkeur ten uitvoer zal worden gelegd in de [naam PI] , nu de ISD-afdeling van deze inrichting daartoe gespecialiseerd is.
Indien een ISD-maatregel wordt opgelegd, voor de duur van één dan wel twee jaren, heeft de raadsvrouw verzocht te bepalen dat na zes maanden een tussentijdse toets zal plaatsvinden om de noodzaak van de voortzetting van de maatregel te beoordelen.
8.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen maatregel gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van Reclassering GGZ Inforsa van 22 april 2026, opgemaakt door [persoon] . Dit rapport houdt – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende in.
“De heer [verdachte] komt met grote regelmaat in beeld bij politie en justitie voor het plegen van vermogensdelicten. Er zijn problemen op meerdere leefgebieden. Betrokkene is dakloos, heeft geen werk of dagbesteding en inkomen. Daarnaast spelen psychische- en verslavingsproblemen. Naast de diagnose schizofrenie is er ook sprake van verslaving aan crack cocaïne, wat zijn leefsituatie destabiliseert. Bovendien onttrekt betrokkene zich in periode van gebruik aan het contact met hulpverlening en reclassering. Voornoemde leidt zo tot delictgedrag en verergering van psychische problemen. Het lukt onvoldoende om de heer [verdachte] goed in zorg te krijgen en voor langere tijd abstinent te houden, waardoor betrokkene met justitie in aanraking blijft komen. Zorgtrajecten vanuit de zorgmachtiging en forensische zorg hebben niet tot gedragsverandering geleid. De reclassering ziet de noodzaak voor langdurige klinische behandeling. Om het risico op onttrekking zo klein mogelijk te houden adviseert de reclassering dat de behandeling tijdens een ISD-maatregel plaats vindt.
De heer [verdachte] heeft aangegeven dat hij geen mogelijkheden meer ziet voor een gezonde toekomst in Nederland en terug wil keren naar zijn familie in [plaats] .
Op dit moment lijkt het de meest praktische oplossing om de terugkeer tijdens de ISD-maatregel te organiseren. De ISD-afdeling in de [naam PI] is gespecialiseerd in het ondersteunen en begeleiden bij terugkeer naar land van herkomst. Een ambulante behandeling in de beginperiode van de ISD-maatregel helpt betrokkene om weerbaarder te worden tegen een terugval in middelengebruik. Ook geeft een ISD-maatregel meer tijd om de terugkeer goed te organiseren. Een andere mogelijkheid is vrijwillige terugkeer via het IOM (Internationale Organisatie voor Migratie). Daarbij zijn ook mogelijkheden voor vrijwillige terugkeer als betrokkene wordt afgestraft. Er zijn geen belemmeringen voor terugkeer via het IOM. Betrokkene is bereid zijn verblijfsvergunning in te trekken. Dat is een absolute voorwaarde. Daarnaast is er een netwerk in [plaats] waar hij naar terug kan keren en die hem opvangen. Het paspoort ligt bij een kennis en kan daar worden opgevraagd. Hij zou vanuit detentie direct kunnen vertrekken”.
Verder heeft de rechtbank ter terechtzitting van dhr. [persoon] , reclasseringswerker van GGZ Inforsa te Utrecht, als deskundige gehoord. Hij heeft bovenstaand advies bevestigd en nader toegelicht.
De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van de bewezen geachte feiten aan alle voorwaarden is voldaan die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht aan het opleggen van de ISD-maatregel stelt. Met de bewezenverklaring van de diefstal gevolgd van geweld in zaak A, onder 1 heeft verdachte een misdrijf begaan waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten.
Uit het uittreksel Justitiële Documentatie van 22 april 2026 blijkt dat verdachte gedurende de vijf jaren voorafgaand aan de feiten ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf, terwijl de in dit vonnis bewezen verklaarde feiten zijn begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen en er, zoals blijkt uit de hiervoor genoemde rapportage, ernstig rekening mede moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan. Blijkens het uittreksel Justitiële Documentatie is ook voldaan aan de eisen die de “Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers” van het Openbaar Ministerie stelt: verdachte is een zeer actieve veelpleger, die over een periode van vijf jaren processen-verbaal tegen zich zag opgemaakt worden voor meer dan tien misdrijven, waarvan ten minste één in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde feit. Verder eist de veiligheid van personen of goederen het opleggen van deze maatregel, gezien de ernst en het aantal door verdachte begane soortgelijke feiten.
De rechtbank is van oordeel dat de wens van verdachte om terug te keren naar zijn familie in [plaats] het best kan worden georganiseerd tijdens de tenuitvoerlegging de ISD-maatregel. De vrijwillige terugkeer van verdachte via het IOM acht de rechtbank geen geschikt alternatief, met name omdat als absolute voorwaarde wordt gesteld dat verdachte (vrijwillig) zijn verblijfsrecht in Nederland intrekt. Dat is tot op heden nog niet gebeurd en blijft afhankelijk van de wil van verdachte. Bovendien kan verdachte in de tussentijd op de ISD-afdeling profiteren van behandeling die daar worden aangeboden voor zijn psychische- en verslavingsproblematiek.
De rechtbank zal daarom de vordering van de officier van justitie volgen.
Om de beëindiging van de recidive van verdachte en het leveren van een bijdrage aan de oplossing van zijn problematiek alle kansen te geven en voorts ter optimale bescherming van de maatschappij, is het van groot belang dat voldoende tijd wordt genomen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen. Daarom zal de rechtbank de maatregel voor de maximale termijn van twee jaren opleggen en de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht niet in mindering brengen op de duur van de maatregel.
Daarbij bepaalt de rechtbank dat de invulling van de ISD-maatregel met name gericht zal zijn op de terugkeer van verdachte naar het land van herkomst en in de tussentijd ook op de behandeling van zijn psychische- en verslavingsproblematiek. Zodra de terugkeer is gerealiseerd, zal de ISD-maatregel ook eerder kunnen worden beëindigd. De rechtbank ziet daarin geen reden om de maatregel voor een kortere duur op te leggen dan wel op voorhand een moment voor tussentijdse toetsing van de noodzaak tot voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel te bepalen. Indien daarvoor concrete aanleiding bestaat, heeft de verdediging de mogelijkheid daartoe een verzoekschrift in te dienen.
Nu voor de bewezenverklaarde feiten in zaak A onder 2, en in de zaken B, C en D
geen voorlopige hechtenis is toegelaten, kan voor deze feiten geen ISD-maatregel worden opgelegd. Om die reden zal de rechtbank gebruik maken van de mogelijkheid van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht en bepalen dat voor deze feiten geen straf of maatregel zal worden opgelegd.

9.Beslag

Onder verdachte is in zaak A een mes inbeslaggenomen (goednummer: BZAX8761). Uit het dossier volgt dat verdachte op 23 januari 2026 schriftelijk afstand heeft gedaan van dit inbeslaggenomen voorwerp. Gelet daarop behoeft de rechtbank daarover geen beslissing meer te nemen.

10.Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich de op 17 december 2025 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer 13/055911-24, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 20 februari 2024 van de politierechter te Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 14 dagen met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot 11 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op twee jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Tevens bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden.
De rechtbank zal – in overeenstemming met het standpunt van de officier van justitie en de raadsvrouw – de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf afwijzen, omdat dit gelet op de oplegging van de ISD-maatregel niet opportuun is en het van belang wordt geacht dat de maatregel zo spoedig mogelijk ten uitvoer wordt gelegd en in dat kader kan worden aangevangen met de ISD-maatregel en daarmee met de procedure tot de terugkeer van verdachte naar zijn land van herkomst.

11.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen 38m, 38n, 57, 63, 138, 184 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

12.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het in zaak E ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het in zaak A, zaak B, zaak C en zaak D ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Ten aanzien van zaak A onder 1:
diefstal, gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken en het bezit van het gestolene te verzekeren.
Ten aanzien van zaak A onder 2 en zaak D:
telkens: opzettelijk niet voldoen aan een bevel, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast.
Ten aanzien van zaak B en C:
telkens: het besloten erf, bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Ten aanzien van zaak A feit 1:
Legt op de
maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige dadersvoor de duur van
2 (twee) jaren.
Ten aanzien van zaak A feit 2, zaak B, zaak C en zaak D:
Bepaalt dat
geen straf of maatregelwordt opgelegd.
Wijst af de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 13/055911-24.
Dit vonnis is gewezen door
mr. C.P.E. Meewisse, voorzitter,
mrs. E. Biҫer en C.C.J. Maas-van Es, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. I. van Heusden, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 mei 2026.
[...]

6.[...]