1.2.The actual detention conditions of [de opgeëiste persoon] at the LILLE-ANNOEULLIN remand prisonThe LILLE-ANNOEULLIN detention facility consists of a “men’s remand centre” (MAH) section, intended for persons awaiting trial, such as [de opgeëiste persoon] .The men’s remand centre section contains:- 272 cells, each measuring 10 to 11 m² and with a design capacity of one place, equipped with two beds.- 7 cells, each measuring 12 to 13 m² with a capacity of two places and equipped with two beds.- 54 cells, each measuring 13 to 14 m² with a design capacity of two places and equipped with two beds.- 20 cells each measuring 13 to 14 m² dedicated to the Regional Medical and Psychological Service, with a capacity of one place.- 15 cells, each measuring 14 to 19 m² with a design capacity of 3 places and equipped with 2 beds.- 5 accessible cells for persons with reduced mobility, measuring 19 to 24 m² and with a capacity of 1 place. (...)"
Op 30 april 2026 is hier nog de volgende informatie aan toegevoegd:
“I have taken note of your additional requests.1. Regarding the 3m² guarantee, the guarantee letter drafted by my colleague is as precise as possible concerning the conditions of detention.2. We cannot commit to placing Mr. [de opgeëiste persoon] in a single cell.”
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat geen gevolg moet worden gegeven aan het EAB vanwege de detentieomstandigheden. De afgegeven detentiegaranties van 31 maart en 30 april 2026 volstaan niet. Het IRC heeft de Franse autoriteiten al een tweede kans geboden. Het reparatiemoment is daarom al geweest. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat de behandeling van de zaak moet worden aangehouden om de Franse autoriteiten nog eenmaal de kans te geven om een afdoende detentiegarantie te verstrekken.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de behandeling van de zaak moet worden aangehouden om nadere vragen te stellen aan de Franse autoriteiten over de detentieomstandigheden.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt allereerst dat zij gelet op het arrest
MLvan het HvJ EU uitsluitend de detentieomstandigheden dient te onderzoeken in de penitentiaire inrichting(en) waar de opgeëiste persoon, volgens de informatie waarover zij beschikt, naar alle waarschijnlijkheid zal worden gedetineerd, mede op tijdelijke of voorlopige basis.
Uit de aanvullende informatie van 31 maart 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering waarschijnlijk zal worden gedetineerd in
Lille-Annoeullin. Omdat uit de aanvullende informatie niet blijkt dat de opgeëiste persoon aldaar aanvankelijk tijdelijk of op voorlopige basis zal worden gedetineerd, hoeft de rechtbank alleen voor de detentie-instelling in
Lille-Annoeullinde detentieomstandigheden te onderzoeken.
Vervolgens moet worden beoordeeld of de verstrekte aanvullende informatie van 31 maart en 30 april 2026 het vastgestelde algemene reële gevaar voor de opgeëiste persoon wegneemt. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is. Hiervoor is het volgende van belang.
Uit de aanvullende informatie blijkt dat de Franse autoriteiten, vanwege de methode die zij hanteren voor het berekenen van de oppervlakte van cellen en de persoonlijke leefruimte van gedetineerden, geen concrete garanties kunnen gegeven over het exacte aantal vierkante meters waarover de opgeëiste persoon na overlevering zal beschikken. Wel wordt benadrukt dat op de afdeling in de gevangenis in
Lille-Annoeullingeen cel kleiner is dan 10 tot 11 m² en dat de oppervlakte van de sanitaire voorzieningen varieert tussen 1,4 en 1,8 m². Deze informatie is naar het oordeel van de rechtbank echter te algemeen van aard en onvoldoende concreet, omdat niet bekend is hoeveel mensen op één cel geplaatst worden. Ondanks het feit dat hier tot twee keer toe om is gevraagd, zijn hierover geen individuele garanties ten behoeve van de opgeëiste persoon afgegeven. Op basis van de verstrekte informatie kan de rechtbank dan ook niet vaststellen hoeveel persoonlijke celruimte wordt gegarandeerd voor de opgeëiste persoon. Het is bovendien niet aan de rechtbank om zelf een berekening te maken op basis van de verstrekte informatie over de verschillende cellen in combinatie met de vermelde bezettingsgraad in de desbetreffende penitentiaire inrichting. De rechtbank weet namelijk niet wat de impact van de overbevolking op de verdeling van de cellen is en of en zo ja, met hoeveel mensen de opgeëiste persoon in één cel zal worden geplaatst. Een geschatte berekening van de rechtbank over de vermoedelijke persoonlijke ruimte van de opgeëiste persoon is daarom geen garantie dat de opgeëiste persoon die ruimte daadwerkelijk zal krijgen, omdat dat in de verstrekte informatie niet is toegezegd door de Franse autoriteiten.
De rechtbank stelt dan ook vast dat voor de opgeëiste persoon een individueel gevaar bestaat van schending van zijn grondrechten wegens de detentieomstandigheden in de detentie-instelling
Lille-Annoeullinals de overlevering zou worden toegestaan. Dat betekent dat de rechtbank de beslissing moet aanhouden op grond van artikel 11, tweede lid, OLW, tenzij evident is dat het gevaar niet binnen een redelijke termijn zal worden weggenomen als gevolg van een wijziging van de omstandigheden. In dat laatste geval zou de rechtbank direct geen gevolg kunnen geven aan het EAB en de officier van justitie niet-ontvankelijk kunnen verklaren.
De rechtbank acht het niet ondenkbaar dat de hiervoor bedoelde wijziging van de omstandigheden zich binnen afzienbare tijd voordoet en ziet daarom aanleiding het onderzoek te heropenen en te schorsen.
Dit betekent ook dat de rechtbank de beslissing over de overlevering op grond van artikel 11, tweede lid, OLW zal aanhouden. De rechtbank zal, ingevolge artikel 11, vierde lid, OLW, bij de volgende zitting nagaan of een wijziging van de omstandigheden is opgetreden binnen een redelijke termijn.
De voortzetting van de zaak zal worden ingepland in de periode van 26 juni 2026 tot en met 5 juli 2026, zodat kan worden nagegaan of deze wijziging van omstandigheden is opgetreden.
Verlenging van de beslistermijn
De termijn om op het verzoek tot overlevering te beslissen loopt af op 14 juni 2026. Nu de rechtbank, gezien het voorgaande, een verlenging nodig heeft om op het verzoek tot overlevering te beslissen, zal zij ook de beslistermijn verlengen met 60 dagen onder gelijktijdige verlenging van de gevangenhouding met 60 dagen.