Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:5453

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
1 juni 2026
Zaaknummer
13-270733-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 OLWArt. 4 Handvest van de grondrechten van de EUArt. 23 OLWArt. 22 OLWArt. 27 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank Amsterdam wijst Europees aanhoudingsbevel af wegens onmenselijke detentieomstandigheden in Polen

De rechtbank Amsterdam behandelde op 12 mei 2026 het Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Poolse autoriteiten voor de overlevering van een Poolse verdachte. Eerder had de rechtbank bij een tussenuitspraak op 2 april 2026 geoordeeld dat er een individueel reëel gevaar bestond voor schending van de grondrechten van de verdachte vanwege de detentieomstandigheden in Polen, en had de beslissing over de overlevering geschorst en aangehouden.

De Poolse autoriteiten verstrekten op 21 april 2026 aanvullende informatie over de detentieomstandigheden, waaronder de minimale tijd voor buitenlucht en de naleving van mensenrechten. De raadsman van de verdachte betwistte echter dat deze informatie voldoende was om het reële gevaar uit te sluiten, met name vanwege het ontbreken van duidelijkheid over de persoonlijke celruimte en de tijd buiten de cel.

De rechtbank concludeerde dat de aanvullende informatie onvoldoende was om het reële gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling uit te sluiten, mede omdat niet kon worden vastgesteld dat de verdachte minimaal 3 m2 persoonlijke leefruimte zou hebben. Gezien het verstreken redelijke termijn en het ontbreken van een wijziging in omstandigheden, wees de rechtbank het EAB af en verklaarde de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tot in behandeling neming van het EAB. Tevens werd de geschorste overleveringsdetentie opgeheven.

Uitkomst: De rechtbank wijst het Europees aanhoudingsbevel af wegens onmenselijke detentieomstandigheden en heft de overleveringsdetentie op.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-270733-25
Datum uitspraak: 12 mei 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 22 januari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in
behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 10 september 2025 door
the Regional Court in Poznań, Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1962,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

Zitting 19 maart 2026
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 19 maart 2026 in
aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen
en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. A.M.C.J. Baaijens, advocaat in Utrecht, en door een
tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen onder gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
Tussenuitspraak 2 april 2026 [3]
Bij tussenuitspraak van 2 april 2026 is geoordeeld dat sprake is van een individueel reëel gevaar voor de opgeëiste persoon van schending van zijn grondrechten vanwege de omstandigheden in de detentie-instelling in Polen waar hij, als de overlevering wordt toegestaan, terecht zal komen. Gelet op de mogelijkheid dat bij wijziging van de omstandigheden het reële individuele gevaar alsnog kan worden uitgesloten, heeft de rechtbank de beslissing over de overlevering aangehouden op grond van artikel 11, tweede lid, OLW en het onderzoek heropend en geschorst. Ingevolge artikel 11, vierde lid, OLW, heeft de rechtbank een redelijke termijn van dertig dagen gesteld om op de volgende zitting na te gaan of een wijziging van omstandigheden is opgetreden. De rechtbank heeft op grond van artikel 22, vierde lid, sub c, OLW de beslistermijn verlengd met zestig dagen, onder gelijktijdige verlenging van de geschorste overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
Zitting 12 mei 2026Op deze zitting heeft de rechtbank – met instemming van partijen – de behandeling van het EAB in gewijzigde samenstelling voortgezet in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. A.M.C.J. Baaijens, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft het onderzoek gesloten en direct uitspraak gedaan.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Tussenuitspraak van 2 april 2026

Bij deze tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld over de grondslag en inhoud van het EAB, de strafbaarheid van de feiten en over het recht op een eerlijk proces in het licht van artikel 11 OLW Pro in combinatie met artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de EU. Deze overwegingen moeten hier als herhaald en ingelast worden beschouwd.

4.Artikel 11 OLW Pro: Poolse detentieomstandigheden

Inleiding
De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overwegingen onder punt 5.2 van de tussenuitspraak van 2 april 2026. Die overwegingen moeten hier als herhaald en ingelast worden beschouwd.
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft op 21 april 2026 aanvullende informatie verstrekt:
"The Regional Court in Poznan, in response to the email dated 9 April 2026, hereby informs you that the Court is unable to specify the exact amount of time[de opgeëiste persoon]
would be able to spend outside his cell under normal circumstances, were he to make use of all the opportunities available to him to leave his cell.
The Regional Court also wishes to emphasise that the Republic of Poland is a member of the European Union which respects all human rights to which every individual is inalienably entitled. The enforcement of custodial sentences takes place with respect for the dignity of every human being, in accordance with their fundamental rights, without inhuman treatment, in accordance with the applicable provisions of national law and international standards. In addition to the above, the Court wishes to note that prisoners in Polish prisons are entitled to a minimum of one hour of outdoor exercise, even if the prisoner in question does not participate in any other form of activity offered within the prison. In practice, this time may be significantly extended to as much as 12 hours a day - provided the inmate behaves appropriately and functions well within the prison, and actively participates in the available activities.In view of the above explanations, the Regional Court in Poznan hopes that the information provided will dispel any doubts and enable a decision to be taken on the execution of the European Arrest Warrant and the surrender of the person sought for the purpose of conducting criminal proceedings against him."
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van een wijziging van omstandigheden, omdat uit de aanvullende informatie van 21 april 2026 niet blijkt hoeveel vierkante meter persoonlijke celruimte in een meerpersoonscel de opgeëiste persoon zal krijgen. Daarnaast bestaat nog steeds geen duidelijkheid over de tijd die de opgeëiste persoon buiten de cel kan doorbrengen. Onder verwijzing naar een Europese richtlijn heeft de raadsman er verder op gewezen dat voorlopige hechtenis altijd het laatste middel moet zijn, al helemaal gezien de kwetsbare gezondheidssituatie van de opgeëiste persoon. Er moet daarom geen gevolg worden gegeven aan het EAB.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of zich binnen de in voornoemde tussenuitspraak gestelde redelijke termijn een wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan op grond waarvan het algemeen reëel gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie ten aanzien van de opgeëiste persoon kan worden uitgesloten. De rechtbank is van oordeel dat de hierboven weergegeven door de Poolse autoriteiten verstrekte aanvullende informatie daartoe onvoldoende aanknopingspunten biedt. De rechtbank licht dat toe.
In de tussenuitspraak heeft de rechtbank overwogen dat uit de verstrekte informatie niet ondubbelzinnig blijkt dat de opgeëiste persoon 3 m2 persoonlijke leefruimte exclusief sanitair tot zijn beschikking zal hebben. In het antwoord van de Poolse autoriteiten van 21 april 2026 wordt ook geen informatie gegeven met betrekking tot het aantal vierkante meters persoonlijke celruimte. Hierdoor kan de rechtbank niet vaststellen dat de opgeëiste persoon ten minste 3 m2 persoonlijke leefruimte, exclusief sanitair, tot zijn beschikking zal hebben en dat als het minder dan 3 m2 zou zijn, dit slechts incidenteel, van korte duur en van ondergeschikte betekenis is.
Alleen al hierom is de rechtbank van oordeel dat de verstrekte aanvullende informatie niet heeft geleid tot een wijziging in de omstandigheden als bedoeld in artikel 11, tweede lid, OLW. Dit terwijl de gegeven redelijke termijn in de zin van artikel 11, vierde lid, OLW inmiddels is verstreken.
De rechtbank zal daarom geen gevolg geven aan het EAB gelet op het bepaalde in artikel 11, eerste lid, OLW en zal op grond van artikel 11, vierde lid, juncto artikel 28, derde lid, OLW de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB.

5.Slotsom

De rechtbank zal met toepassing van artikel 11, eerste lid, OLW geen gevolg geven aan het EAB.

6.Toepasselijke wetsartikelen

Artikel 11 OLW Pro.

7.Beslissing

GEEFTgeen gevolg aan het EAB.
VERKLAARTde officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB.
HEFT OPde – geschorste – overleveringsdetentie.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M. Scheeper, voorzitter,
mrs. E. van den Brink en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. M.J. Gauneau en E. Wisgerhof, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 12 mei 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 OLW Pro (OLW).
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.