Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:5343

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
29 mei 2026
Publicatiedatum
29 mei 2026
Zaaknummer
11631062 \ CV EXPL 25-5368
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling facturen en proceskostenveroordeling tussen handelspartijen

In deze civiele zaak vordert eiser betaling van diverse facturen die zij aan gedaagde heeft gestuurd voor geleverde producten. Gedaagde erkent dat er regelmatig zaken zijn gedaan, maar betwist de specifieke bestellingen die aan de facturen ten grondslag liggen, met name de bevoegdheid van contactpersonen en de ontvangst van producten.

Eiser heeft uitgebreide WhatsApp-correspondentie overgelegd waarin bestellingen worden bevestigd, gekoppeld aan facturen. De kantonrechter oordeelt dat deze correspondentie voldoende bewijs vormt voor de bestellingen die via WhatsApp zijn gedaan, maar niet voor bestellingen die via telefoongesprekken of spraakberichten zouden zijn geplaatst, omdat daarvoor geen tijdig bewijs is geleverd.

De kantonrechter wijst de vordering toe tot een bedrag van €14.087,37, verminderd met het bedrag van facturen zonder voldoende bewijs. Daarnaast worden wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten toegewezen, waarbij het incassokostenbedrag wordt gematigd tot het wettelijke maximum. Gedaagde wordt ook veroordeeld in de proceskosten. De veroordelingen worden uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €14.087,37 plus rente, incassokosten en proceskosten, met afwijzing van overige vorderingen.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11631062 \ CV EXPL 25-5368
Vonnis van 29 mei 2026
in de zaak van
de vennootschap onder firma
[eiser],
gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,
eiseres,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: [gemachtigde] ,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde] B.V. (H.O.D.N. [bedrijf] ),
gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,
gedaagde,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. J. Ruijs.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 12 september 2025 en de daarin genoemde stukken,
- het tussenvonnis van 6 maart 2026 en de daarin genoemde stukken,
- de akte van [eiser] , met producties,
- de antwoordakte van [gedaagde] .
1.2.
Daarna is bepaald dat vandaag een vonnis wordt uitgesproken.

2.De verdere beoordeling

2.1.
In deze zaak heeft de kantonrechter reeds twee tussenvonnissen gewezen op respectievelijk 12 september 2025 en 6 maart 2025.
2.2.
In het eerste tussenvonnis heeft de kantonrechter [eiser] opgedragen te bewijzen dat zij met [gedaagde] één of meer overeenkomsten heeft gesloten die strekte(n) tot de door haar aan [gedaagde] gefactureerde leveringen van producten. Daarop heeft [eiser] een akte genomen, waarop [gedaagde] bij antwoordakte heeft gereageerd.
2.3.
In het tweede tussenvonnis heeft de kantonrechter overwogen dat [eiser] niet
per factuurheeft toegelicht uit welke specifieke (WhatsApp-)correspondentie de door haar gestelde bestellingen van producten door [gedaagde] zijn voortgekomen, terwijl zij daar op grond van de zogeheten wegwijsplicht wel toe is gehouden. De kantonrechter heeft [eiser] hiertoe alsnog de kans gegeven en [gedaagde] de gelegenheid gegeven om daarop te reageren.
2.4.
[eiser] heeft daarop bij akte (opnieuw) een grote hoeveelheid WhatsApp-correspondentie overgelegd. Deze keer heeft [eiser] steeds achter de WhatsApp-correspondentie de factuur of facturen gevoegd die volgens haar daaruit zijn voortgekomen. Verder heeft [eiser] in haar akte toegelicht dat bepaalde door haar gestelde bestellingen van producten door [gedaagde] zijn voortgekomen uit telefoongesprekken of per WhatsApp gestuurde spraakberichten.
2.5.
[gedaagde] hier hierop bij antwoordakte – samengevat – als volgt gereageerd.
[eiser] heeft niet per factuur inzichtelijk gemaakt welke bestelling door haar daaraan ten grondslag ligt. Uit de door [eiser] overgelegde WhatsApp-correspondentie volgt niet, althans onvoldoende, welk product, welke hoeveelheid, welke prijs, welke leverdatum en welke factuur daarbij horen. De facturen zijn eenzijdig door [eiser] opgemaakte stukken uit haar eigen administratie. Een factuur bewijst op zichzelf niet dat daaraan een overeenkomst ten grondslag ligt. Evenmin bewijst een factuur dat de daarop vermelde producten daadwerkelijk door [gedaagde] besteld aan haar zijn geleverd of door haar zijn geaccepteerd. De facturen zijn niet voorzien van een handtekening, ontvangstbevestiging, pakbon, orderbevestiging of andere objectieve bevestiging van [gedaagde] . Uit de door [eiser] overgelegde WhatsApp-correspondentie volgt niet, althans onvoldoende, welk product, welke prijs, welke leverdatum en welke factuur daarbij horen.
Daarbij komt dat [eiser] niet duidelijk heeft gemaakt wie aan de zijde van [gedaagde] bestellingen zou hebben geplaatst en in welke hoedanigheid die person bevoegd zou zijn geweest om [gedaagde] te vertegenwoordigen. [eiser] heeft onvoldoende toegelicht wie de personen achter de contacten “ [contactnaam 1] ” en “ [contactnaam 2] ” zijn, of zij bevoegd waren [gedaagde] te vertegenwoordigen en waarom eventuele uitlatingen van deze personen aan [gedaagde] zouden moeten worden toegerekend. Voor de door [eiser] gestelde bestellingen die zijn gedaan via telefoongesprekken of per WhatsApp gestuurde spraakberichten, geldt dat [eiser] niet duidelijk heeft gemaakt wie daarbij betrokken zijn geweest en wat daarin is besproken. Dit alles brengt mee dat [gedaagde] de onderhavige facturen van [eiser] niet hoeft te betalen. Aldus steeds [gedaagde] .
2.6.
De kantonrechter overweegt als volgt.
2.7.
Voorop staat dat tussen partijen niet ter discussie staat dat zij regelmatig zaken met elkaar hebben gedaan, in de zin dat [gedaagde] bestellingen voor de levering van producten bij [eiser] heeft geplaatst. [gedaagde] betwist dat zij de bestellingen heeft geplaatst die op de facturen staan waarvan [eiser] in deze procedure betaling vordert.
2.8.
[gedaagde] betwist opnieuw dat de personen achter de contacten “ [contactnaam 1] ” en “ [contactnaam 2] ” haar konden vertegenwoordigen. [gedaagde] heeft ook opnieuw naar voren gebracht dat zij niet de schijn bij [eiser] hebben gewekt dat zij bevoegd waren haar te vertegenwoordigen. De kantonrechter roept in herinnering dat in het tussenvonnis van 6 maart 2026 reeds is overwogen dat tussen [eiser] en (de zoon van de enig bestuurder en aandeelhouder van) [gedaagde] is gecorrespondeerd over de openstaande facturen en de betaling hiervan. De kantonrechter heeft in voornoemd tussenvonnis verder overwogen dat – omdat verder niet in geschil is dat betstellingen door [gedaagde] steeds telefonisch werden gedaan – het op de weg van [gedaagde] had gelegen om in het kader van haar betwisting aan te voeren met welk telefoonnummer dan
welmet [eiser] werd gecommuniceerd. Dat had [gedaagde] toen niet gedaan en dat heeft zij nu ook niet gedaan. De kantonrechter ziet dan ook geen reden om terug te komen van de hiervoor geschetste overwegingen in het tussenvonnis van 6 maart 2026.
2.9.
Bij deze stand van zaken gaat de kantonrechter dan ook van uit dat de door [eiser] overgelegde WhatsApp-correspondentie ziet op bestellingen die zijn geplaatst door of namens [gedaagde] .
2.10.
Uit het overgrote deel van de bij haar laatste akte door [eiser] overgelegde WhatsApp-correspondentie blijkt dat zij aan [gedaagde] heeft gevraagd of zij “morgen nog wat nodig had”, waarop [gedaagde] vervolgens met uitgetypte berichten reageerde. In die reacties schreef [gedaagde] welke producten zij wilde en in welke hoeveelheden. De achter die berichten gevoegde facturen, zijn steeds van één dag later en de daarop vermelde producten en hoeveelheden komen overeen met de producten en hoeveelheden die in de berichten staan. De kantonrechter oordeelt dat [eiser] daarmee – anders dan [gedaagde] meent – voldoende heeft aangetoond dat [gedaagde] de op die facturen vermelde producten bij haar heeft besteld. De kantonrechter gaat daarbij voorbij aan de stelling van [gedaagde] dat deze producten niet daadwerkelijk zijn geleverd. Zij heeft eerst weersproken dat partijen zaken met elkaar deden, dit vervolgens op zitting erkend maar ten aanzien van de betreffende facturen weersproken en stelt zich in haar laatste akte op het standpunt dat de producten dan niet ontvangen zouden zijn. Gelet op de onderbouwing die [eiser] aan haar vordering heeft gegeven had het op de weg van [gedaagde] gelegen om deze kale stelling reeds nader te motiveren en bijvoorbeeld te laten zien dat zij daar destijds, na de plaatsing van de bestelling, contact over heeft opgenomen met [eiser] . Dit alles maakt dat de op deze facturen vermelde bedragen dan ook toewijsbaar zijn.
2.11.
Voor de facturen die volgens [eiser] zijn voortgekomen uit bestellingen die [gedaagde] per telefoongesprek of spraakbericht bij haar heeft gedaan, geldt dat [gedaagde] betwist dat zij die bestellingen heeft gedaan. Het was aan van [eiser] om haar stellingen in dit verband nader te onderbouwen, door bijvoorbeeld geluidsopnamen of transcripten van die telefoongesprekken en spraakberichten over te leggen, maar dat heeft zij niet gedaan. [eiser] heeft weliswaar aangeboden om nog geluidsopnamen over te leggen waarop volgens haar te horen is dat [gedaagde] bestellingen bij haar doet, maar daarmee is zij te laat. [eiser] had namelijk reeds bij dagvaarding al de bewijsstukken moeten overleggen die van belang zijn voor de beoordeling van deze zaak. Daarna heeft de kantonrechter [eiser] nog tweemaal in de gelegenheid gesteld haar stellingen nader te onderbouwen, waarbij [eiser] ook in de gelegenheid was de door haar bedoelde geluidsopnamen te overleggen. Omdat [eiser] hiermee ruimschoots in de gelegenheid is geweest de door haar bedoelde geluidsopnamen over te leggen, ziet de kantonrechter geen reden om haar die gelegenheid nu – in deze fase van de procedure – alsnog te geven. Dit brengt mee dat de bedragen op de facturen die volgens [eiser] zijn voortgekomen uit bestellingen die [gedaagde] per telefoongesprek of spraakbericht heeft gedaan, niet toewijsbaar zijn. Dit betekent concreet dat een totaalbedrag van € 5.398,77 moet worden afgetrokken van de gevorderde hoofdsom. Dit totaalbedrag ziet op de volgende facturen en is als volgt opgebouwd:
Factuurnummer
Factuurdatum
Factuurbedrag
[factuurnummer 1]
10-08-2021
€ 442,54
[factuurnummer 2]
17-08-2021
€ 414,20
[factuurnummer 3]
24-08-2021
€ 343,35
[factuurnummer 4]
27-08-2021
€ 385,86
[factuurnummer 5]
05-10-2021
€ 343,35
[factuurnummer 6]
19-10-2021
€ 343,35
[factuurnummer 7]
22-10-2021
€ 343,35
[factuurnummer 8]
26-10-2021
€ 343,35
[factuurnummer 9]
01-02-2022
€ 511,21
[factuurnummer 10]
08-02-2022
€ 83,93
[factuurnummer 11]
29-03-2022
€ 389,13
[factuurnummer 12]
15-04-2022
€ 381,50
[factuurnummer 13]
22-04-2022
€ 490,50
[factuurnummer 14]
30-08-2022
€ 583,15
Totaal
€ 5.398,77
2.12.
Al het voorgaande brengt mee dat de door [eiser] gevorderde hoofdsom tot een bedrag van € 14.087,37 (€ 19.486,14 – € 5.398,77) wordt toegewezen.
2.13.
De daarover gevorderde wettelijke rente vanaf wordt als onbestreden toegewezen zoals hierna in de beslissing is vermeld.
De buitengerechtelijke incassokosten
2.14.
[eiser] vordert vergoeding van € 967,74 aan buitengerechtelijke incassokosten. Deze vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 Burgerlijk Pro Wetboek (BW) en het Besluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [eiser] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is hoger dan het in het Besluit bepaalde tarief. De kantonrechter zal het bedrag dan ook toewijzen tot het wettelijke tarief. Dit betekent concreet dat een bedrag van € 915,87 aan buitengerechtelijke incassokosten wordt toegewezen.
2.15.
De over de buitengerechtelijke incassokosten gevorderde wettelijke rente wordt als onbestreden toegewezen zoals hierna in de beslissing is vermeld.
De proceskosten
2.16.
[gedaagde] krijgt grotendeels ongelijk en moet daarom de proceskosten van [eiser] betalen. De proceskosten worden begroot op:
- dagvaardingskosten: € 122,35
- griffierecht: € 1.461,00
- salaris advocaat: € 1.218,00 (3,0 punten x tarief: € 406,00)
- nakosten:
€ 144,00
- totaal: € 2.945,35
Uitvoerbaarheid bij voorraad
2.17.
De veroordelingen worden uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dit betekent dat de veroordelingen ook moeten worden uitgevoerd als tegen dit vonnis hoger beroep wordt ingesteld en zolang daarop niet anders is beslist.

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van € 14.087,37, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Pro Wetboek vanaf 12 februari 2025 tot aan de dag van algehele voldoening,
3.2.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van € 915,87 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Pro Wetboek vanaf 12 februari 2025 tot aan de dag van algehele voldoening,
3.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] begroot op € 2.945,35, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [gedaagde] ook de kosten van betekening betalen,
3.4.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,
3.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.P.F. de Groot, kantonrechter, bijgestaan door mr. L.J.P.C. Silven, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 29 mei 2026.