Eiser was werkzaam bij Evean op basis van een leerwerkovereenkomst die op 1 september 2024 werd beëindigd vanwege twee onvoldoende beoordelingen. Eiser vorderde schadevergoeding wegens onrechtmatige daad en een billijke vergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag.
Evean voerde verweer dat eiser niet tijdig een verzoekschrift had ingediend, wat vereist is binnen het gesloten ontslagstelsel. De kantonrechter oordeelde dat eiser binnen twee maanden na het ontslag een verzoekschrift had moeten starten en daarbij om een billijke vergoeding had kunnen verzoeken. Dit is niet gebeurd, waardoor het recht om dit alsnog te doen is vervallen.
De kantonrechter verklaarde eiser niet-ontvankelijk in haar vorderingen en veroordeelde haar tot betaling van de proceskosten. De procedure werd mondeling behandeld op 11 mei 2026 in de rechtbank Amsterdam.