Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:5304

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
29 mei 2026
Publicatiedatum
28 mei 2026
Zaaknummer
AMS 25/1229
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:32b AwbArt. 8:72, vierde lid, AwbAlgemene Plaatselijke Verordening 2008
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond tegen last onder dwangsom voor onrechtmatig plaatsen plantenbakken

Eisers hebben beroep ingesteld tegen een last onder dwangsom die door het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam is opgelegd wegens het onrechtmatig plaatsen van meer dan twee plantenbakken in de openbare ruimte. De overtreding wordt niet betwist, maar eisers voeren aan dat de last onduidelijk is en dat de dwangsom onrechtmatig is opgelegd.

De rechtbank oordeelt dat eisers als overtreder kunnen worden aangemerkt en dat de overtreding een continue overtreding betreft. De last onder dwangsom is voldoende concreet geformuleerd, maar de wijze van oplegging van de dwangsom per overtreding is in strijd met artikel 5:32b, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, omdat bij een continue overtreding een dwangsom per overtreding niet is toegestaan.

Verder is het bestreden besluit niet in strijd met het evenredigheids- en gelijkheidsbeginsel. De rechtbank vernietigt het besluit en draagt het bestuursorgaan op een nieuw besluit te nemen binnen zes weken. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eisers.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit wordt vernietigd vanwege strijd met de Awb, met opdracht tot nieuw besluit binnen zes weken.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
Zaaknummer: AMS 25/1229

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 mei 2026 in de zaak tussen

[eisers], uit [woonplaats], eisers

(gemachtigde: mr. M. Woestenenk),
en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde]).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-belanghebbende] uit Amsterdam (derde-belanghebbende).

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak gaat over een last onder dwangsom vanwege het onrechtmatig plaatsen van een aantal plantenbakken in de openbare ruimte. Eisers zijn het niet eens met de last onder dwangsom. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of verweerder een last onder dwangsom heeft kunnen opleggen op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008 (APV).
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.1.
Met het besluit van 19 juli 2024 heeft verweerder aan eisers een last onder dwangsom opgelegd voor het onrechtmatig plaatsen van plantenbakken aan het [adres]. Verweerder heeft het bezwaarschrift tegen de last onder dwangsom met het bestreden besluit van 10 januari 2025 deels gegrond verklaard vanwege het ontbreken van een begunstigingstermijn, maar de last onder dwangsom voor het overige in stand gelaten.
2.2.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De tenuitvoerlegging van de last onder dwangsom is opgeschort. Er heeft vervolgens een gesprek plaatsgevonden met een bestuurder van stadsdeel Centrum en er is mediation toegepast. Dit heeft niet geleid tot een oplossing van het geschil. Op 21 maart 2025 hebben eisers beroepsgronden ingediend waarna verweerder op het beroep heeft gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 17 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers, de gemachtigde van verweerder en de derde-belanghebbende.
Beoordeling door de rechtbank
Overtreding
3. Dat sprake is van een overtreding wordt door eisers niet betwist. Het is tussen partijen niet in geschil dat er meer plantenbakken in de openbare ruimte zijn geplaatst dan het toegestane maximum aantal van twee en dat de meeste plantenbakken niet dichtbij de eigen gevel staan. Voor zover eisers stellen dat een onjuist wettelijk kader is gehanteerd, aangezien sinds 6 november 2024 de nieuwe Nadere regels plantenbakken stadsdeel Centrum Amsterdam (de Nadere regels) gelden en niet de regels waaraan de omschreven feiten zijn getoetst, overweegt de rechtbank dat bij herstelsancties getoetst wordt aan de regelgeving die gold op het moment van het opleggen van de sanctie. Dit is alleen anders als de nieuwere regelgeving voor eisers gunstiger zou zijn en er geen sprake meer zou zijn van een overtreding. In dit geval bestaat er geen twijfel over dat onder de nieuwe Nadere regels ook sprake is van een overtreding. Beide regels houden namelijk onder meer in dat er maximaal twee plantenbakken mogen worden geplaatst, zo dicht mogelijk bij de gevel van de woning, in goede staat van onderhoud en dat deze niet mogen leiden tot overlast of belemmeringen. Aan welke regelgeving is getoetst, maakt in dit geval voor eisers dus niet uit.
Overtrederschap
4. Eisers stellen zich op het standpunt dat zij niet de enige overtreders zijn en dat het daarom onterecht is dat de last onder dwangsom aan hen in opgelegd. De rechtbank overweegt dat met dit standpunt niet ter discussie staat dat eisers (ook) overtreders zijn. Daarnaast hebben eisers in de inleiding van de nadere beroepsgronden aangegeven dat zij sinds 2001 hebben gemeend de gracht op te fleuren met diverse groene planten in potten. Ook wordt in de beroepsgronden aangegeven dat eisers in 2023 afspraken hebben gemaakt met de toenmalige eigenaar van de woning op de begane grond over tijdig onderhoud en dat eisers dit onderhoud ook hebben gepleegd aan de plantenbakken. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat eisers kunnen worden aangemerkt als overtreder. Dat er mogelijk ook andere buren plantenbakken hebben geplaatst doet niet af aan het overtrederschap van eisers.
Last onder dwangsom
5.1.
Eisers voeren aan dat de formulering van de last onder dwangsom op meerdere punten in strijd is met de wettelijke vereisten. Zo dient een lastgeving duidelijk te zijn en dus slechts op één manier te kunnen worden geïnterpreteerd, met het doel dat het voor de overtreder duidelijk moet zijn wat er precies niet goed is en hoe de situatie hersteld kan worden. In deze situatie is volgens eisers echter niet duidelijk hoe de situatie precies hersteld kan worden omdat er sprake is van een algemene constatering en de last eruit bestaat dat eisers zich aan de regelgeving moeten houden. Dit is onvoldoende concreet. Verder is volgens eisers onvoorspelbaar, wanneer sprake is van de eerste, de tweede en/of de derde overtreding en dus ook wanneer verbeuring te verwachten is. Ook het maximum te verbeuren bedrag ontbreekt ten onrechte.
5.2.
De rechtbank overweegt dat het rechtszekerheidsbeginsel vereist dat een last zodanig duidelijk en concreet geformuleerd dient te worden dat degene toe wie de last is gericht niet in het duister hoeft te tasten over hetgeen gedaan of nagelaten moet worden om de overtreding te beëindigen. [1] Voor zover eisers hebben bedoeld aan te voeren dat de last onder dwangsom niet duidelijk genoeg is zodat dit strijd oplevert met het rechtzekerheidsbeginsel, is de rechtbank van oordeel dat de last voldoende duidelijk is. In de last staat expliciet dat eisers zich dienen te houden aan de voorwaarden voor het plaatsen van plantenbakken zoals genoemd in de Nadere regels. Daarbij staat ook duidelijk in de last dat de overtreding bestaat uit het plaatsen van meer dan twee plantenbakken en dat deze niet op minstens twee meter afstand van de boom zijn geplaatst. Hieruit blijkt redelijkerwijs voldoende duidelijk wat van eisers werd verwacht om de overtreding ongedaan te maken.
5.3.
De rechtbank is wel met eiser van oordeel dat de door verweerder gehanteerde modaliteit van de last onder dwangsom in strijd is met artikel 5:32b, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In dit artikel is bepaald dat het bestuursorgaan de dwangsom vaststelt hetzij op een bedrag ineens, hetzij op een bedrag per tijdseenheid waarin de last niet is uitgevoerd, dan wel per overtreding van de last. In geval van een continue overtreding is een bedrag per overtreding niet mogelijk, wel een bedrag per tijdseenheid (dag, week, maand) dat de overtreding voortduurt. De rechtbank stelt vast dat in dit geval sprake is van een zogenoemde continue overtreding omdat het laten staan van de plantenbakken een voortdurende situatie is. Dat betekent dat de dwangsom niet voor een bedrag per overtreding kan worden opgelegd. In dit geval heeft verweerder de dwangsom wel opgelegd per overtreding waardoor sprake is van strijd met de wet. Deze beroepsgrond slaagt.
Evenredigheid
6.1.
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling zal het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang op te treden, gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd dit niet te doen, bijvoorbeeld wanneer handhavend optreden zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie moet worden afgezien. [2] Dit wordt de beginselplicht tot handhaving genoemd.
6.2.
Naar het oordeel van de rechtbank is het bestreden besluit in het geval van eisers niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Verweerder heeft in het bestreden besluit toegelicht dat in deze situatie de vele plantenbakken onder meer het zicht voor omwonenden, de doorgang voor voetgangers, het plaatsen van fietsen bij de woonboot en de toeging tot de woonboot, met name voor hulpdiensten, belemmeren. Ook wordt door het plaatsen van de plantenbakken in de boomspiegel de boom belemmerd in een gezonde groei omdat deze minder toevoer van zuurstof en water krijgt. Eiseres hebben geen bijzondere, persoonlijke omstandigheden aangevoerd die maken dat het belang van eisers, dat zij gehecht zijn aan de planten, zwaarder zou moeten wegen dan het belang van verweerder bij handhaving, namelijk een schone toegankelijke openbare ruimte en het tegengaan van overlast. Dat er jarenlang niet zou zijn gehandhaafd, is geen bijzondere omstandigheid op grond waarvan in dit geval zou moeten worden afgezien van handhavend optreden.
Gelijkheidsbeginsel
7. Voor zover eisers stellen dat sprake is van een schending van het gelijkheidsbeginsel omdat verweerder selectief handhaaft en tegen andere schendingen van de regelgeving voor plantenbakken niet handhavend optreedt, overweegt de rechtbank als volgt. In het verweerschrift en op de zitting heeft verweerder toegelicht dat verweerder heeft besloten om een last onder dwangsom op te leggen na ontvangst van een handhavingsverzoek van de derde-belanghebbende, tevens omwonende. Ten aanzien van handhaving van de regelgeving geldt een prioriteringsbeleid. Vanwege de beperkte
capaciteit van de afdeling Toezicht en Handhaving Openbare Ruimte wordt in beginsel pas handhavend opgetreden als er sprake is van een excessieve schending van deze regels. Een dergelijk exces wordt vastgesteld door het Dagelijks Bestuur van stadsdeel Centrum. Daarbij zijn omstandigheden zoals een hinderlijke of onveilige situatie en een belemmering van de toegankelijkheid van de openbare ruimte zodanig zwaarwegend dat zij handhavend optreden kunnen rechtvaardigen. Na afweging van alle belangen heeft het stadsdeel opdracht gegeven om door middel van een last onder dwangsom handhavend op te treden tegen eisers. Dit betreft dus geen willekeur of een schending van het gelijkheidsbeginsel, maar heeft betrekking op de praktische onuitvoerbaarheid om tegen alle overtredingen op te treden en is een uitvloeisel van het prioriteringsbeleid. De rechtbank kan verweerder in dit standpunt volgen en is van oordeel dat geen sprake is van selectief of ongelijk handhavend optreden door verweerder.

Conclusie en gevolgen

8.1.
Het beroep is gegrond omdat de door verweerder gehanteerde formulering van de last onder dwangsom in strijd is met artikel 5:32b, eerste lid, van de Awb. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor zes weken.
8.2.
Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eisers vergoeden en krijgen eisers ook een vergoeding van hun proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eisers een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 194,- aan eisers moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. van Haeften, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.C.M. Schilder, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit volgt bijvoorbeeld uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 29 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2859.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 22 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2896.