ECLI:NL:RBAMS:2026:53

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
9 januari 2026
Publicatiedatum
9 januari 2026
Zaaknummer
AMS 25/7270
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet maatschappelijke opvang 2015
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening maatschappelijke opvang ondanks beperkte zelfredzaamheid

Verzoeker, die na een echtscheiding zeven jaar dakloos is, verbleef in een locatie van HVO Querido en diende een aanvraag in voor maatschappelijke opvang. Verweerder wees deze aanvraag af op basis van een GGD-onderzoek dat beperkte ondersteuningsvragen vaststelde, waarbij de ondersteuning vanuit het buurtteam als voldoende werd beoordeeld.

Verzoeker maakte bezwaar en vroeg om een voorlopige voorziening, waarbij hij stelde dat hij niet zelfredzaam is en dat de belangen van zijn kinderen onvoldoende zijn meegewogen. De voorzieningenrechter oordeelde dat het GGD-onderzoek betrouwbaar is en dat de door verzoeker aangevoerde trauma’s en cognitieve beperkingen onvoldoende onderbouwd zijn.

Hoewel de belangen van de kinderen in het bestreden besluit summier zijn betrokken, achtte de voorzieningenrechter dit voorlopig voldoende. De belangenafweging viel niet in het voordeel van verzoeker uit, mede omdat onvoldoende is aangetoond dat verblijf in alternatieve opvang onmogelijk is.

De voorzieningenrechter wees het verzoek om een voorlopige voorziening af en zag geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskosten. De uitspraak is bindend en er is geen hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening voor maatschappelijke opvang wordt afgewezen omdat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft en de belangenafweging niet in het voordeel van verzoeker uitvalt.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/7270

uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 januari 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. E.C. Weijsenfeld),
en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Ben-Massoud).

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de aanvraag van verzoeker voor Maatschappelijke opvang. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan.
1.2.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop en totstandkoming van het besluit

2.1.
Verzoeker is na een echtscheiding zeven jaar geleden dakloos geworden. Zijn ex-vrouw en drie kinderen zijn in de echtelijke woning gebleven. Verzoeker heeft ieder weekend omgang met de kinderen, inclusief overnachtingen en voert zorgtaken uit. Verzoeker heeft het afgelopen jaar in het [locatie] van HVO Querido verbleven. Aan hem is op 30 oktober 2025 kenbaar gemaakt dat hij het [locatie] – na meerdere verlengingen – uiterlijk 30 november 2025 dient te verlaten. Een verdere verlenging is volgens HVO niet mogelijk, omdat verzoeker niet heeft laten zien dat hij actief en realistisch probeert een woning binnen of buiten Amsterdam te vinden.
2.2.
Verzoeker heeft bij verweerder een aanvraag gedaan voor Maatschappelijke Opvang op grond van de Wet maatschappelijke opvang 2015. In het kader van het voortduren van de opvang tijdens het onderzoek naar zijn zelfredzaamheid is op 8 december 2025 [1] door de voorzieningenrechter bepaald dat het verblijf van verzoeker in het [locatie] van HVO Querido wordt verlengd tot één week nadat een besluit is genomen op de aanvraag voor Maatschappelijke Opvang.
2.3.
Met het bestreden besluit van 15 december 2025 heeft verweerder de aanvraag van verzoeker voor Maatschappelijke Opvang afgewezen. In het bestreden besluit wordt overwogen dat uit het onderzoek van de GGD blijkt dat verzoeker enkele ondersteuningsvragen heeft op het gebied van administratie en het vinden en behouden van een stabiele huisvesting. Volgens verweerder lijkt de ondersteuning die verzoeker krijgt vanuit het buurtteam voldoende te zijn.
2.4.
Verzoeker heeft op 19 december 2025 bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit en verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Tevens is verzocht een ordemaatregel te treffen omdat verzoeker per 22 december 2025 het [locatie] van HVO Querido zou moeten verlaten.
2.5.
De voorzieningenrechter heeft op 22 december 2025 bij wijze van ordemaatregel bepaald dat verweerder er zorg voor draagt dat de opvang van verzoeker in het [locatie] van HVO Querido wordt verlengd tot en met 30 december 2025. Op
31 december 2025 heeft verzoeker het [locatie] gedwongen moeten verlaten waarna hij een nacht op straat heeft doorgebracht, vervolgens een nacht in een hotel heeft kunnen betalen en daarna bij kennissen is verbleven.
2.6.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek om een voorlopige voorziening op
7 januari 2026 met instemming van partijen wegen bijzondere weersomstandigheden op een digitale zitting via Teams behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker, M. Saleh als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om een voorlopige voorziening te treffen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoeker.
4. Verzoeker voert aan dat hij al zeven jaar dakloos is en het buurtteam dit niet heeft
kunnen verhelpen. Verzoeker is beperkt zelfredzaam en dit is door de uitzichtloze situatie erger geworden. Hij is terneergeslagen en heeft psychische klachten. Het lukt verzoeker niet om er zelf uit te komen. Hij kan niet zelf zijn "zorgvragen" overzien en hiertoe de nodige acties in gang zetten. Verzoeker weet niet wat hij moet doen en heeft iemand nodig die hem bij de hand neemt en de regie houdt. Dit wordt ook bevestigd in de berichten van
2 december 2025 en 6 januari 2026 van [persoon] , sociaal juridisch cliëntondersteuner, die verbonden is aan de Straatalliantie en verzoeker al langer kent. In het bericht van 2 december 2025 noemt de Straatalliantie de kwetsbare situatie van verzoeker, zijn beperkte zelfredzaamheid en de cruciale rol die hij vervult in de zorg voor zijn kinderen. Verder blijkt uit het bericht van de Straatalliantie van 6 januari 2026 dat wordt getwijfeld of alles wat besproken wordt met verzoeker ook echt goed aankomt bij hem. Verzoeker heeft een afwachtende houding en wacht tot een ander in actie komt. Hierdoor komt actie vaak te laat en loopt hij achter de feiten aan.
5. De voorzieningenrechter volgt verzoeker niet in zijn standpunt dat uit het feit dat het hem zeven jaar lang niet is gelukt om een woning te vinden, blijkt dat hij niet zelfredzaam is. Dit acht de voorzieningenrechter te kort door de bocht. Het is namelijk onduidelijk in hoeverre wachtlijsten, wachtpunten en zoekpunten een rol hebben gespeeld bij het niet kunnen vinden van een woning.
6. Voor wat betreft de zelfredzaamheid van verzoeker is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder mocht afgaan op het onderzoek door de GGD. De GGD mocht veel gewicht toekennen aan wat verzoeker zelf heeft verklaard over zijn hulpvragen. Namens verzoeker is aangevoerd dat er sprake is van trauma’s en dat er vraagtekens zijn bij de cognitieve vermogens van verzoeker (al dan niet als gevolg van trauma’s en de stress als gevolg van de onzekerheid met betrekking tot huisvesting). Verwezen wordt onder meer naar e-mails van de Straatalliantie . Naar het oordeel van de voorzieningenrechter leggen de e-mails van de Straatalliantie onvoldoende gewicht in de schaal om te twijfelen aan de juistheid van het GGD onderzoek. Daarbij is van belang dat deze zijn opgesteld door een juridisch ondersteuner en niet door een medisch deskundige of een gedragskundige, zodat dit onvoldoende onderbouwing is voor de stelling dat sprake is van trauma’s dan wel een beperking in de cognitieve vermogens. Hoewel de Straatalliantie twijfels uit over de zelfredzaamheid van verzoeker, had verweerder daarin dus geen aanleiding hoeven te zien om de GGD te vragen een IQ-test af te nemen of een psycholoog in te schakelen. Ook de verwijzing van de huisarts naar de Praktijkondersteuner om “de situatie verder in kaart te brengen” is onvoldoende.
7.Verzoeker heeft verder nog aangevoerd dat verweerder geen rekening heeft gehouden met de belangen van de kinderen. De voorzieningenrechter stelt vast dat in het bestreden besluit inderdaad de belangen van de kinderen niet kenbaar zijn betrokken. Op de zitting heeft verweerder in aanvulling op het besluit aangevoerd dat de kinderen bij hun moeder verblijven en dus een dak boven hun hoofd hebben. Bovendien heeft verzoeker ter zitting aangevoerd dat hij zijn kinderen soms bij kennissen kan ontvangen, zodat – hoewel niet ideaal – dit belang op dit moment voldoende geborgd lijkt. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder de belangen van de kinderen summier, maar voor dit moment voldoende in de besluitvorming betrokken. In de bezwaarfase zal verweerder echter uitvoeriger aandacht moeten besteden aan het belang van de kinderen dat is gelegen in hoe de omgang met verzoeker op de langere termijn kan worden voortgezet indien zijn Wmo aanvraag niet wordt toegewezen. Dit is naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter op dit moment echter onvoldoende om te oordelen dat het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft.
8. Ook de belangenafweging valt niet uit in het voordeel van verzoeker. Verzoeker stelt dat hij niet in de Winterkoudeopvang of het Inloophuis kan verblijven omdat het voor hem wegens psychische problemen niet mogelijk is om in een groepsruimte te overnachten. Hoewel de voorzieningenrechter begrijpt dat het niet ideaal is om in een groepsruimte te slapen is onvoldoende onderbouwd dat dit voor verzoeker niet mogelijk is.
9. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening daarom af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Dolfing, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.C.M. Schilder, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2025.
De voorzieningenrechter is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.In zaak AMS 25/6554.