Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:5276

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
28 mei 2026
Zaaknummer
AMS 26/2541
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbWet maatschappelijke ondersteuning 2015
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening voor opvang gezin met medische noodzaak ondanks regiobindingseis

Verzoeker, een man met nierziekte die fulltime werkt in een hotel in Amsterdam, heeft een aanvraag gedaan voor kortdurende (nood)opvang in Amsterdam. Deze aanvraag werd afgewezen vanwege het niet voldoen aan de regiobindingseis, die vereist dat elk gezinslid minimaal vier jaar in Amsterdam moet wonen. Verzoeker en zijn gezin verblijven momenteel in een hotel waar de kosten hoog zijn en die hij deels met schulden financiert.

De voorzieningenrechter oordeelt dat er sprake is van een spoedeisend belang vanwege de medische situatie van verzoeker, die twee keer per week gedialyseerd wordt en onvoldoende rust krijgt door zijn werk. Hoewel het college terecht de regiobindingseis toepast, weegt het belang van verzoeker en zijn gezin om tijdelijk opgevangen te worden zwaarder dan het belang van het college bij strikte naleving van de regels.

De rechter beveelt dat het college 50% van de hotelkosten draagt zolang het verblijf wordt verlengd, of anders een andere geschikte opvangplek regelt. Deze voorziening geldt tot zes weken na het besluit op de aanvraag voor maatschappelijke opvang. Daarnaast moet het college het griffierecht en proceskosten vergoeden aan verzoeker.

Uitkomst: Het college wordt opgedragen 50% van de hotelkosten te dragen of een alternatieve opvang te regelen tot zes weken na het besluit op maatschappelijke opvang.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 26/2541

uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 mei 2026 in de zaak tussen

[verzoeker], uit [woonplaats], verzoeker

(gemachtigde: mr. Y. Spijker),
en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder

(gemachtigden: [gemachtigde] en mr. H. Kras).

Procesverloop

1.1.
Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor toelating tot de kortdurende (nood)opvang in Amsterdam.
1.2.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 19 maart 2026 afgewezen.
1.3.
Verzoeker heeft hiertegen op 16 april 2026 bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter op 30 april 2026 gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.4.
Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
1.5.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 21 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, B. Hitchcock als tolk in de Engelse taal, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigden van verweerder.

Totstandkoming

2.1.
Verzoeker en zijn vrouw zijn afkomstig uit Bangladesh en zijn op enig moment in Portugal gaan wonen. Daar is hun zoontje geboren, dat inmiddels drie jaar oud is en de Portugese nationaliteit heeft. In juli 2025 is het gezin naar Nederland gekomen en heeft het tijdelijk ingewoond bij een kennis aan de [adres]. Op dat adres staat het gezin ook sinds 1 november 2025 ingeschreven in de Brp [1] . Omdat het gezin daar niet meer kon verblijven is het gaan inwonen in het [hotel] in [vestigingsplaats 1], waar verzoeker ondanks zijn nierziekte, werkt als receptiemedewerker. De kosten voor dit verblijf van € 1.800,- worden ingehouden op het salaris van € 2.200,- dat verzoeker verdient. Dit verblijf loopt thans door tot 28 mei 2026, kan mogelijk worden verlengd maar niet tegen minder hoge kosten. Verzoeker wordt ondertussen twee keer per week gedialyseerd in het [ziekenhuis] te [vestigingsplaats 2].
2.2.
Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor hemzelf en zijn gezin voor toelating tot de kortdurende (nood)opvang in Amsterdam. Een eventuele verlenging van het verblijf in het hotel is geen permanente oplossing. Verzoeker moet namelijk fulltime werken om de verblijfskosten te kunnen betalen, hetgeen medisch eigenlijk niet verantwoord is, zoals ook vermeld staat in de brief van de medisch maatschappelijk werker Hoogland van april 2026. Bovendien maakt hij ook maandelijks schulden bij een vriend. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat niet wordt voldaan aan de regiobindingseis die inhoudt dat ieder lid van het gezin minstens vier jaar in Amsterdam moet wonen.
2.3.
Verzoeker heeft daarnaast op 14 april 2026 een aanvraag gedaan voor Maatschappelijke Opvang op grond van de Wmo [2] . In dat kader wordt door verweerder onderzoek gedaan naar de zelfredzaamheid van verzoeker en het gezin.
2.4.
Verzoeker vraagt om een voorlopige voorziening om in ieder geval tot zes weken na het besluit op de aanvraag voor Maatschappelijke Opvang te worden opgevangen door verweerder.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3.1.
Op grond van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Het oordeel van de voorzieningenrechter bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
3.2.
Verzoeker moet fulltime werken in het hotel en schulden maken om zijn verblijf voor hem en zijn gezin daar te kunnen voortzetten. Uit het hierboven in 2.2 al genoemde bericht van de medisch maatschappelijk werker volgt dat bij verzoeker sprake is van nierinsufficiëntie. Hij wordt twee keer per week vier uur gedialyseerd. Dit is een hele zware en intensieve behandeling waarna rust noodzakelijk is. Aan die rust komt verzoeker door zijn full time baan niet toe. Vijf dagen per week werken heeft bovendien volgens de medisch maatschappelijk werker een negatieve invloed op zijn dialysebehandeling en gezondheid. Op de zitting is daarnaast besproken dat de echtgenote mogelijk nierdonor kan zijn en dat er op dit moment onderzoek loopt naar de mogelijkheid van een niertransplantatie. Als dit onderzoek uitwijst dat niertransplantatie mogelijk is zal een zware operatie volgen. Verzoeker heeft daarom belang bij een spoedige oplossing voor deze woonsituatie. Spoedeisend belang is gelet hierop aanwezig.
3.3.
Verweerder heeft terecht vastgesteld dat verzoeker en zijn gezin niet voldoen aan de bindingseis omdat zij niet direct voorafgaand aan de aanvraag vier jaar woonachtig zijn geweest in Amsterdam met een inschrijving in de Brp. In die zin is het besluit in overeenstemming met het beleid van het college. De voorzieningenrechter onthoudt zich, in het kader van deze spoedprocedure, expliciet van een voorlopige rechtmatigheidsbeoordeling over de vraag of dit beleid van het college op zichzelf rechtmatig is en in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel.
3.4.
De voorzieningenrechter constateert dat verweerder ook in deze spoedprocedure niet geneigd is om opvang voor verzoeker en zijn gezin te organiseren, omdat er nauwelijks sprake is van binding met Amsterdam. De voorzieningenrechter heeft enerzijds begrip voor deze terughoudende opstelling van verweerder, gelet op de overvolle noodopvang en lange wachtlijsten. Anderzijds is het zo dat verweerder de aanvraag voor Maatschappelijke Opvang nog verder zal moeten beoordelen. Op 11 juni a.s. vindt er een intake plaats bij de GGD in het kader van het onderzoek naar de zelfredzaamheid van het gezin, waarna door verweerder een besluit zal worden genomen. Hier komt bij dat enige binding met Amsterdam het gezin niet kan worden ontzegd nu zij ingeschreven staan op aan Amsterdams adres en hier ook enige tijd hebben verbleven. Gesteld en op zichzelf niet weersproken is bovendien dat er sprake is van (enig) netwerk van het gezin met personen in Amsterdam.
3.5.
De voorzieningenrechter komt – in het kader van een belangenafweging – tot het oordeel dat het belang van verzoeker en zijn gezin om gedurende dat onderzoek naar Maatschappelijke Opvang opgevangen te worden in dit geval zwaarder weegt dan het belang van verweerder dat de beperkte mogelijkheden voor noodopvang in de gemeente Amsterdam eerlijk en volgens de regels moeten worden verdeeld. Het perspectief van verzoeker en zijn gezin zal nog nader worden bepaald. Zij zullen dan of (het voorportaal voor) de Maatschappelijke Opvang in gaan of zij zullen op eigen kracht verder onderdak moeten gaan vinden. Om eventuele schade te voorkomen in afwachting van de uitkomsten van het onderzoek naar de zelfredzaamheid en het daarop volgende besluit zal de voorzieningenrechter aldus beslissen dat verweerder wordt opgedragen om voor 50% in de kosten voor het verblijf in het hotel bij te dragen voor zover het hotel bereid is om de overeenkomst van onderdak te verlengen. Indien het verblijf in het hotel onverhoopt niet verlengd kan worden, is het aan verweerder om een andere geschikte opvangplek te organiseren waarbij partijen de kosten zullen moeten delen. Met geschikt bedoelt de voorzieningenrechter dat deze opvangplek geen nachtopvang is en veilig is voor kinderen. Deze voorziening geldt dan tot zes weken nadat een besluit is genomen op de aanvraag voor Maatschappelijke Opvang.
3.6.
De voorzieningenrechter ziet verder aanleiding te bepalen dat verweerder het griffierecht moet vergoeden en dat verzoeker ook een vergoeding krijgt van zijn proceskosten, omdat het verzoek wordt toegewezen. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- bepaalt dat verweerder bijdraagt in 50% van de hotelkosten van verzoeker en anders zorg draagt dat aan verzoeker en zijn gezin opvang wordt verleend, tot zes weken nadat een besluit is genomen op de aanvraag voor Maatschappelijke Opvang;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 54,- aan verzoeker moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Baldinger, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P. Tanis, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Basisregistratie Personen.
2.Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.