Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:5275

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
28 mei 2026
Zaaknummer
AMS 25/6006
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:58 AwbArt. 2.10.5 Huisvestingsverordening Amsterdam 2024Art. 2.10.11 Huisvestingsverordening Amsterdam 2024Art. 10.1 Nadere regels Huisvestingsverordening Amsterdam 2024Artikel 3 Nadere regels Huisvestingsverordening Amsterdam 2024
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing urgentieverklaring wegens ontbreken urgent huisvestingsprobleem en geen toepassing hardheidsclausule

Eiseres, woonachtig met haar echtgenoot en drie kinderen in een te kleine vierkamerwoning, verzocht om een urgentieverklaring vanwege psychische en lichamelijke problematiek binnen het gezin. De gemeente Amsterdam wees de aanvraag af op grond van een algemene weigeringsgrond, omdat geen sprake is van een urgent huisvestingsprobleem zoals dakloosheid of dreigende dakloosheid.

De rechtbank oordeelt dat een te kleine woning, ook in combinatie met medische problemen, geen urgent huisvestingsprobleem vormt. De medische situatie van eiseres werd niet inhoudelijk getoetst omdat de aanvraag terecht werd geweigerd op basis van de algemene weigeringsgrond. De rechtbank wijst ook het beroep op de hardheidsclausule af, omdat de situatie niet voldoet aan de vereisten van een schrijnende en uitzonderlijke noodsituatie met een acuut levensbedreigend probleem.

Daarnaast werd een aanvullende beroepsgrond over de Wet maatschappelijke ondersteuning buiten beschouwing gelaten wegens strijd met de goede procesorde. De belangen van de kinderen zijn door verweerder meegewogen, maar wegen niet op tegen het belang van een rechtvaardige verdeling van schaarse woonruimte. Het beroep wordt ongegrond verklaard, en eiseres krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank bevestigt de afwijzing van de urgentieverklaring wegens ontbreken van een urgent huisvestingsprobleem en geen toepassing van de hardheidsclausule.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/6006

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 mei 2026 in de zaak tussen

[eiseres], uit [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. I. Heijselaar),
en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. J.H.G. van den Boorn).

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om een urgentieverklaring. Eiseres is het niet eens met die afwijzing. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de aanvraag voor een urgentieverklaring mocht afwijzen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.1.
Eiseres woont met haar echtgenoot en drie kinderen (19, 16 en 4 jaar) in een vierkamerwoning met een oppervlakte van 51 m2. Eiseres heeft psychische en lichamelijke problematiek. Het oudste kind kampt eveneens met psychische klachten. Door de beperkte ruimte in verhouding tot de gezinsgrootte en de medische problemen is de woning volgens eiseres ongeschikt. Volgens eiseres is een grotere woning om die reden noodzakelijk. Eiseres heeft daarom een urgentieverklaring aangevraagd.
2.2.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 20 februari 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 17 september 2025 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Er is volgens verweerder een algemene weigeringsgrond, namelijk dat er geen sprake is van een urgent huisvestingsprobleem en zij kan daarom ook geen aanspraak maken op een urgentieverklaring vanwege medische redenen. Ook is er voor verweerdergeen aanleiding om de hardheidsclausule toe te passen.
2.3.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en verweerder heeft daarop gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 7 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [echtgenoot] (echtgenoot van eiseres), de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of verweerder de aanvraag voor een urgentieverklaring mocht afwijzen.
Aanvullende beroepsgrond
4.1.
Eiseres heeft op de zitting haar beroepsgronden uitgebreid. Zij heeft aanvullend een beroep gedaan op de toepassing van de Wet maatschappelijke ondersteuning om via die route een geschikte woning te bemachtigen. Volgens eiseres is dit vanwege proceseconomische redenen niet in strijd met de goede procesorde.
4.2.
Op grond van artikel 8:58, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kunnen partijen tot tien dagen voor de zitting nadere stukken indienen. Dit voorschrift beoogt, als voortvloeiend uit de eisen van een goede procesorde en het beginsel van hoor en wederhoor, onder meer de wederpartij te beschermen tegen ontijdig aan het dossier toegevoegde stukken waarop die partij niet is voorbereid en waarop niet adequaat kan worden gereageerd. Eiseres heeft deze beroepsgrond pas op de zitting - als onderdeel van de pleitnota - naar voren heeft gebracht. Niet is gebleken dat eiseres deze beroepsgrond niet binnen voornoemde termijn had kunnen indienen. Verweerder heeft zich hierdoor niet op deze beroepsgrond kunnen voorbereiden. Deze aanvullende beroepsgrond wordt daarom door de rechtbank buiten beschouwing gelaten wegens strijd met de goede procesorde en het beginsel van hoor en wederhoor.
Geen urgent huisvestingsprobleem
5.1.
Uit artikel 2.10.5, eerste lid, onder b, van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2024 (hierna: Hvv) volgt dat de aanvraag voor een urgentieverklaring wordt geweigerd indien geen sprake is van een urgent huisvestingsprobleem. In de Nadere regels [1] worden omstandigheden genoemd die in ieder geval geen urgent huisvestingprobleem opleveren, waaronder een te kleine woning. Verweerder stelt zich op het standpunt dat deze algemene weigeringsgrond van toepassing is omdat eiseres en haar gezin over onderdak beschikken.
5.2.
Eiseres heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte deze algemene weigeringsgrond heeft tegengeworpen. Er is volgens eiseres wel degelijk sprake van een urgent huisvestingsprobleem omdat de huidige woning gezien de medische situatie van eiseres ongeschikt is. Het is voor het gezin daarom noodzakelijk dat zij een grotere woning krijgen. Dit blijkt volgens eiseres ook uit de medische stukken die zijn overgelegd.
5.3.
De rechtbank constateert dat eiseres bij haar aanvraag heeft aangegeven dat de reden voor het aanvragen van urgentie is dat de huidige woning te klein is en dat zij graag een ruimere woning wil. De rechtbank volgt verweerder in het standpunt dat een te kleine woning geen urgent huisvestingsprobleem is, ook niet wanneer alle omstandigheden in samenhang worden bezien. Er is namelijk geen sprake van dakloosheid of dreigende dakloosheid die voorrang op andere woningzoekenden rechtvaardigt. Hoewel de rechtbank begrijpt dat het geen ideale situatie is, hebben eiseres en haar gezin op dit moment een vierkamerwoning tot hun beschikking. Dit is, gelet op de gezinssamenstelling van eiseres met twee minderjarige kinderen, een passende woning. De beroepsgrond slaagt niet.
Urgentie op medische gronden?
6.1.
Eiseres heeft aangevoerd dat zij op grond van haar medische situatie in aanmerking dient te komen voor een urgentieverklaring omdat de huidige woning om medische redenen te klein en ongeschikt is. In de bezwaarfase, en ook recent nog in beroep, zijn door eiseres medische stukken overgelegd die dit onderbouwen.
6.2.
Uit artikel 10.1, eerste lid, van de Nadere regels volgt dat niet getoetst wordt aan de medische gronden voor verlening van een urgentieverklaring als de aanvraag moet worden geweigerd op grond van één van de algemene weigeringsgronden genoemd in artikel 2.10.5 van de Hvv. Aangezien de aanvraag van eiseres – zoals hierboven is geoordeeld – op goede gronden is geweigerd op grond van een algemene weigeringsgrond, hoefde verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet door te toetsen en onderzoek te verrichten naar de medische situatie van eiseres. Verweerder heeft desondanks wel de medische situatie in ogenschouw genomen maar (ten overvloede) terecht geoordeeld dat eiseres ten tijde van de aanvraag niet minimaal zes maanden aaneengesloten onder behandeling van een tweedelijns GGZ-instelling of vrijgevestigd psychiater was. [2] Dat eiseres daar, blijkens een verklaring van de psychiater van 20 april 2026, inmiddels mogelijk wel aan voldoet maakt niet dat in het bestreden besluit niet kon worden overwogen dat dit ten tijde van aanvraag niet het geval was. De beroepsgrond slaagt niet.
Had verweerder de hardheidsclausule moeten toepassen?
7.1.
Eiseres beroept zich verder nog op de hardheidsclausule. Volgens eiseres is er sprake van schrijnende en uitzonderlijke omstandigheden. Het gezin wordt compleet ontregeld door de medische problemen van eiseres. Dit volgt ook uit de medische stukken, waaronder de berichten van de GGZ behandelaren. Bovendien dient volgens eiseres in dit kader ook de belangen van de kinderen te worden meegewogen op grond van het IVRK [3] , hetgeen verweerder niet heeft gedaan.
7.2.
Op grond van artikel 2.10.11 van de Hvv kan een woningzoekende, indien toepassing van deze verordening zou leiden tot weigering van een urgentieverklaring, alsnog in aanmerking komen voor een urgentieverklaring indien de weigering van een urgentieverklaring leidt tot een schrijnende situatie en sprake is van bijzondere, bij het vaststellen van de verordening onvoorziene, omstandigheden die gelet op het doel van de verordening redelijkerwijs toch een grond voor de verlening van een urgentieverklaring zouden kunnen zijn. Uit de Nadere Regels [4] volgt dat het bij medische problematiek moet gaan om uitzonderlijke noodsituatie en dat sprake moet zijn van een acuut levensbedreigend probleem.
7.3.
De rechtbank begrijpt dat eiseres zich in een moeilijke situatie bevindt. Zij kampt met forse psychische problematiek die zijn weerslag heeft op haar en het gezin en waarbij een grotere woning helpend zou zijn. Hoewel dit door eiseres en haar gezin niet zo zal worden ervaren, is deze situatie helaas in Amsterdam niet dusdanig bijzonder. Verweerder was daarom niet gehouden om alsnog een urgentieverklaring te verlenen op grond van bijzondere hardheid. Gelet op de zeer schaarse voorraad sociale huurwoningen in de gemeente Amsterdam wordt de hardheidsclausule alleen toegepast in heel bijzondere situaties. Uit de informatie van de GGZ behandelaren van 15 oktober 2025 volgt weliswaar dat de huidige woonsituatie met beperkte ruimte en veel prikkels leidt tot verhoogde spanningen en stress bij eiseres en dat ingeschat wordt dat een grotere woning via woonurgentie helpend kan zijn in het herstel van eiseres en het ontlasten van het systeem, maar hieruit, en uit de overige medische stukken die eiseres heeft overgelegd, blijkt niet dat sprake is van een acuut levensbedreigend probleem. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat er geen sprake is van een zodanig schrijnende situatie dat dit de toepassing van de hardheidsclausule rechtvaardigt.
Ook volgt de rechtbank eiseres niet in haar standpunt dat verweerder de belangen van de kinderen niet voldoende heeft meegewogen. Verweerder heeft dat in het bestreden besluit wel degelijk gedaan, maar dit heeft echter niet geleid tot toewijzing van de aanvraag. Zo heeft verweerder overwogen dat het voor eiseres en in het bijzonder voor de kinderen beter zou zijn indien zij naar een ruimere woning zouden kunnen verhuizen, maar dat dit niet opweegt tegen het belang van een rechtvaardige en evenwichtige verdeling van schaarse woonruimte in Amsterdam. Verweerder geeft prioriteit aan het voorkomen van dakloosheid bij minderjarige kinderen, omdat dit in beginsel een reden kan zijn om urgentie te verlenen. Daar is hier geen sprake van.
Tot slot weegt de rechtbank bij het beroep op de hardheidsclausule mee dat eiseres op dit moment al beschikt over een passende vierkamerwoning. Gelet op de gezinssamenstelling zou eiseres, bij een woningaanbod in het kader van de urgentieverklaring, opnieuw voor een vierkamerwoning in aanmerking komen. Het is dus onzeker of eiseres er met een urgentieverklaring qua woninggrootte op vooruit zou gaan. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder de aanvraag voor een urgentieverklaring heeft mogen weigeren. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. van Haeften, rechter, in aanwezigheid van
mr.P. Tanis, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 3 van Pro Hoofdstuk 1 van de Nadere regels Huisvestingsverordening Amsterdam 2024.
2.Artikel 11 van Pro Hoofdstuk 1 van de Nadere regels.
3.Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind.
4.Artikel 25 van Pro Hoofdstuk 1 van de Nadere regels.