Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:5239

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
22 mei 2026
Publicatiedatum
28 mei 2026
Zaaknummer
AMS 26/2427
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:86 AwbArt. 107 WpoArt. 81 WBOArt. 82 WBO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen vordering medegebruik schoolruimte door islamitische basisschool

Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam heeft besloten om leegstaande ruimtes van een oecumenische basisschool te vorderen voor medegebruik door een islamitische basisschool vanwege ruimtegebrek bij laatstgenoemde. De oecumenische scholengroep maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het college ongegrond werd verklaard. Hiertegen werd beroep ingesteld en een voorlopige voorziening gevraagd.

De voorzieningenrechter behandelde het verzoek om een voorlopige voorziening en concludeerde dat er sprake was van onverwijlde spoed, omdat de oecumenische school vanaf 1 mei 2026 de ruimtes beschikbaar moest stellen. De belangen van de oecumenische school, het college en de islamitische school werden tegen elkaar afgewogen. De oecumenische school stelde dat zij de ruimtes feitelijk nodig had vanwege kleinschalig onderwijs en dat het besluit strijdig was met artikel 107 Wpo Pro vanwege de verschillende identiteiten van de scholen.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het college zorgvuldig onderzoek had verricht, rekening had gehouden met feitelijk gebruik en alternatieven, en dat de vordering niet onrechtmatig was. De verwijzing naar artikel 107 Wpo Pro en de identiteit van de scholen bood geen grond om het besluit te schorsen. Ook de vrees voor verwarring bij leerlingen en ouders was onvoldoende concreet. De voorlopige voorziening werd daarom afgewezen. De situatie is tijdelijk, omdat nieuwbouw voor de islamitische school gepland is voor 2029.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het vorderen van schoolruimte voor medegebruik wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
Zaaknummer: AMS 26/2427

uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 mei 2026 in de zaak tussen

Stichting Amsterdamse Oecumenische Scholengroep, verzoekster

(gemachtigde: mr. P.D. van der Kooi),
en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder

(gemachtigden: R. Anzou en S. Roelofsen).
Als derdepartij neemt aan de zaak deel: Stichting Islamitisch Basisonderwijs Amsterdam (hierna: derde-belanghebbende).

Procesverloop

1. Verweerder heeft met het besluit van 10 februari 2026 leegstand in het gebouw waar de [naam school] is gevestigd gevorderd voor medegebruik door islamitische basisschool de [naam basisschool] . Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
1.1.
Met het besluit van 17 april 2026 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 30 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam 1] namens verzoekster, de gemachtigde van verzoekster, [naam 2] namens de [naam school] en de gemachtigden van verweerder. De derde-belanghebbende was niet aanwezig.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Mogelijkheid tot kortsluiten
2. Tijdens de zitting is besproken met partijen dat de voorzieningenrechter op grond van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb, bevoegd is om direct uitspraak te doen op het beroep. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld hun standpunt hierover kenbaar te maken.
3. Zowel verzoekster als verweerder hebben te kennen gegeven dat zij een aparte zitting wensen voor de inhoudelijk behandeling van het beroep. Dit omdat het een geschil van principiële aard betreft, de voorlopige voorziening op heel korte termijn op zitting is gepland en zij graag meer tijd willen om zich voor te bereiden op een inhoudelijke bespreking van het beroep. Daarnaast heeft verweerder erop gewezen dat de
derde-belanghebbende niet aanwezig kon zijn bij de zitting. Als er nu uitspraak zou worden gedaan op het beroep, dan zou dat gebeuren zonder dat de derde-belanghebbende haar standpunt naar voren heeft kunnen brengen.
4. Gelet op wat partijen naar voren hebben gebracht ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om uitspraak te doen op het beroep. De voorzieningenrechter benadrukt nog dat hij ter zitting ten onrechte in de veronderstelling verkeerde dat de derde-belanghebbende had laten weten aanwezig te zullen zijn. Deze veronderstelling bleek echter een misvatting. De derde-belanghebbende was wel uitgenodigd voor de zitting, maar heeft niet aan de rechtbank gecommuniceerd aanwezig te zullen zijn.
Onverwijlde spoed
5. De voorzieningenrechter treft alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. Dit staat in artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).
6. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is hier sprake van onverwijlde spoed. Uit het bestreden besluit volgt namelijk dat verzoekster op 1 mei 2026 twee lokalen, een docentenkamer en sanitaire voorzieningen beschikbaar moet stellen aan de [naam basisschool] . Dit betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek inhoudelijk zal beoordelen.
Belangen van partijen
7. Verzoekster voert een aantal gronden aan ter onderbouwing van haar verzoek. De voorzieningenrechter maakt aan de hand van deze gronden een belangenafweging. Daarbij weegt de voorzieningenrechter de belangen van verzoekster die pleiten vóór het treffen van een voorlopige voorziening, en de belangen van verweerder en de derde-belanghebbende die pleiten tegen het treffen daarvan, tegen elkaar af.
8. Het belang van verzoekster bestaat eruit dat zij onderwijs kan blijven aanbieden zoals zij dat nu ook doet. Het belang van verweerder bestaat eruit dat zij een wettelijke verplichting heeft om scholen die met ruimtegebrek kampen van huisvesting te voorzien. Het belang van de derde-belanghebbende bestaat eruit dat de [naam basisschool] te weinig geschikte onderwijsruimte heeft voor alle leerlingen.
Berekening van de leegstand
9. Verzoekster voert ten eerste aan dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met de feitelijke situatie. Op papier is er misschien sprake van leegstand bij verzoekster, maar in de praktijk gebruikt verzoekster die ruimtes wel omdat zij kleinere klassen hanteert. Veel kinderen op de [naam school] kampen namelijk met een leerachterstand. Door het bestreden besluit kan zij het onderwijs niet langer in kleine groepen geven. Verzoekster begrijpt daarnaast niet hoe het kan dat zij enerzijds extra subsidies en bekostiging krijgt van de Rijksoverheid om deze kleinschalige vorm van onderwijs te faciliteren, maar dat verweerder anderzijds de ruimte die daarvoor nodig is opvordert. De overheid spreekt hier niet met één mond.
10. Uit de Stafvoordracht van 1 december 2025 volgt dat verweerder in totaal vijf basisscholen met leegstand heeft onderzocht als mogelijke locaties voor de [naam basisschool] . De [naam school] ligt van deze vijf scholen het dichtst bij de [naam basisschool] , heeft de meeste vierkante meters leegstand en heeft geen andere functies die verdrongen worden door medegebruik door de [naam basisschool] . Verweerder heeft daarom de [naam school] uitgekozen.
Verder volgt uit de Stafvoordracht dat verweerder het voorstel om een leegstaand gebouw aan de [adres] te gebruiken van de hand heeft gewezen omdat dit pand in zeer slechte staat verkeert en renovatiekosten hiervoor geraamd worden op ongeveer drie miljoen euro. Ter zitting hebben de gemachtigden van verweerder toegelicht dat de kosten voor de (door verzoekster als alternatief genoemde) plaatsing van tijdelijke containers bij de [naam basisschool] zelf geraamd worden op ongeveer € 800.000 en dat ook deze optie daarom ook geen werkbaar alternatief is.
11. Verweerder heeft zijn keuze niet alleen gemaakt op basis van papier, maar heeft ook een bezoek gebracht aan het gebouw waar de [naam school] gevestigd is en heeft het feitelijke gebruik van de ruimtes daar bekeken. Naar aanleiding van dit bezoek heeft verweerder de leegstandberekening ook naar beneden bijgesteld. Ook heeft verweerder bij de berekening van de leegstand rekening gehouden met de zogenoemde achterstandsscore van de [naam school] . Verweerder heeft daarmee voldoende zorgvuldig onderzoek verricht met voldoende aandacht voor alternatieven. De uitkomst hiervan dwong verweerder er echter niet toe af te zien van de vordering.
12. Verzoekster heeft niet geconcretiseerd in welke zin verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met de feitelijke situatie en waarom in feitelijk opzicht toch van vordering had moeten worden afgezien. Dat had wel van haar als direct betrokkene verwacht mogen worden, waar verweerder op inzichtelijke wijze de stappen in zijn besluitvorming heeft weergegeven, en er ook na intrek van de [naam basisschool] aanzienlijke vrije ruimte overblijft.
13. Dat verzoekster subsidies krijgt van de Rijksoverheid voor haar onderwijsvorm maakt niet op voorhand dat verweerder geen leegstand kan vorderen. Het inhoudelijk verband tussen het een en het ander is niet aangegeven. Verweerder heeft bovendien een andere bevoegdheid en verantwoordelijkheid dan de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. De door verzoekster ervaren discrepantie kan haar juridisch dan ook niet baten.
Verschillende identiteiten
14. Verzoekster keert zich ook ten principale tegen de opvordering. Volgens haar is die in strijd met artikel 107, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs (hierna: Wpo). Verweerder heeft namelijk onvoldoende rekening gehouden met de strijdige identiteiten van de [naam school] en de [naam basisschool] . De [naam school] is een protestants-christelijke school. Daarnaast is tolerantie voor lhbti+’ers belangrijk voor de [naam school] en doet de school ook mee aan Paarse Vrijdag (een dag waarop solidariteit met lhbti+’ers getoond wordt door middel van het dragen van de kleur paars) en de Week van de Lentekriebels (een week waarin extra aandacht wordt besteed aan seksuele en relationele vorming). De identiteit van de [naam basisschool] staat hier haaks op. De [naam basisschool] is namelijk een islamitische school. De [naam basisschool] geeft bovendien godsdienstonderwijs volgens de Al Amana-methode, waarbij wordt aangeleerd dat Allah homoseksualiteit verafschuwt en dat Allah jongens die op meisjes willen lijken (en andersom) vervloekt.
15. Artikel 107, eerste lid, van de Wpo luidt – voor zover relevant – als volgt (onderstreping door de rechtbank):
“Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd een gedeelte van een gebouw of terrein dat tijdelijk of gedurende een gedeelte van de dag niet nodig zal zijn voor de daar gevestigde school, gedurende die tijd als huisvesting voor een andere school, voor ander uit de openbare kas bekostigd onderwijs niet zijnde basisonderwijs, of voor educatie als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs dan wel voor andere culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden te bestemmen.
Het voorgenomen gebruik dient zich te verdragen met het onderwijs aan de in het gebouw gevestigde school.(…).”
16. De voorzieningenrechter stelt voorop dat artikel 107, eerste lid, van de Wpo, voorschrijft dat het voorgenomen gebruik zich dient te verdragen met het
onderwijsaan de school die al in het gebouw gevestigd is. Dat is iets anders dan de
identiteitvan een school. Het woord ‘identiteit’ komt niet terug in artikel 107 van Pro de Wpo. Reeds daarom baat verzoekster de verwijzing naar dit artikel niet.
17. Het woord ‘identiteit’ komt wel voor in het door verzoekster in de context van artikel 107 Wpo Pro aangehaalde nadere Memorie van Antwoord. De door verzoekster aangehaalde passage uit de nadere Memorie van Antwoord luidt als volgt:
“Bovendien is het zo dat een gemeente niet een gedeelte van een school kan vorderen dan wel medegebruik bij een school als huisvestingsvoorziening mag toewijzen indien dat zou leiden tot strijd met de identiteit van de school (zie artikel 81, eerste lid, WBO en artikel 82, derde lid, WBO, alsmede de vergelijkbare artikelen in ISOVSO en WVO).” [1]
Deze nadere Memorie van Antwoord heeft echter geen betrekking op artikel 107 van Pro de Wpo, maar op de wijziging van de Wet op het basisonderwijs (WBO), de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voorgezet speciaal onderwijs (ISOVSO) en de Wet op het voortgezet onderwijs (WVO) [2] . De verwijzing naar die Memorie kan verzoekster alleen al daarom niet baten.
18. Tot slot overweegt de voorzieningenrechter dat niet in geschil is dat de identiteit van de [naam basisschool]
verschiltvan die van de [naam school] , maar dat deze vaststelling alleen niet genoeg is om te komen tot het oordeel dat de identiteit van de [naam basisschool] ook in
strijdis met die van verzoekster. Ook als de [naam basisschool] aanwezig is in het schoolgebouw kan verzoekster nog steeds haar eigen identiteit uitdragen en onderwijs geven zoals zij dat nu doet, inclusief de viering van Paarse Vrijdag en deelname aan de Week van de Lentekriebels. Met name valt niet in te zien dat verzoekster daarover met de [naam basisschool] geen afspraken zou kunnen over het gebruik van de ruimten, zodanig dat elke school daarin zijn identiteit kan vormgeven.
Ouders en kinderen
19. Ter zitting heeft verzoekster nog aangevoerd dat zij vreest dat het verwarrend zal zijn voor de leerlingen van de [naam school] dat voor hen andere regels gelden dan voor de kinderen van de [naam basisschool] . Ook vreest verzoekster dat ouders hun kinderen van school zullen halen.
20. De voorzieningenrechter overweegt dat beide scenario’s denkbaar zijn. Dit vormt echter geen zekerheid en is alleen al daarom geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter betrekt hierbij ook dat gebruiksafspraken kunnen worden gemaakt, dat de [naam school] zelf haar leerlingen hierin kan begeleiden en daarnaast dat het gaat om een tijdelijke situatie. Er wordt namelijk nieuwbouw gerealiseerd om het ruimtegebrek van de [naam basisschool] op te lossen. Deze nieuwbouw zal naar verwachting in 2029 af zijn.

Conclusie en gevolgen

21. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat het bestreden besluit niet wordt opgeschort. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Tijselink, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Hollander, griffier.
Het dictum is op 30 april 2026 aan partijen medegedeeld.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.