Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:5176

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
27 mei 2026
Zaaknummer
C/13/787135
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige kinderen wegens middelengebruik ouders

De rechtbank Amsterdam behandelde op 12 mei 2026 een verzoek van Leger des Heils Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (LdH) tot machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarige kinderen. De kinderen waren reeds onder toezicht gesteld en tijdelijk uit huis geplaatst vanwege ernstige zorgen over hun veiligheid en opvoedsituatie, met name door het middelengebruik van de ouders.

LdH stelde dat de moeder en vader verslaafd zijn, waarbij de moeder op 30 april 2026 onder invloed van crack werd aangetroffen. De ouders ontkenden dit, waarbij de moeder aangaf slechts incidenteel een joint te gebruiken en geen verslaving te hebben. De oudste zoon, die thuis woont, deed meerdere meldingen van middelengebruik bij de politie en Veilig Thuis, wat leidde tot interventies.

De rechtbank concludeerde dat de veiligheid van de kinderen nog steeds ernstig wordt bedreigd en dat de ouders onvoldoende meewerken aan hulpverlening. Daarom werd een machtiging tot uithuisplaatsing verleend voor de duur van twee maanden, met de verwachting dat de kinderen in het huidige pleeggezin kunnen blijven. De rechtbank legde tevens verplichtingen op aan de moeder om mee te werken aan verslavingsbehandeling en controles, en aan LdH om actief zicht te houden op de thuissituatie en de rol van de vader en zoon te onderzoeken.

De verdere behandeling van het verzoek tot uithuisplaatsing voor de duur van de ondertoezichtstelling werd aangehouden tot een nader te bepalen datum vóór 12 juli 2026. De rechtbank benadrukte het belang van een gezamenlijke plaatsing van de kinderen en de noodzaak van een veilige en stabiele thuissituatie.

Uitkomst: Machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen voor twee maanden wegens onveilige thuissituatie door middelengebruik ouders.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Familie- en Jeugdrecht
zaakgegevens : C/13/787135 / JE RK 26-342
datum uitspraak: 12 mei 2026

beschikking machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

de gecertificeerde instelling
Leger des Heils Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
gevestigd te Alkmaar, hierna te noemen LdH,
betreffende
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2017 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige 1] ;
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2019 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. J.J.M. Kleiweg te Amsterdam;
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] .

Het procesverloop

Bij beschikking van 4 maart 2026 zijn de kinderen tot 4 maart 2027 onder toezicht gesteld van LdH. Er is een vaste jeugdbeschermer betrokken.
Bij beschikking van 30 april 2026 zijn de kinderen, op verzoek van LdH, met spoed uit huis geplaatst voor de duur van twee weken.
De inhoud van de beschikking van 30 april 2026 wordt hier als herhaald en ingelast beschouwd.
De rechtbank heeft nadien nog kennisgenomen van:
- de door de moeder overgelegde productie, ingekomen 8 mei 2026.
Op 12 mei 2026 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.
Verschenen en gehoord zijn:
- [persoon 1] , gezinsmanager van LdH;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de vader.
[minderjarige 1] is in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken, maar heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt.

De standpuntenLdH voert ter zitting aan, kort en zakelijk weergegeven, dat er grote zorgen zijn over de directe veiligheid en opvoedsituatie van de kinderen. De zorgen spelen al langere tijd. Er is in het verleden geprobeerd om hulpverlening in te zetten via het OKT en Spoedhulp, maar dat is niet van de grond gekomen omdat de moeder en de vader niet willen meewerken. Er is niet tot een stabiele thuissituatie gekomen. Er is sprake een rommelige woning en escalaties binnen het gezin, mede door de spanningen die de oudste zoon [persoon 2] , veroorzaakt. Het grootste probleem is echter de verslaving van de moeder en er is tijd nodig om daar verandering in te krijgen. Ook de vader is verslaafd en zou crack gebruiken. De moeder en de vader zijn diverse keren gewaarschuwd voor een uithuisplaatsing van de kinderen als het middelengebruik wordt voortgezet. Hiertoe zijn ook veiligheidsafspraken gemaakt. Deze zijn op 16 april 2026 met ouders vastgelegd. Onderdeel van deze afspraken was dat ouders niet onder invloed zijn van middelen als zij verantwoordelijk zijn voor de zorg over de kinderen. Op 30 april 2026 was sprake van een zodanige onveilige situatie voor de kinderen dat is ingegrepen. De moeder was duidelijk onder invloed. De moeder en de vader moeten zelf het initiatief nemen om de verslaving aan te pakken; alleen als de verslaving is aangepakt is een terugplaatsing van de kinderen verantwoord. Het uitvoeren van dagelijkse controles op middelengebruik is niet haalbaar, maar dat haalt ook de andere zorgen die er zijn niet weg.

De kinderen doen het goed in het gezin van de pleegmoeder. Zij hebben veel steun aan elkaar. Zij gaan naar (een andere) school en vinden aansluiting met andere kinderen. Zij missen de moeder wel.
De kinderen kunnen tweemaal 28 dagen bij het huidige pleeggezin verblijven. Er zal daarna op zoek moeten worden gegaan naar een ander pleeggezin, waar hopelijk de meisjes ook samen kunnen verblijven. De machtiging wordt gevraagd voor de duur van een jaar, omdat niet de verwachting is dat de (verslavings)problemen bij ouders voor die tijd zijn opgelost.
Levvel is betrokken bij de kinderen, er is eenmaal per week contact tussen de pleegzorgwerker en de kinderen. Er zal eenmaal per week, gedurende een uur, begeleide omgang plaatsvinden tussen de kinderen en de moeder en er is een belmoment. De omgang is begeleid omdat de moeder de kinderen beloftes doet die zij niet kan waarmaken.
Het verzoek wordt gehandhaafd.
De moeder voert ter zitting aan, kort en zakelijk weergegeven, dat zij is geschrokken van de uithuisplaatsing van de kinderen. Zij is niet verslaafd aan alcohol of drugs. Zij gebruikt af en toe een jointje als de kinderen slapen. Zij is op 30 april 2026 getest door de politie op middelengebruik en die test was negatief. Zij gebruikt geen crack. Die melding in het politierapport is onjuist. Zij is vorig jaar op eigen initiatief naar de Jellinek gegaan voor een alcoholverslaving. Verdere behandeling was en is niet nodig. Zij wil aan alles meewerken.
Zij wil dat de kinderen weer thuiskomen en naar hun oude school kunnen. De kinderen hebben haar nodig. Er zijn geen zorgen over de thuissituatie en de kinderen zijn bij haar thuis veilig.
De advocaat van de moeder voert ter zitting aan, kort en zakelijk weergegeven, dat de moeder en de vader willen dat de kinderen weer thuiskomen. Er is nooit hulpverlening in het vrijwillig kader aangeboden. De inzet van Spoedhulp had betrekking op een zoon, die niet meer thuis woont.
De problemen binnen het gezin worden veroorzaakt door de nog thuiswonende meerderjarige zoon [persoon 2] . [persoon 2] gaat niet naar school, werkt niet, heeft geen dagbesteding en gamet tot diep in de nacht. Dit zorgt voor spanningen binnen het gezin. De zoon doet meldingen van alcohol- en drugsgebruik door de moeder en de vader. In hoeverre de meldingen van de zoon op waarheid berusten is de vraag.
Er is geen sprake van verwaarlozing van de kinderen door de moeder. De woning is altijd opgeruimd, maar de zoon maakt telkens rommel.
De kinderen gaan op tijd naar school en hebben sociale activiteiten. Vanuit de school zijn er ook geen signalen dat het niet goed zou gaan met de kinderen in de thuissituatie. Integendeel, zoals uit de ingebrachte verklaring van de school blijkt, heeft de school geen zorgen.
De moeder ontkent verslaafd te zijn, wel drinkt zij af en toe een biertje. Dat moet kunnen. De moeder wil aan alles meewerken en afspraken maken met LdH.
De ondertoezichtstelling, die pas kortgeleden is gestart, moet waarborgen bieden voor de veiligheid van de kinderen. Binnen de ondertoezichtstelling kan ook worden gekeken naar de rol die zoon [persoon 2] speelt en eventueel kan hulp voor hem worden ingezet.
Nu het verzoek onvoldoende is onderbouwd en het in het belang van de kinderen is dat zij worden teruggeplaatst, dient het verzoek te worden afgewezen.
De vader voert ter zitting aan, kort en zakelijk weergegeven, dat hij veel werkt en in de avond niet altijd thuis is. Heel af en toe gebruikt hij drugs, maar niet thuis en in het bijzijn van de kinderen.

De beoordeling

Beoordeeld dient te worden of een machtiging tot uithuisplaatsing ten aanzien van de voor de duur van de ondertoezichtstelling noodzakelijk is.
Uit de overgelegde stukken en de toelichting van LdH is gebleken dat de kinderen, zoals reeds in de beschikking van 4 maart 2026 was vastgesteld, ook nu nog steeds in hun ontwikkeling ernstig worden bedreigd. Sinds de ondertoezichtstelling is getracht met ouders tot afspraken te komen over het waarborgen van de veiligheid van de kinderen. De zorgen over de veiligheid zien op het gebruik van middelen door de ouders. Er zijn daarover afspraken gemaakt met de ouders, namelijk dat de ouders niet gebruiken als zij de zorg dragen over de kinderen.
De ondertoezichtstelling heeft de zorgen niet weg kunnen nemen. Sinds de aanvang van de ondertoezichtstelling zijn er bij LdH zes meldingen binnengekomen bij Veilig Thuis, die de meldingen doorkreeg van de politie. De meldingen bij de politie zijn gedaan door de
20-jarige thuiswonende zoon [persoon 2] , die zich zorgen maakt om zijn zusjes en met Veilig Thuis had afgesproken dat hij steeds de politie moest bellen als zijn ouders onder invloed zijn. De politie is naar aanleiding van de meldingen van [persoon 2] telkens in huis gekomen. Uit de beschrijvingen van de zes meldingen blijkt dat de politie zich grote zorgen maakt om de thuissituatie. Zij treffen de moeder (en soms ook de vader) aan waarbij steeds sterke vermoedens zijn van middelengebruik. Cannabis en alcohol gebruik wordt vaak wel bevestigd door de ouders of door een test. Crackgebruik echter wordt weliswaar door [persoon 2] genoemd, maar door de ouders steeds ontkend. Behalve op 30 april 2026. Als de politie dan ter plaatse komt, treffen zij de moeder aan op het balkon. Zij kon niet uit haar woorden kwam omdat zij onder invloed was. De politie zag dat de moeder spastische trekken had met haar gezicht, verwijde pupillen had en met haar tong over haar lippen ging.
De moeder verklaarde aan de politie dat zij ongeveer drie uur geleden crack had gebruikt. Het vermoeden van de politie was echter dat de moeder vlak voor hun komst ook nog crack gebruikt had, omdat de moeder bij hun aankomst zeer onder invloed was, maar zij, naarmate de tijd vorderde steeds meer nuchter werd. De moeder switchte wel veel in haar emoties en bedreigde ook haar zoon [persoon 2] . Het huis zag er rommelig uit.
De vader was op de avond van 30 april 2026 niet thuis. De moeder heeft tegenover de politie verklaard dat het voorval haar spijt en dat zij de zorg voor de kinderen alleen draagt omdat haar man er steeds van doorgaat als zij gebruikt en zij er dan steeds alleen voor staat. Ook gaf de moeder haar zoon meermaals de schuld van dit alles.
De kinderrechter maakt zich op grond van de beschrijving van de politie in deze melding van 30 april jl. grote zorgen. Op het moment dat de moeder onder invloed was, lagen [minderjarige 2] en [minderjarige 1] boven te slapen. De vader was niet thuis. De ouders konden gezien de feitelijke situatie op dat moment niet de verantwoordelijkheid voor de kinderen dragen. Het verlenen van een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing was op 30 april 2026 dan ook noodzakelijk.
De kinderrechter is van oordeel dat die uithuisplaatsing ook nu nog steeds noodzakelijk is. Deze is in het belang van de verzorging en opvoeding van de kinderen (artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek).
Gezien de vele politiemeldingen bij Veilig Thuis valt niet uit te sluiten dat sprake is van een patroon van alcohol- of middelengebruik van, in elk geval, de moeder.
Wel heeft de kinderrechter het vermoeden dat het zich laat aanzien dat het alcohol- en/of middelengebruik plaatsheeft in de avond als de kinderen op bed liggen. Uit de door de moeder overgelegde verklaring van de school van de kinderen blijkt dat de kinderen het goed doen op school en dat er geen zorgen zijn over de kinderen. De moeder is overdag ook betrokken bij de kinderen. Zij brengt de kinderen naar school, haalt de kinderen van school en gaat met de kinderen naar activiteiten. De moeder is kennelijk in staat om overdag goed te functioneren. Dat betekent echter niet dat er geen zorgen zijn. De uitspraken van [persoon 2] als het gaat om de verwaarlozing van de kinderen en de rommelige thuissituatie wijzen erop dat er toch wel meer aan de hand is en is het de vraag of de ouders voldoende beschikbaar zijn voor de kinderen gezien de mogelijke verslavingsproblematiek die er speelt. De kinderrechter heeft dan ook met deze stand van zaken onvoldoende vertrouwen dat de kinderen thuis een veilige opgroeiomgeving hebben. Er moet meer zicht op de thuissituatie komen en hiertoe moet verplichte hulp worden ingezet. De moeder zal moeten laten zien dat zij werkt aan haar gebruik van alcohol en/of middelen. Van de moeder wordt verwacht dat zij hier open gesprekken over voert met LdH, zodat zij goed zicht op de situatie kunnen krijgen en de veiligheid van de kinderen thuis kunnen inschatten. Ook zal de moeder zich moeten aanmelden bij de Jellinek of een andere instantie die verslavingen behandelt. De kinderrechter gaat ervan uit dat de moeder gemotiveerd is om mee te werken aan een verslavingsbehandeling, in het belang van de kinderen en om ervoor te zorgen dat de kinderen op termijn weer thuis kunnen wonen. De moeder heeft ter zitting gezegd niet verslaafd te zijn en geen behandeling nodig te hebben. De kinderrechter wijst de moeder erop dat er wel degelijk aanwijzingen zijn voor middelenproblematiek en dat er bij haar een knop om moet in het belang van haar kinderen.
Verder zal de moeder dienen mee te werken aan controles op het gebruik van alcohol en middelen, waartoe de moeder met LdH afspraken dient te maken hoe die controles een paar keer per week kunnen worden afgenomen, bijvoorbeeld via de huisarts. De kinderrechter verwacht van LdH dat zij hierin meedenkt. De enkele opmerking op zitting dat controles niet uitvoerbaar zijn, vindt de kinderrechter te kort door de bocht.
LdH zal, in het kader van de ondertoezichtstelling, ook met de vader in gesprek dienen te gaan. Over zijn rol is weinig tot niets bekend. Hij blijkt vaak in de avonden niet thuis te zijn, maar zou buitenshuis of in de kelder van het huis crack gebruiken; hier is geen zicht op.
Tot slot zal LdH, in het kader van de ondertoezichtstelling, dienen te kijken naar welke rol zoon [persoon 2] speelt binnen het gezin. Kennelijk is de afspraak gemaakt met Veilig Thuis dat de zoon belt wanneer er sprake is van alcohol- of drugsgebruik door de moeder, maar de vraag die kan worden gesteld is of verwacht kan worden dat de zoon [persoon 2] die rol wel op zich moet blijven nemen. Ook is er een zeer verstoorde verhouding tussen de ouders en [persoon 2] , waarbij de moeder op 30 april 2026 zelfs dreigementen naar hem heeft geuit. Zolang die situatie zo blijft, is er van een veilige situatie thuis voor de jongere kinderen ook geen sprake. De kinderrechter verwacht dat LdH gaat bezien hoe deze situatie kan worden doorbroken.
De kinderrechter zal een machtiging tot uithuisplaatsing verlenen voor de duur van twee maanden en het overige verzochte aanhouden. Deze periode kunnen de kinderen naar verwachting in het huidige pleeggezin blijven. Zij krijgen daar de rust, stabiliteit, voorspelbaarheid en veiligheid die zij nodig hebben. Intussen zal niet alleen de moeder aan de slag moeten met zichzelf, maar zal ook LdH de ondertoezichtstelling uitvoeren, waarbij gewerkt moet worden aan een thuisplaatsing. De kinderrechter kreeg de indruk op zitting dat LdH nu de bal volledig bij de moeder legt en afwacht of zij in behandeling gaat en verder geen stappen onderneemt. Daar is de kinderrechter het enerzijds mee eens, maar de kinderrechter verwacht ook actie van LdH. De kinderrechter verwacht, zoals hiervoor overwogen, dat LdH afspraken maakt met de moeder over de hulp en de controles op middelengebruik, LdH meer zicht krijgt op de thuissituatie en nadenkt over mogelijke inzet van hulp in de thuissituatie. Ook verwacht de kinderrechter dat er gesprekken met de ouders en [persoon 2] gevoerd worden en er huisbezoeken worden afgelegd. Daarbij moet de rol van [persoon 2] en de betrokkenheid en eventuele problematiek van de vader in kaart te zijn gebracht. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] moeten uiteraard niet uit het oog worden verloren, zodat ook vanuit de kinderen duidelijkheid komt wat zij nodig hebben.
Indien de kinderen na ommekomst van de thans verleende machtiging tot uithuisplaatsing in de visie van LdH (nog) niet naar huis terug kunnen, wenst de kinderrechter op de volgende zitting geïnformeerd te worden over de vervolgplaatsing van de kinderen, waarbij de kinderrechter het belang van een gezamenlijke plaatsing van de kinderen benadrukt.
Er zal worden beslist als na te melden.

De beslissing

De kinderrechter:
-
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing ten aanzien van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , voor verblijf in een voorziening voor pleegzorg, met ingang van heden tot 12 juli 2026;
- verklaart deze beslissing, tot zover, uitvoerbaar bij voorraad;
- bepaalt dat de behandeling van het verzoek van LdH voor het overige (een machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van de ondertoezichtstelling) wordt aangehouden tot een nader te bepalen datum en tijdstip vóór 12 juli 2026, waarvoor LdH, de moeder, de advocaat van de moeder, de vader en [minderjarige 1] afzonderlijk zullen worden opgeroepen;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. A. van Luijck, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2026, in tegenwoordigheid van P.A.W. van Schaick als griffier.
Deze beschikking is schriftelijk uitgewerkt op 22 mei 2026.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Amsterdam.