Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:5147

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
27 mei 2026
Zaaknummer
13-032067-26
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36b SrArt. 36c SrArt. 45 SrArt. 57 SrArt. 285 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak zware mishandeling, veroordeling poging zware mishandeling en bedreiging

Op 30 januari 2026 heeft verdachte in Amsterdam het slachtoffer met een mes in het gezicht gesneden, wat niet tot voltooiing van zware mishandeling leidde, en het slachtoffer bedreigd met een mes. Verdachte werd primair beschuldigd van zware mishandeling, subsidiair poging tot zware mishandeling en meer subsidiair mishandeling met zwaar lichamelijk letsel, alsmede bedreiging.

De rechtbank sprak verdachte vrij van de primair tenlastegelegde zware mishandeling vanwege onvoldoende bewijs van zwaar lichamelijk letsel. Wel achtte de rechtbank bewezen dat verdachte poging tot zware mishandeling heeft gepleegd en het slachtoffer heeft bedreigd. Verdachte voerde noodweerexces aan, maar dit werd verworpen omdat hij weloverwogen handelde en wraak wilde nemen.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van vier maanden op, met aftrek van voorarrest, rekening houdend met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd en de persoon van verdachte. De rechtbank oordeelde dat geen sprake was van eendaadse samenloop en dat de straf passend en geboden is.

De inbeslaggenomen messen werden onttrokken aan het verkeer. Het vonnis werd uitgesproken op 12 mei 2026 door de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot vier maanden gevangenisstraf voor poging tot zware mishandeling en bedreiging, vrijgesproken van zware mishandeling.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13-032067-26
Datum uitspraak: 12 mei 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [land van herkomst] ) op [geboortedag] 2006,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd in [detentieplaats] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 12 mei 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. D. Jironet-Loewe, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. W.J. Morra, naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 30 januari 2026 in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan
1.
zware mishandeling van [slachtoffer] . Dit is subsidiair ten laste gelegd als poging tot zware mishandeling en meer subsidiair als mishandeling met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg;
2.
bedreiging van [slachtoffer] met enig misdrijf tegen het leven gericht/zware mishandeling.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in
bijlage Idie aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3.Waardering van het bewijs

3.1
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van zware mishandeling (feit 1 primair). De poging zware mishandeling (feit 1 subsidiair) en de bedreiging (feit 2) kunnen worden bewezenverklaard.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van de zware mishandeling (feit 1 primair) en de bedreiging (feit 2). Er is onvoldoende bewijs dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel en bedreiging kan niet worden bewezen, omdat de opzet van verdachte daar niet op was gericht. Voor de poging zware mishandeling (feit 1 subsidiair) heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
Feit 1
De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat verdachte moet worden vrijgesproken van de primair tenlastegelegde zware mishandeling. Van het letsel van het slachtoffer is niet meer bekend dan dat hij – toen hij op 5 februari 2026 medisch werd onderzocht – verwondingen aan zijn oor en wang had en dat een fors blijvend litteken te verwachten viel. Recentere informatie is niet beschikbaar. De beschikbare informatie is – nu het om een verwachting gaat kort na het incident, waarvan niet is vast komen te staan of die is uitgekomen – onvoldoende om vast te kunnen stellen dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen wel bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de subsidiair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling.
Feit 2
De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan bedreiging van het slachtoffer. Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte – nadat hij het slachtoffer in het gezicht had gesneden – met een mes in zijn hand een gevechtshouding aannam en stekende bewegingen maakte richting het slachtoffer die op dat moment voor hem stond. Uit deze handelwijze volgt dat verdachte het slachtoffer opzettelijk heeft bedreigd.

4.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de
bijlage IIvervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
1. subsidiair
op 30 januari 2026 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met een mes in het gezicht van die [slachtoffer] heeft gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.
op 30 januari 2026 te Amsterdam [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door een mes dreigend in de richting van die [slachtoffer] te houden en met dat mes stekende bewegingen te maken in de richting van die [slachtoffer] .

5.De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6.De strafbaarheid van verdachte

De raadsman heeft gesteld dat verdachte ten aanzien van feit 1 een beroep op noodweerexces toekomt, zodat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
De rechtbank overweegt in dit verband als volgt. Verdachte en het slachtoffer hebben voorafgaand aan het incident met het mes ruzie gehad en met elkaar gevochten. Dit volgt niet alleen uit de verklaringen van verdachte en het slachtoffer, maar ook uit de bevindingen van de verbalisanten die ter plaatse hebben waargenomen dat bij de neus en mond van verdachte bloed zichtbaar was. De rechtbank gaat ervanuit dat deze verwonding is toegebracht door het (latere) slachtoffer. Daarmee is aannemelijk dat sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachte door het slachtoffer.
Het is echter niet aannemelijk dat bij verdachte sprake is geweest van een hevige gemoedsbeweging (als bedoeld in artikel 41, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht) die het onmiddellijke gevolg was van deze aanranding. Hierbij is relevant dat verdachte bij de politie heeft verklaard dat hij wraak wilde nemen en het slachtoffer letsel wilde toebrengen. Verdachte heeft verder verklaard dat hij – voordat hij achter het slachtoffer is aangegaan – zijn gezicht heeft schoongemaakt en messen heeft gepakt. Uit deze verklaring leidt de rechtbank af dat verdachte weloverwogen en welbewust heeft gehandeld. Ook de in de bewijsmiddelen opgenomen beschrijving van de stills van de videobeelden geeft blijk van een weloverwogen en welbewuste handelwijze. Het beroep op noodweerexces slaagt daarom niet.
Er is ook geen andere omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7.Motivering van de straffen en maatregelen

7.1.
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder feit 1 subsidiair en feit 2 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier maanden, met aftrek van voorarrest.
7.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank de bijzondere omstandigheden waaronder verdachte tot zijn gedragingen is gekomen, in strafmatigende zin moet meewegen. Daarnaast is sprake van eendaadse samenloop, zodat ook om die reden matiging op zijn plaats is.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door het slachtoffer met een mes in het gezicht te snijden. Het slachtoffer is hierdoor gewond geraakt. Verdachte heeft het slachtoffer daarna ook bedreigd met een mes. Dit zijn ernstige feiten die voor het slachtoffer en ook voor de directe omstanders, medebewoners en medewerkers van de COA-locatie, bijzonder beangstigend moeten zijn geweest.
De rechtbank heeft echter ook oog voor de omstandigheden waarin verdachte tot zijn gedragingen is gekomen. Hem was wel iets aangedaan. Verdachte was immers voorafgaand aan de feiten door toedoen van het slachtoffer, zijn kamergenoot in de COA-opvang, gewond geraakt. Hij had echter niet op deze wijze wraak mogen nemen. De rechtbank weegt verder in strafmatigende zin mee dat verdachte ter terechtzitting heeft laten blijken dat hij spijt heeft van zijn handelen.
Anders dan de raadsman heeft aangevoerd is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van eendaadse samenloop. Het gaat immers om twee op zichzelf te beschouwen feiten die weliswaar kort na elkaar, maar niet gelijktijdig hebben plaatsgevonden.
De rechtbank acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden.

8.Beslag

Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:
1. STK Mes Blauw – PL1300-2026024594-6768309
2. 1 STK Mes Zwart – PL1300-2026024594-6768310
Onttrekking aan het verkeer
De inbeslaggenomen en niet teruggegeven messen dienen onttrokken te worden aan het verkeer en zijn daarvoor vatbaar, aangezien de bewezenverklaarde feiten met behulp van deze voorwerpen zijn begaan.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36b, 36c, 45, 57, 285 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

10.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het onder 1 primair tenlastegelegde niet bewezen en spreek verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
ten aanzien van feit 1 subsidiair:
poging tot zware mishandeling;
ten aanzien van feit 2:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte] ,daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van
4 (vier) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Heft op de voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis gelijk wordt aan die van de straf.
Verklaart onttrokken aan het verkeer:
1. STK Mes Blauw – PL1300-2026024594-6768309
2. 1 STK Mes Zwart – PL1300-2026024594-6768310
Dit vonnis is gewezen door
mr. M. Bijleveld voorzitter,
mrs. B. Vogel en C. Wildeman, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.T. de Hertog, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 mei 2026.