Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:5072

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
22 mei 2026
Publicatiedatum
26 mei 2026
Zaaknummer
12112209 \ CV EXPL 26-2333
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Verstek
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:233 BWArt. 7:259 BWECLI:NL:HR:2024:1780ECLI:EU:C:2021:68
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toetsing en vernietiging oneerlijk huurprijswijzigingsbeding in huurovereenkomst

In deze bodemzaak heeft de rechtbank Amsterdam ambtshalve het huurprijswijzigingsbeding uit de algemene voorwaarden van een huurovereenkomst getoetst op oneerlijkheid. Het betrof artikel 6.4, dat wijzigingsmogelijkheden voor kale huur, meubileringskosten en vaste servicekosten regelt. De kantonrechter oordeelde dat dit beding geen onderscheid maakt tussen de verschillende kostenposten en daarmee in strijd is met de dwingendrechtelijke maatstaf van artikel 7:259 BW Pro.

De eisende partij stelde dat het huurprijswijzigingsbeding, inhoudende een CPI + 1% verhoging, niet oneerlijk was. De rechtbank verwees naar een eerdere uitspraak van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2024:1780) waarin een dergelijk beding binnen de grenzen van een eerlijk huurverhogingsbeding valt, maar benadrukte dat dit niet afdoet aan de oneerlijkheid van het specifieke beding in deze zaak. Het beding werd daarom vernietigd en buiten toepassing gelaten.

Als gevolg hiervan werd de gevorderde huurverhoging afgewezen. De rechtbank stelde vast dat de aanvangshuur € 2.163,23 per maand bedroeg en dat de huurachterstand over november en december 2025 in totaal € 4.267,05 bedroeg, rekening houdend met een gedeeltelijke betaling in november. De wettelijke rente werd toegewezen vanaf de dag van dagvaarding. De vordering tot betaling van toekomstige huurtermijnen vanaf februari 2026 werd afgewezen omdat deze nog niet opeisbaar waren.

De gedaagde werd veroordeeld tot betaling van de achterstallige huur met rente en de proceskosten, en de veroordelingen werden uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Huurprijswijzigingsbeding vernietigd wegens oneerlijkheid; huurachterstand van €4.267,05 met rente toegewezen; toekomstige huurtermijnen afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
fno: 33623
Zaaknummer: 12112209 \ CV EXPL 26-2333

Vonnis van 22 mei 2026

in de zaak van

GS NETHERLANDS AMC C.V.,

te 's-Gravenhage,
eisende partij,
gemachtigde: Armaere B.V.,
tegen

[gedaagde],

te [woonplaats],
gedaagde partij,
niet verschenen.

Verder verloop van de procedure

Op 27 maart 2026 is een tussenvonnis gewezen. Ter uitvoering van dat tussenvonnis heeft de eisende partij een akte ingediend en, conform hetgeen in voornoemd tussenvonnis is overwogen, een kopie van de akte, inclusief het tussenvonnis aan gedaagde partij toegestuurd met mededeling dat en op welke wijze gedaagde partij hierop kon reageren. Eisende partij heeft de aan gedaagde partij tijdig gestuurde brief eveneens overgelegd. Van gedaagde is geen reactie ontvangen.
Vervolgens is een datum voor vonnis bepaald.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Beoordeling

Ambtshalve toetsing oneerlijke bedingen
1. In voornoemd tussenvonnis is overwogen dat de kantonrechter voornemens is de wijzigingsmogelijkheden van artikel 6.4 van de algemene voorwaarden voor de kale huur, meubileringskosten en vaste servicekosten te vernietigen vanwege het oneerlijke karakter.
2. Eisende partij heeft bij akte toegelicht dat de kale huur per juli 2024 en juli 2025 is verhoogd. Verder neemt eiseres het standpunt in dat het huurprijswijzigingsbeding (inhoudende CPI + 1%) niet oneerlijk is.
3. In voornoemd tussenvonnis is onder rechtsoverweging 9. overwogen op welke gronden de kantonrechter artikel 6.4 van de algemene voorwaarden – voor zover het betrekking heeft op wijziging van de kale huurprijs – als oneerlijk aanmerkt. Kort gezegd maakt het artikel geen onderscheid tussen de meubileringskosten en de kale huur, terwijl het in strijd is met de dwingendrechtelijke maatstaf van artikel 7:259 BW Pro. Het feit dat het huurprijswijzigingsbeding (inhoudende CPI + 1%) binnen de grenzen van een eerlijk huurverhogingsbeding volgens de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2024:1780) valt, doet daar niets aan af. Dit betekent dat het voornoemde beding vernietigd wordt vanwege het oneerlijke karakter op de hierboven en in voornoemd tussenvonnis aangegeven gronden.
4. Gevolg van de oneerlijkheid is dat de hiervoor aangehaalde beding buiten toepassing moet worden gelaten. Op het beding kan dus geen beroep worden gedaan. Omdat sprake is van een oneerlijk beding, kan ook niet worden teruggevallen op een eventuele wettelijke regeling (zie ECLI:EU:C:2021:68).
5. Dit betekent dat de gevorderde huurverhoging niet toewijsbaar is. De aanvangshuurprijs bedroeg volgens de huurovereenkomst een bedrag van € 2.163,23 per maand. De gevorderde huurachterstand bedraagt de maanden november (pro resto) en december 2025. Uit het voor november gevorderde bedrag kan worden afgeleid dat gedaagde voor die maand € 59,41 heeft betaald. Over deze maand is dus nog toewijsbaar een bedrag van € 2.103,82. Over december is € 2.163,23 toewijsbaar. De totaal toewijsbare huurachterstand is daarmee € 4.267,05.
De vordering
6. De vordering komt voorts niet onrechtmatig of ongegrond voor, tenzij hierna iets anders is overwogen.
7. De gevorderde verschenen wettelijke rente is berekend over een huurachterstand die deels niet toewijsbaar is. Er zijn geen aanknopingspunten door eiseres gegeven om tot herberekening over te gaan. De wettelijke rente wordt daarom toegewezen vanaf de dag der dagvaarding.
8. Eiseres heeft verder gevorderd om gedaagde te veroordelen tot betaling van de maandelijkse huurbetalingsverplichting vanaf 1 februari 2026 tot het moment dat de huurovereenkomst komt te eindigen. Deze vordering wordt afgewezen, omdat deze toekomstige huurtermijnen ten tijde van de dagvaarding nog niet opeisbaar waren en verder niet gesteld is op grond waarvan de gevolgen van niet-nakoming reeds in zouden moeten treden voordat de vordering opeisbaar is.

BESLISSING

De kantonrechter:
veroordeelt gedaagde om te betalen aan eiseres € 4.267,05 ter zake van achterstallige huur, berekend tot en met januari 2026, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 4 februari 2026 tot de voldoening;
veroordeelt de gedaagde partij in de kosten van het geding, aan de zijde van de eisende partij tot aan deze uitspraak begroot op: € 153,77 aan explootkosten, € 288,00 aan salaris gemachtigde, € 529,00 aan griffierecht en € 72,00 aan nakosten voor zover van toepassing, inclusief BTW, te vermeerderen met de kosten van betekening, te voldoen binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis;
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.F. Kuiken en in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2026.