ECLI:NL:RBAMS:2026:5072
Rechtbank Amsterdam
- Verstek
- Rechtspraak.nl
Toetsing en vernietiging oneerlijk huurprijswijzigingsbeding in huurovereenkomst
In deze bodemzaak heeft de rechtbank Amsterdam ambtshalve het huurprijswijzigingsbeding uit de algemene voorwaarden van een huurovereenkomst getoetst op oneerlijkheid. Het betrof artikel 6.4, dat wijzigingsmogelijkheden voor kale huur, meubileringskosten en vaste servicekosten regelt. De kantonrechter oordeelde dat dit beding geen onderscheid maakt tussen de verschillende kostenposten en daarmee in strijd is met de dwingendrechtelijke maatstaf van artikel 7:259 BW Pro.
De eisende partij stelde dat het huurprijswijzigingsbeding, inhoudende een CPI + 1% verhoging, niet oneerlijk was. De rechtbank verwees naar een eerdere uitspraak van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2024:1780) waarin een dergelijk beding binnen de grenzen van een eerlijk huurverhogingsbeding valt, maar benadrukte dat dit niet afdoet aan de oneerlijkheid van het specifieke beding in deze zaak. Het beding werd daarom vernietigd en buiten toepassing gelaten.
Als gevolg hiervan werd de gevorderde huurverhoging afgewezen. De rechtbank stelde vast dat de aanvangshuur € 2.163,23 per maand bedroeg en dat de huurachterstand over november en december 2025 in totaal € 4.267,05 bedroeg, rekening houdend met een gedeeltelijke betaling in november. De wettelijke rente werd toegewezen vanaf de dag van dagvaarding. De vordering tot betaling van toekomstige huurtermijnen vanaf februari 2026 werd afgewezen omdat deze nog niet opeisbaar waren.
De gedaagde werd veroordeeld tot betaling van de achterstallige huur met rente en de proceskosten, en de veroordelingen werden uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: Huurprijswijzigingsbeding vernietigd wegens oneerlijkheid; huurachterstand van €4.267,05 met rente toegewezen; toekomstige huurtermijnen afgewezen.