Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:5027

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
19 mei 2026
Publicatiedatum
22 mei 2026
Zaaknummer
778299 FA RK 25-8544
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:1 WvggzArt. 3:2 WvggzArt. 8:9 Wvggz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank vernietigt klachtencommissie-beslissing over overplaatsing naar forensisch psychiatrisch regime

Betrokkene was sinds februari 2025 opgenomen in verschillende klinieken onder een zorgmachtiging vanwege een psychotische stoornis en middelengebruik. Na stabilisatie in een medium care afdeling werd hij overgeplaatst naar een forensisch psychiatrische kliniek (FPK) met een strenger regime, gericht op risicotaxatie en verdere behandeling.

Betrokkene diende klachten in tegen deze overplaatsing, stellende dat deze onrechtmatig was omdat hij geen strafrechtelijke titel had en de opname buitenproportioneel was. De klachtencommissie verklaarde de klacht gegrond en kende een schadevergoeding toe. Arkin, de zorginstelling, ging in beroep tegen deze beslissingen.

De rechtbank oordeelt dat verplichte zorg slechts als ultimum remedium mag worden ingezet en dat de overplaatsing aan de eisen van noodzakelijkheid, proportionaliteit, subsidiariteit en doelmatigheid voldeed. De rechtbank achtte de risicotaxatie in de FPK noodzakelijk vanwege het risico op ernstig nadeel voor betrokkene en derden, mede door zijn psychiatrische en justitiële voorgeschiedenis en middelengebruik.

De rechtbank concludeert dat er geen minder ingrijpende alternatieven beschikbaar waren en dat de overplaatsing passend was. De beroepen van Arkin worden gegrond verklaard en de beslissingen van de klachtencommissie vernietigd.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de beslissingen van de klachtencommissie en verklaart de overplaatsing naar de forensisch psychiatrische kliniek rechtmatig en noodzakelijk.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht Team Familie & Jeugd
zaaknummer / rekestnummer: 778299 / FA RK 25.8544
Beschikking van 19 mei 2026van de rechtbank Amsterdam naar aanleiding van het door Arkin ingediende beroepschrift tegen de beslissing van de Klachtencommissie GGZ Amsterdam en omstreken van 25 september 2025, met kenmerk [nummer 1] , en tegen de beslissing van de Klachtencommissie Amsterdam en omstreken van 28 oktober 2025, met kenmerk [nummer 2] .
Het betreft klager [klager] .

1.Procesverloop

Het procesverloop blijkt uit het verzoekschrift met bijlagen, ingekomen ter griffie op 6 november 2025.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 20 maart 2026, in het gebouw van de rechtbank.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de rechtbank de volgende personen gehoord:
- psychiater, de heer [psychiater 1]
- jurist van Arkin, mevrouw [naam 1]
- klager/betrokkene, de heer [klager]
- advocaat van klager, mr. N.W.A. Dekens.

2.De feiten

2.1
Klager was sinds februari 2025 opgenomen bij Arkin, eerst binnen de Hoog Intensieve Beveiligde Zorg van [locatie 2] (hierna: HIBZ) en daarna in Kliniek [locatie 1] , onderdeel van Mentrum. Klager werd eerst opgenomen met een crisismaatregel en later met een zorgmachtiging.
2.2
Uit de overgelegde medische verklaring van psychiater [psychiater 2] van 22 juli 2025 blijkt -voor zover relevant -het volgende:
a. Datum en tijdstip van het onderzoek van betrokkene: 22-7-2025 11:00u
b. Wat zijn de symptomen die betrokkene vertoont?
Client is zeer beleefd, laat me voorgaan in de spreekkamer, spreekt vriendelijk. Hij vertelt dat hij al 6 maanden met ZM is opgenomen op de High Intensive Care van Mentrum en dat hij geen last heeft van psychische klachten. De begeleiding zou ook vinden dat hij geen behandeling meer nodig heeft op de HIC en hij mag vandaag dan ook over naar de Medium Care (MC). Hij heeft geen psychotische of manische klachten zoals hij zegt. Hij vindt het alleen erg lang duren; de route naar ambulant vindt hij niet nodig. Hij zegt geen drugs meer te zullen gebruiken.
Hij heeft in 2020-2021 wel psychotische problemen doorgemaakt; vlgs client kwam dat puur door de harddrugs (chrystal meth). Hij gebruikt een depot (zuclopentixol) vlgs client in een lage dosering (0.75 ml bij 200 mg/ml per 2 weken; adviesdosering is 1-2 ml, dus 200-400 mg per 2-4 weken) en hij gebruikt de clozapine 50 mg alleen voor het slapen, naast zopiclon 15 mg.
Client vertelt dat hij opgenomen is door de harddrugs en door klachten van de buren. De buren zouden hem het leven zuur hebben gemaakt en hij heeft inmiddels via Woningnet een nieuwe woning geregeld. Die is nu ingericht en gestoffeerd en hij wil daar zsm naar toe. Hij wil gaan werken bij zijn zwager die een maaltijdservice heeft.
In het dossier lees ik dat client duidelijke strrutuur nodig heeft (bv als hij te laat terug is van een verlofmoment dan wordt het 2e verlof die dag ingestrokken); hij gebruikt dagelijks weed, en hij is ook tijdens de afgelopen opname ongeoorloofd afwezig geweest en heeft chrystal med gebruikt, wat hij thuis ook nog heeft liggen.
Hij ontkent de mishandeling waar hij voor in detentie heeft gezeten (9 maanden) en de bedreiging van de ambulant behandelaar die daarbij ook meespeelde vindt hij oneerlijk. Hij kon er niets aan doen want hij had toe een psychose o.i.v. van drugs is zijn mening. Client wordt onvriendelijker als ik hierop doorvraag.
Cl ontkent ook dat hij de vernieling heeft aangericht die aanleiding was voor deze opname; hij zou juist het glas aan het opruimen zijn geweest.
…….
Tot welke (voorlopige) diagnose bent u gekomen?
Psychotische stoornis en stoornis in het gebruik van middelen, nu onder remissie bij gebruik adequate dosering antipsychotica depot en duidelijke gedragsmatige structuur. Er is sprake van impulsieve gedragingen, die ook leiden tot harddrugsgebruik ook al wil hij dit eigenlijk niet; vlgs het zorgplan en dossier is dit in het kader van een persoonlijkheidsstoornis..
……
waaruit bestaat het ernstig nadeel?
Bedreiging, mishandeling als client drugs gebruikt en dan psychotische verschijnselen verergeren. Client kan zo ook gevaar over zichzelf afroepen. En zonder geleidelijk toename van de eigen verantwoordelijkheid loopt client het risico dat hij juist niet het maatschappelijke leven kan opbouwen dat hij graag wil.
2.3
Op 18 augustus 2025 heeft de rechtbank Amsterdam aan klager een zorgmachtiging verleend voor de duur van zes maanden vanwege een psychische stoornis, in de vorm van een psychotische stoornis en een stoornis in het gebruik van middelen, welke leiden tot ernstig nadeel gelegen in levensgevaar, ernstige psychische schade, maatschappelijke teloorgang, de situatie dat betrokkene met hinderlijk gedrag agressie van anderen oproept en/of de situatie dat de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar is.
De rechtbank overweegt in haar beschikking voorts het volgende:
De machtiging wordt onder meer verzocht voor een klinische opname van maximaal vier maanden. Uit het dossier en de mondelinge behandeling blijkt dat het beter gaat met betrokkene. Overplaatsing naar een FPK lijkt daarmee een bijzondere stap omdat daar sprake is van een strenger regime. Uit de toelichting van de psychiater blijkt dat deze stap nodig is omdat het gedrag van betrokkene niet behandeld kan worden in de huidige kliniek. Indien de behandeling in de FPK aanslaat kan contact met het FACT worden opgezet en worden toegewerkt naar ambulante behandeling.
2.4
Uit Hoofdlijnen van behandeling: consult, bespreking overplaatsing 21-08-2025
[naam 2] , [naam 4] (Pinke Roccade HealthCare) samen met psychiater [psychiater 3] blijkt het volgende:
Pt gesproken over aanstaande overplaatsing morgen:
Uitleg over afdeling en VH: initieel individuele afdeling geen vrijheden, daarna wordt samen met hem gekeken wat een passen plan voor hem is (wrs groepsafdeling) en kan gestart worden met opbouw vrijheden.
Geeft aan het er niet mee eens te zijn. Vraagt zich af hoe dat dan zit met zijn werk wat hij wil gaan starten (gaf eerder aan al gestart te zijn).
M.b.t. opnieuw bij [naam 3] gesignaleerd; hij mag zelf weten wat hij doet en waar hij in de buurt hangt. Hij doet toch niks kwaad. Politie bemoeit zich met hem vanwege een waan die niet bestaat. Vinden het leuk om hem te volgen.
Noemt hij geen stemmingsstoornis heeft maar gewoon ‘gek’ is.
Heeft de schok van de overplaatsing al verwerkt na maandag. Geeft toe gebruikt te hebben.
2.5.
Op 22 augustus 2025, vier dagen ná de beschikking van de rechtbank Amsterdam is klager overgeplaatst van Kliniek [locatie 1] naar de FPK [locatie 2] . Deze opname in de accommodatie is middels een artikel 8:9 Wvggz Pro-brief aangezegd.
Daarbij wordt aangekruist dat betrokkene wilsonbekwaam is en wordt expliciet opgenomen dat de bewegingsvrijheid wordt beperkt omdat betrokkene regelmatig geen controle over zijn gedrag heeft, mogelijk door manie.
Onderzoek aan kleding of lichaam wordt opgelegd omdat betrokkene bekend is met drugsgebruik en het smokkelen van middelen op de afdeling, waarbij drugsgebruik in een verslechtering van betrokkene ’s situatie zou resulteren, smokkelen van middelen verboden is en nadat betrokkene zelfstandig naar buiten is geweest, of bij een vermoeden van smokkelen het nodig is dat onderzocht wordt of betrokkene verboden middelen bij zich draagt. Ook het uitvoeren van controles op de aanwezigheid van gedrag-beïnvloedende middelen is daarom nodig. Daarnaast wordt beschreven dat betrokkene op dat moment geen controle heeft over zijn gedrag, mogelijk door manie, waardoor voortzetting van de verplichte opname nodig is.
In het Beloop Doelgericht Rapporteren van 22 augustus 2025 komt -zover hier van belang- naar voren dat betrokkene aangeeft die week cannabis en crystal meth te hebben gebruikt, waarbij later naar aanleiding van een UC een positieve uitslag gezien wordt op MCAT 300, Cannabis & AMP.
2.6
Bij brief van 1 september 2025 wordt de beslissing van de geneesheer-directeur verstuurd ten aanzien van de wijziging van zorgverantwoordelijke, naar Arkin, [locatie 2] – afdeling FPK per 22 augustus 2025. In de brief staat -voor zover hier relevant- vervolgens als reden voor de overplaatsing binnen Arkin:
Reden is dat een klinische behandeling met een forensische insteek/expertise het beste aansluit bij uw problematiek, waarbij zowel aandacht is voor risico-gestuurde zorg als toewerken naar herstel.
2.7
Op 12 september 2025 dient betrokkene een klacht in waarin klager aangeeft het oneens te zijn met de overplaatsing naar de FPK want hij zat op de medium care afdeling van kliniek de [locatie 1] en was al aan het toewerken naar uitstromen met een gestabiliseerd toestandsbeeld, waarbij hij de hele dag naar buiten mocht en een nieuwe baan gevonden had, terwijl hij in de FPK in het geheel geen vrijheden meer heeft, aangeeft geen behandeling te hebben en zijn verblijf doelloos vindt. Daarbij merkt hij op een zorgmachtiging te hebben en geen strafrechtelijke titel.
2.8
De klachtencommissie heeft bij beslissing [nummer 1] , verzonden op 1 oktober 2025, voor zover relevant geoordeeld:
…..
Welke criteria gelden bij de beoordeling?
5.1
De Commissie stelt voorop dat één van de uitgangspunten van de Wvggz is dat verplichte zorg slechts als ultimum remedium mag worden ingezet. Dit betekent dat eerst alle mogelijkheden voor het bieden van vrijwillige zorg volledig moeten zijn benut. Indien sprake is van verzet van een patiënt tegen zorg, kan op grond van een crisismaatregel, een machtiging tot voortzetting daarvan, of een zorgmachtiging niettemin verplichte zorg worden toegepast, mits aan de wettelijke voorwaarden is voldaan. Verplichte zorg is slechts toelaatbaar indien aannemelijk is dat – kort gezegd – het gedrag van betrokkene, als gevolg van diens psychische stoornis, leidt tot ernstig nadeel. Daarnaast dient de toegepaste vorm van zorg doelmatig te zijn en in verhouding te staan tot het daarmee beoogde doel. Voorts geldt dat geen minder bezwarend alternatief voorhanden mag zijn waarmee datzelfde doel kan worden bereikt….
….
(uit 5.3)
Hoewel de Commissie uit te stukken en uit hetgeen tijdens de hoorzitting is opgemerkt heeft begrepen dat de psychische stoornis in remissie is, betekent dit nog niet dat er dan ook geen sprake meer is van een psychotische stoornis. Bovendien zijn er geen stukken voorhanden waaruit het tegendeel blijkt. Ook de rechtbank is bij het afgeven van de zorgmachtiging op 18 augustus van deze diagnose uitgegaan. De Commissie gaat daarom bij de verdere beoordeling uit van deze vastgestelde stoornis. …….
(uit 5.6)….
Ter zitting heeft de klinisch psycholoog desgevraagd toegelicht dat de plaatsing van klager in de FPK [locatie 2] verband houdt met het feit dat klager hoog ingeschat wordt op de kans op delictgedrag. Zij stelt dat zij als klinisch psycholoog enkel de opdracht had gekregen om een risicotaxatie bij klager uit te voeren, en zij derhalve niet op elke (medische) vraag antwoord kan geven. Zij heeft begrepen dat eerdere incidenten, alsmede signalen afkomstig van de [beveiligingsdienst] en een politiedienst, aanleiding hebben gegeven te concluderen dat bij klager sprake is van een verhoogd risico op delictgedrag.De klinisch psycholoog stelt desgevraagd dat er in Kliniek [locatie 1] discussie is geweest of en hoe klager verder behandeld moet worden. Omdat de behandeling in Kliniek [locatie 1] was afgerond en de psychische stoornis van klager in rustiger vaarwater kwam, konden de behandelaars aldaar niets meer voor hem betekenen. Zij concludeerden dat het gedrag van klager het beste behandeld kon worden door middel van gedragstherapeutische interventie, welke niet geboden wordt in Kliniek [locatie 1] . Binnen dit kader zijn diverse opties besproken. Het ambulante GGZ-team vond zich niet het juiste team om klager te behandelen, en ook de toegang tot de Kliniek voor Intensieve Behandeling (KIB) werd geweigerd omdat daar geen indicatie voor aanwezig was. Omdat de FPK [locatie 2] een behandeling biedt voor delictgedrag en er vrees bestaat dat klager daadwerkelijk een (maatschappelijk) delict zou kunnen plegen, werd gedacht dat klager het beste naar de FPK [locatie 2] overgeplaatst kon worden. De klinisch psycholoog benadrukt dat sprake is van een bijzondere situatie, die zij nauwelijks tegenkomt, nu een risicotaxatie normaal gesproken plaatsvindt met een veroordeling als uitgangspunt. Voorts legt de klinisch psycholoog desgevraagd uit hoe een risicotaxatie in zijn werk gaat, en stelt dat het onderzoeken van eventuele psychische problematiek één van de acht factoren is van een dergelijke analyse. Zij vervolgt en stelt dat een risicotaxatie ook ambulant kan plaatsvinden, maar dat dit in de praktijk minder wenselijk is, omdat de kans bestaat dat klager in een psychotische ontregeling belandt en mogelijk drugs gaat gebruiken, hetgeen de kans op delictgedrag zou kunnen vergroten. Op de vraag of er tijdens de opname van klager in Kliniek [locatie 1] (acute) zorgen waren dat klager mogelijk een delict zou kunnen gaan plegen, antwoordt de klinisch psycholoog ontkennend. Zij legt uit dat zij heeft begrepen dat klager al langere tijd psychiatrisch stabiel is. Zij heeft in dat kader begrepen dat de behandelaar in Kliniek [locatie 1] bij het besluit tot overplaatsing van klager naar de FPK [locatie 2] dan ook ambivalente gevoelens heeft ervaren omdat klager aanvankelijk zicht had op uitstroom uit de kliniek en ambulante zorg.
…….
(uit 5.9)
De Commissie leidt uit de stukken en het verhandelde ter zitting af dat de aanleiding voor de overplaatsing van klager naar de FPK gelegen was in een vermoeden dat klager bewust [naam 3] is gaan opzoeken in de openbare ruimte. Naar aanleiding hiervan zou de [beveiligingsdienst] haar zorgen hebben geuit. Op basis van deze melding is besloten om klager, die op dat moment in kliniek [locatie 1] verbleef en zicht had op ontslag dan wel een ambulante behandeling, over te plaatsen naar de FPK teneinde geen behandeling maar een risicoanalyse uit te voeren binnen een forensisch kader.
Klager heeft ter zitting verklaard dat hij [naam 3] niet bewust is gaan opzoeken, en dat hij, toen hij zich bewust werd van het feit dat hij in haar buurt was, direct is vertrokken. De Commissie stelt vast dat hierover geen objectieve gegevens in het dossier aanwezig zijn die dit vermoeden weerspreken dan wel bevestigen. Daarbij neemt de Commissie tevens in aanmerking dat er in dit kader geen strafrechtelijk onderzoek is gestart naar klager, er geen aangifte loopt tegen klager en evenmin sprake is van een relevante strafrechtelijke veroordeling van klager. De Commissie heeft daarnaast ter zitting van de klinisch psycholoog begrepen dat bij klager geen sprake is van zodanig ernstig nadeel op grond waarvan een persoon normaal gesproken zou worden opgenomen in de FPK. Tevens is gebleken dat, gedurende de opname in kliniek [locatie 1] , geen redelijk vermoeden bestond dat klager een strafbaar feit zou begaan. Uit het dossier blijkt bovendien dat klager psychiatrisch stabiel is. Tot slot wijst de Commissie erop dat, conform de opnamecriteria van de FPK, in het geval de strafrechtelijke opnametitel ontbreekt, sprake moet zijn van dusdanig grensoverschrijdend gedrag dat klinische beveiliging noodzakelijk maakt.
Alles bijeengenomen is de Commissie er niet van overtuigd dat de situatie van klager van dien aard is dat dat noopt(e) tot overplaatsing naar de FPK. Gelet op het voorgaande is de Commissie van oordeel dat niet is voldaan aan het vereiste van ernstig nadeel als bedoeld in de Wvggz. In dit kader overweegt de Commissie dat, zelfs al zou sprake zijn van ernstig nadeel, de overplaatsing naar de FPK buitenproportioneel moet worden geacht omdat uit de stukken en het verhandelde ter zitting volgt dat een minder ingrijpend alternatief – te weten de Forensisch Ambulante Zorg (FAZ) - een beschikbare optie bleek te zijn. Daarmee voldoet de overplaatsing naar de FPK evenmin aan het subsidiariteitsbeginsel zoals bedoeld in de Wvggz. Daarenboven merkt de Commissie op dat het uitvoeren van een risicoanalyse, zoals aangegeven door de zorgaanbieder, in de setting van de FPK, geen doel op zichzelf vormt in het kader van de Wvggz. De Wvggz neemt de behandeling van een stoornis immers tot uitgangspunt.
……..
De Commissie verklaart de klacht gegrond en vernietigt de beslissing van de geneesheer-directeur.
2.7.
Schriftelijke beslissing klachtcommissie [nummer 2] , verzonden op 28 oktober 2025, voor zover relevant:
De Commissie:
  • Wijst toe het verzoek van klager tot schadevergoeding ten laste van de zorgaanbieder ten bedrage van €4.100,00,-- ; en
  • wijst af het meer of anders verzochte.

3.Het beroep van Arkin

3.1
Het beroep van Arkin richt zich tegen de gegrondverklaring van de klacht van klager ten aanzien van de beslissing tot overplaatsing naar de Forensisch Psychiatrisch Kliniek van [locatie 2] (hierna: de FPK [locatie 2] ) en de toegekende schadevergoeding als reactie op het schadevergoedingsverzoek.
3.2
Ter onderbouwing van het beroep wordt aangegeven dat Stichting Arkin een aanbieder is voor specialistische geestelijke gezondheidszorg, bestaande uit verschillende specialismen, waaronder Mentrum (gespecialiseerd in acute en chronische psychiatrie) en [locatie 2] . [locatie 2] is (gespecialiseerd in forensische psychiatrie).
Enige tijd na de opname sinds februari 2025, eerst binnen de Hoog Intensieve Beveiligde Zorg van [locatie 2] (hierna: HIBZ) en daarna in Kliniek [locatie 1] , onderdeel van Mentrum was de behandeling van betrokkene gericht op stabiliseren van het ziektebeeld.
Op 22 augustus 2025, vier dagen ná de beschikking van de rechtbank Amsterdam (waarin zij oordeelt dat sprake is van ernstig nadeel) is klager overgeplaatst van Kliniek [locatie 1] naar de FPK [locatie 2] .
3.3
Op 12 september 2025 dient klager een klacht in bij de klachtencommissie over het besluit tot overplaatsing naar de FPK [locatie 2] . Op 15 september 2025 heeft de psychiater van klager hiertegen een verweerschrift ingediend. Op 22 september 2025 heeft een klachtzitting plaatsgevonden en op 1 oktober 2025 heeft Arkin de schriftelijke beslissing van de klachtencommissie ontvangen.
Voorgelegd wordt dat de klachtencommissie de klacht gegrond acht. De klachtencommissie oordeelt kortgezegd dat:
a. niet is voldaan aan het vereiste van ernstig nadeel in de zin van de Wvggz;
b. de overplaatsing buitenproportioneel moet worden geacht omdat een minder ingrijpend alternatief, te weten de Forensisch Ambulante Zorg (FAZ), een beschikbare optie zou zijn.
c. het uitvoeren van een risicoanalyse geen doel op zichzelf vormt in het kader van de Wvggz omdat de Wvggz de behandeling van een stoornis tot uitgangspunt neemt.
3.4
Arkin meent dat de beslissing om klager over te plaatsen naar de FPK [locatie 2] op goede gronden is genomen en in overeenstemming is met de Wvggz. Arkin kan zich dan ook niet vinden in de overwegingen en conclusies van de klachtencommissie.
3.5
De klachtencommissie komt, naar de mening van Arkin, ten onrechte tot het oordeel dat niet voldaan is aan het vereiste van ernstig nadeel in de zin van de Wvggz en dat een behandeling bij de FAZ een beschikbare optie zou zijn. Arkin meent dat er voldoende redenen waren om klager over te plaatsen en de klinische behandeling binnen de FPK [locatie 2] voort te zetten, dat er sprake was van ernstig nadeel in de zin van de Wvggz en dat er geen minder ingrijpende opties voorhanden waren.
3.6
Arkin voert daartoe aan dat betrokkene een 32-jarige Palestijnse man is met een uitgebreide psychiatrische en justitiële (strafrechtelijke) voorgeschiedenis. Bij betrokkene is sprake van een schizoaffectieve stoornis, persoonlijkheidspathologie, in de vorm van een ongespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met narcistische, antisociale en borderline trekken en verslavingspathologie in de vorm van een ernstige stoornis in het gebruik van crystal meth en cannabis.
Uit het gedrag van betrokkene als gevolg van zijn psychische stoornis vloeit (dreigend) ernstig nadeel voort in de vorm van een risico op fysieke schade bij anderen. Daarnaast loopt betrokkene het risico gevaar over zichzelf af te roepen en niet het maatschappelijke leven te kunnen opbouwen dat hij graag wil. In de beslissing tot verplichte zorg van 22 augustus 2025 is het ernstig nadeel als volgt beschreven: ”
U heeft geen controle over uw gedrag, dit komt mogelijk door manie. Hierbij kunt u eufoor zijn en uzelf overschatten. Op momenten bent u prikkelbaar en agressief, dit neemt toe als u drugs gebruikt. Dit is een risico voor uw veiligheid en die van anderen. Tevens verstoort u hiermee uw eigen ontwikkeling en terugkeer naar uw woning.”
In 2019 is voor het eerst contact met de crisisdienst en de politie na een bedreiging en in 2020 is betrokkene voor het eerst ambulant in behandeling bij het Forensisch FACT (hierna: Forfact) van Arkin. Het Forfact biedt intensieve, ambulante zorg aan cliënten met psychische problemen en strafbaar gedrag. Behandeling bij het Forfact is erop gericht om nieuw delictgedrag te voorkomen en wordt vormgegeven op basis van de diagnose van de psychiatrische problematiek en op de risicoanalyse van het delictgedrag. Het Forfact is een onderdeel van het aanbod van de FAZ van [locatie 2] . In 2021 wordt klager aangemeld bij Forfact wegens stalking, opzettelijke belediging en opzettelijke belediging van een ambtenaar in functie.
De ambulante behandeling van betrokkene bij het Forfact verloopt wisselvallig en moeizaam wegens verschillende opnames, drugsgebruik en strafbare feiten. Doordat betrokkene de afspraken met het Forfact slecht nakomt, lukt het bovendien niet om hem goed in te stellen op antipsychotica. Er wordt een toename aan agressie waargenomen in de richting van zijn hulpverleners. Betrokkene bedreigt zijn bewindvoerder, waarna de bewindvoering stop wordt gezet en wordt overgedragen aan een ander kantoor. Tevens uit betrokkene forse bedreigingen in de richting van een hulpverlener bij het Forfact. Daarnaast wordt betrokkene opgepakt wegens opruiing bij [locatie 4] en later blijkt dat hij gedurende de behandeling een bejaarde man op straat heeft mishandeld. Vanwege de aangiftes heeft betrokkene in 2024 in hechtenis in PI [locatie 3] gezeten. Vanwege de aanhoudende hechtenis, het moeizame samenwerken en het onduidelijke psychiatrische beeld komt het Forfact tot de conclusie dat zij betrokkene ambulant onvoldoende zorg kunnen bieden. Het Forfact stopt de behandeling en adviseert een klinische setting om duidelijke diagnostiek uit te voeren en te werken aan de verslavingsproblematiek.
3.9
Na de hechtenis in PI [locatie 3] wordt betrokkene zonder ambulant kader en zonder medicatie in vrijheid gesteld. In februari 2025 komt klager weer in beeld bij Arkin na een melding van de buren bij de politie in verband met dreigend gedrag en het vernielen van de woning. Omdat klager bekend is met agressief gedrag tijdens eerdere opnames wordt hij met een crisismaatregel gedwongen opgenomen in HIBZ [locatie 2] om daar ingesteld te worden op medicatie. Op dat moment was sprake van een psychotische decompensatie bij de eerder gediagnosticeerde schizofreniespectrumstoornis. Vervolgens werd betrokkene met een zorgmachtiging verder behandeld in Kliniek [locatie 1] . De opname in Kliniek [locatie 1] was gericht op verdere stabilisatie en bekijken of er behandeltechnisch dan wel gedragstechnisch resultaten te behalen zijn, aangezien de afgelopen jaren weinig verbetering was bereikt. Daartoe zijn in Kliniek [locatie 1] mogelijkheden verkend voor passende vervolgzorg in de vorm van forensische zorg.
3.1
Wat betreft de relevante forensische achtergrond van betrokkene het volgende. Klager heeft een lang strafblad en komt in 2008 voor het eerst in beeld bij justitie. Hij is in het verleden veroordeeld voor mishandelingen en bedreiging. In 2024 heeft betrokkene in preventieve hechtenis gezeten wegens verdenking van een dreiging met een terroristisch oogmerk. Daarnaast werd betrokkene verdacht van mishandeling van een bejaarde man en bedreiging van zijn behandelaar van [locatie 2] , waarvoor betrokkene is veroordeeld. Op 31 december 2024 heeft de rechtbank Amsterdam betrokkene vrijgesproken van de dreiging met een terroristisch misdrijf. Het OM is hiertegen in beroep gegaan, deze zaak loopt nog, aldus Arkin.
3.11
Naast deze strafzaak zijn er zorgen rondom een fixatie van betrokkene op [naam 3] . Deze zorgen zijn zo ernstig dat betrokkene wordt gevolgd door de [beveiligingsdienst] ( [beveiligingsdienst] ) ter bescherming van de veiligheid van [naam 3] . Gebleken is dat betrokkene af en toe bij [naam 3] voor de deur staat en hij brieven aan haar heeft geschreven waarvoor in het kader van stalking een stopgesprek plaats heeft gevonden bij de politie.
3.12
Tevens spelen er zorgen omtrent het extremistische gedachtengoed van betrokkene. Betrokkene is bekend bij het Actiecentrum Veiligheid en Zorg en wordt gevolgd door een regisseur radicalisering. Hij wordt ervan verdacht dat hij op [datum] 2024 in PI [locatie 3] een Joodse medegedetineerde heeft mishandeld waarbij hij hem meerdere keren op het hoofd en in het gezicht zou hebben geslagen als gevolg waarvan het slachtoffer twee onderste voortanden mist. De medegedetineerde heeft hiervan aangifte gedaan bij de politie en in afwachting van deze rechtszaak dient betrokkene zich thans twee keer per week te melden bij de politie.
3.13
In augustus 2025 is de zorgverantwoordelijke van betrokkene gebeld door de geneesheer-directeur van Arkin met de mededeling dat Arkin is gebeld door betrokken instanties dat betrokkene zich tijdens zijn verlof ophoudt in de buurt van het huis van [naam 3] . In gesprek hierover verklaart betrokkene dat hij zelf mag weten wat hij doet en waar hij in de buurt hangt omdat hij toch niks kwaad doet. betrokkene zegt dat de politie zich met hem bemoeit vanwege een waan die niet bestaat, zij vinden het leuk om hem te volgen.
3.14
Dat er serieuze zorgen zijn rondom het forensisch profiel van betrokkene blijkt daarnaast uit het feit dat er strakke afspraken zijn gemaakt in het geval van ongeoorloofde afwezigheid. Direct dienen de politie, de officier van justitie, de piketdienst van Team Dreigingsmanagement en de betrokken regisseur radicalisering geïnformeerd worden dat sprake is van een urgente vermissing. Het verschil met een melding van een reguliere vermissing is dat de politie direct in actie komt bij een melding van een urgente vermissing. Bij klager was deze afspraak noodzakelijk gezien een reëel risico op agressie en klager bij Actiecentrum Veiligheid en Zorg bekend is met forse agressie, mishandeling, stalking van leden van het koningshuis en extremistisch gedrag.
3.15
Ín Kliniek [locatie 1] is na stabilisatie gekeken naar een passende vervolgplek voor klager. Omdat de ambulante behandeling bij het Forfact niet goed van de grond is gekomen, in combinatie met de forensische zorgen, stelt het Forfact de voorwaarde dat eerst klinisch wordt onderzocht welk risicoprofiel en bijpassende behandeling aansluit bij klager alvorens zij klager weer ambulant kunnen behandelen.
3.16
Goede forensische diagnostiek is noodzakelijk om betrokkene goed te kunnen begeleiden en de juiste zorg te kunnen bieden. Het forensisch profiel van betrokkene vraagt om risico-gestuurde zorg dan wel forensische zorg gezien alle gedragingen en problematiek in zijn voorgeschiedenis die heden nog steeds relevant zijn. Vanwege zijn gebruik van middelen is het uitvoeren van dergelijke diagnostiek in ambulante setting onhaalbaar. Bovendien is bij betrokkene sprake van oordeels- en kritiekstoornissen en van afwezigheid van ziektebesef en -inzicht: ondanks detentie en duidelijk gestructureerde opname in Kliniek [locatie 1] heeft betrokkene geen inzicht dat hij nog risico loopt bij het gebruik van drugs op psychotische verschijnselen en daarmee agressie en disfunctioneren. Een opname in een klinische setting om een risicoanalyse uit te voeren was dan ook noodzakelijk, aldus Arkin nog steeds.
3.17
Voor de plaatsing in FPK [locatie 2] is de NIFP rapportage geraadpleegd die op 20 november 2024 is opgesteld ten behoeve van de strafzaak tegen betrokkene. Mede op grond van deze rapportage is besloten dat een forensische behandeling in de FPK [locatie 2] het beste bij de problematiek van klager past. Op 22 augustus 2025 wordt klager overgeplaatst naar FPK [locatie 2] (waar hij zich overigens onder invloed van middelen meldt nadat hij in Kliniek [locatie 1] niet terugkeert na een rookpauze).
3.18
Op basis van bovenstaande meent Arkin dat er voldoende redenen zijn om te concluderen dat er sprake was van (dreigend) ernstig nadeel in de zin van de Wvggz. Ook meent Arkin dat er geen minder ingrijpende mogelijkheden waren om het (dreigend) ernstig nadeel af te wenden.
3.19
De klachtencommissie komt, naar de mening van Arkin, ten onrechte tot het oordeel dat het uitvoeren van een risicoanalyse geen doel op zichzelf vormt in het kader van de Wvggz omdat de Wvggz de behandeling van een stoornis tot uitgangspunt neemt. Niet valt in te zien waarom het uitvoeren van een risicoanalyse geen onderdeel is van het behandelen van een stoornis. Gelet op de specifieke situatie van betrokkene is er sprake van een psychiatrische stoornis en tevens risico op strafbare feiten. In zo een geval is het uitvoeren van een risicoanalyse juist geïndiceerd om concreet te kunnen vaststellen welke behandelinterventies aansluiten bij het forensische profiel.
3.2
De Wvggz gaat uit van zorg. Zorg kan volgens artikel 3:2 Wvggz Pro bestaan uit bejegening, verzorging, behandeling, begeleiding, bescherming, beveiliging en verplichte zorg. Als onderdelen van forensisch klinische zorg worden volgens de GGZ Standaard Forensisch klinische zorg aangemerkt: diagnostiek, risicotaxatie, behandeling en resocialisatie, uitstroom en nazorg. De overplaatsing van betrokkene naar de FPK [locatie 2] was erop gericht om deze stappen van forensisch klinische zorg te doorlopen, met een focus op het uitvoeren van een risicotaxatie die essentieel is voor de verdere behandeling. Naar de mening van Arkin vallen alle relevante onderdelen van een risicoanalyse dan ook onder het begrip zorg zoals is vastgelegd in de Wvggz.
3.21
Arkin voert aan dat ambulante risocoanalyse mogelijk is, maar dit niet voor de hand ligt gelet op de slechte samenwerking met betrokkene en een ernstige stoornis in het gebruik van crystal meth en cannabis. Er is sprake van een langer patroon waaruit blijkt dat het niet goed gaat met klager in ambulante setting. Om het ernstig nadeel af te wenden en de geestelijke gezondheid van betrokkene dusdanig te behandelen dat hij zijn autonomie zoveel mogelijk herwint, heeft betrokkene zorg nodig.
3.22
Gebleken is dat betrokkene niet openstaat voor een vrijwillige opname in de FPK [locatie 2] om goede diagnostiek en risicoanalyse te kunnen uitvoeren, terwijl dit gelet op de slechte samenwerking met betrokkene en zijn drugsgebruik niet in ambulante setting kan plaatsvinden. Een klinische opname is derhalve noodzakelijk.
3.23
Arkin meent op grond van bovenstaande dat voldaan is aan de criteria voor en doelen van verplichte zorg zoals bedoeld in de Wvggz en verzoekt de rechtbank om de klacht van klager alsnog ongegrond te verklaren en het verzoek tot schadevergoeding af te wijzen.

4.De klager

4.1
Betrokkene voert aan dat hij opgenomen is op basis van een zorgmachtiging, en niet op basis van een strafrechtelijke titel. Betrokkene stelt dat een strafrechtelijke titel benodigd is voor een opname in de FPK [locatie 2] , waardoor zijn opname in de FPK onrechtmatig is. Volgens betrokkene is een risicotaxatie op recidive in delictgedrag, die bij hem in de FPK [locatie 2] bij hem uitgevoerd wordt, doelloos.
Betrokkene heeft vorig jaar wel in preventieve hechtenis gezeten omdat hij verdacht werd van dreiging met een terroristisch oogmerk, maar daarvoor is hij vrijgesproken. Betrokkene meent dat de [beveiligingsdienst] ( [beveiligingsdienst] ), ondanks de vrijspraak, de opdrachtgever is voor zijn opname in de FPK [locatie 2] , omdat zij hem van straat willen houden uit vrees voor mogelijk delictgedrag. De gebeurtenis op grond waarvan hij zou zijn opgenomen in de FPK [locatie 2] , heeft niet zo plaatsgevonden als wordt beweerd door de beveiligers van de [beveiligingsdienst] . De [beveiligingsdienst] meent, zo volgt summierlijk uit het verweerschrift van de zorgaanbieder, dat betrokkene [naam 3] (weer) zou hebben opgezocht, maar dat is volgens klager onjuist. Betrokkene woont in [plaats] niet ver verwijderd van het verblijfadres van [naam 3] . Deze toevallige omstandigheid maakt volgens betrokkene dat hij door de [beveiligingsdienst] steeds in de buurt van [naam 3] wordt gesignaleerd. Betrokkene verklaart stellig dat hij direct en uit zichzelf is vertrokken op de momenten dat hij doorhad dat [naam 3] in de buurt was en geenszins kwade intenties had in de richting van [naam 3] .
4.2
Daarnaast stelt betrokkene tijdens de mondelinge behandeling dat de eerder vastgestelde diagnose van een floride psychotisch toestandsbeeld met geen ziektebesef en -inzicht, op grond waarvan hij is opgenomen onder de zorgmachtiging, niet (meer) klopt en voert hij aan dat zijn behandelaar in de FPK [locatie 2] dat ook in twijfel heeft getrokken dan wel meent dat hier geen sprake van is. Bovendien is betrokkene van mening dat de opname in de FPK [locatie 2] , waar een streng regime heerst, buitenproportioneel is omdat een dergelijke risicoanalyse ook ambulant kan plaatsvinden. Betrokkene vindt zijn verblijf in de FPK [locatie 2] nutteloos, omdat hij zegt geen behandeling te krijgen en ook geen vrijheden krijgt, terwijl hij tijdens zijn opname in Kliniek [locatie 1] al aan het toewerken was naar ambulante zorg, omdat zijn toestandsbeeld al geruime tijd stabiel is. Vrijheden waren daar al volledig opgebouwd, en hij was hij bezig om zijn leven buiten de kliniek weer op te pakken; hij had namelijk al een nieuw huis en een nieuwe baan gevonden. Klager betreurt het dan ook heel erg dat zijn zicht op ontslag door de opname in de FPK [locatie 2] enorm vertraagd wordt.
4.3
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat medegedeeld dat betrokkene ten tijde van de zitting in het kader van een zorgmachtiging vrijheden had en dat hij zelfstandig naar buiten mocht. Betrokkene was aan de herstellende hand. Het effectueren van de overplaatsing naar de FPK [locatie 2] was in dat opzicht bijzonder en om die reden is tegen de overplaatsingsbeslissing geklaagd. De klachtencommissie heeft die klacht volgens de advocaat terecht gegrond verklaard. De toegepaste vorm van zorg moet doelmatig zijn en in verhouding tot het beoogde doel.
4.4
De advocaat voert aan dat het niet uit te leggen is dat de behandeling in Kliniek [locatie 1] was afgerond, de psychische stoornis van betrokkene in rustiger vaarwater kwam, dat de behandelaars aldaar niets voor hem konden betekenen en dat betrokkene vervolgens werd overgeplaatst naar de FPK [locatie 2] , zonder vrijheid en niet of nauwelijks behandeling, maar wel voor een risicotaxatie zonder strafrechtelijke titel.
4.5
Aangevoerd wordt dat betrokkene is vrijgesproken van het bedreigen van [naam 3] met een terroristisch oogmerk. In de tijd dat hij langdurig in voorarrest verbleef en men poogde een tbs met dwangverpleging te realiseren, is er geen nieuwe zorgmachtiging voor hem aangevraagd. Een machtiging die hij langdurig heeft gehad. Toen hij werd vrijgesproken stond hij letterlijk van de ene op de andere dag zonder Wvggz vangnet, zonder ambulant kader, op straat. En daardoor heeft hij in medische zin kunnen afglijden. Die situatie had voorkomen kunnen worden, aldus de advocaat.
Het gevolg was ingrijpend met eerst een crisismaatregel, gevolgd door een zorgmachtiging, kortom een langdurige opname, welke volgens de advocaat voorkomen had moeten en kunnen worden, als men tijdig een nieuwe zorgmachtiging (als vangnet) had voorbereid en aangevraagd.
4.6
Gedurende die gedwongen opname in het kader van de zorgmachtiging, is betrokkene alsnog in een tbs light regime geperst omdat, zo geeft de advocaat aan, er in Kliniek [locatie 1] geen behandeling meer zou kunnen volgen, er geen indicatie voor een KIB volgde, er ambulant niemand beschikbaar was en men delict gedrag vreesde; betrokkene moest naar de FPK [locatie 2] voor de behandeling van delict gedrag, terwijl hij al langere tijd psychiatrisch stabiel was en zicht had op uitstroom naar ambulante zorg.
.
4.7
De advocaat betwist dat er sprake is van een (dreigend) ernstig nadeel dat een behandeling en overplaatsing naar de FPK [locatie 2] zou rechtvaardigen, of medisch noodzakelijk zou maken. Er was geen enkel concreet aanknopingspunt om ook maar te vermoeden dat betrokkene een strafbaar feit zou gaan plegen. Er was nog geen begin van een verdenking. Niet algemeen, niet specifiek in de richting van [naam 3] . De omstandigheden in het beroepschrift van Arkin worden op geen enkele wijze ondersteund. Niet door de politie, niet door de [beveiligingsdienst] . De omstandigheden die worden aangehaald waren allemaal bekend bij de rechtbank in de strafzaak. Betrokkene is vrijgesproken van bedreiging met terroristisch oogmerk. Er was geen sprake van een dreiging. Daarom volgde vrijspraak van dat feit.
4.8
Zorgen rondom extremistisch gedachtengoed en radicalisering worden ook nu niet hard gemaakt. Dat een medegedetineerde wordt mishandeld, toevallig ook Joods blijkt te zijn, zegt helemaal niets over de achtergrond van die mishandeling. En in hoeverre het Joods zijn daar ook maar enige rol in heeft gehad. Betrokkene loopt al tijden in een schorsing van zijn voorarrest en komt de afspraken in het kader van zijn schorsing na. Als er sprake zou zijn van enig vermoeden van een terroristisch oogmerk bij die verdenking, had de RC hem niet geschorst bij de inbewaringstelling. Deze zaak loopt nog bij de rechtbank. Betrokkene meldt zich conform de afspraken bij de politie (deze afspraken zijn recentelijk zelfs iets versoepeld, op verzoek van de officier van justitie die dat verzoek bij de RC heeft neergelegd).
4.9
Arkin haalt deze omstandigheden allemaal in het beroepschrift aan om opnieuw te trachten te rechtvaardigen dat klager vanuit een behandelpositie met vrijheden en verloven, met zicht op ontslag, over te plaatsen naar een veel strenger regime, met intrekking van vrijheden. Om alsnog forensische diagnostiek (risicotaxatie) af te dwingen in een gesloten setting. Aangevoerd wordt dat de rechtbank die de strafzaak behandelde ook beschikte over de NIFP-rapportage, betrokkene vrijsprak en voor de beperkte veroordeling, die wel volgde geen behandeling oplegde, maar hem in vrijheid stelde.
4.1
Aangevoerd wordt dat als betrokkene in juli/augustus 2025 volgens de behandelaren/geneesheer-directeur vanuit een stoornis gevaarlijk gedrag vertoont, het toch niet zo kan zijn dat hij onder de lopende zorgmachtiging überhaupt vrijheden geniet en zonder begeleiding naar buiten mag. Betrokkene had tijdens verlofmomenten een andere woning geregeld (buiten [plaats] ) en werk. Hij was bezig met het opbouwen van zijn bestaan na detentie en opname. Gesteld wordt dat de situatie waar klager slachtoffer van is geworden, onrechtmatig is, buitenproportioneel, onzorgvuldig en in strijd met de belangen van klager. Er is niet gehandeld in lijn met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Klager verbleef onterecht 41 dagen in de FPK [locatie 2] . Het bedrag dat is toegewezen aan schadevergoeding is daarom niet meer dan redelijk.
4.11
Het beroep tegen beide beslissingen van de klachtencommissie dient daarom volgens de advocaat te worden afgewezen.

5.Beoordeling

5.1
De rechtbank zal in dit uitzonderlijke geval de beroepen gegrond verklaren en de beslissingen van de klachtencommissie vernietigen en komt daartoe op grond van het volgende.
5.2
De rechtbank moet beoordelen of Arkin als onderdeel van de behandeling, verplichte zorg in de vorm van een overplaatsing van betrokkene naar de FPK – met als doel het uitvoeren van een risicoanalyse – heeft mogen inzetten. Bij de beantwoording van deze vraag zijn de algemene uitgangspunten en de eisen van artikel 2:1 Wvggz Pro van toepassing. Dat betekent dat inzet van verplichte zorg moet voldoen aan de eisen van noodzakelijkheid, proportionaliteit, subsidiariteit en doelmatigheid. Dat wil zeggen dat de minst ingrijpende vorm van behandeling moet worden gebruikt, die niet langer dan nodig wordt toegepast en dat die in de gegeven omstandigheden effectief moet zijn.
5.2
Ook de rechtbank ziet natuurlijk dat er sprake is van een bijzondere situatie nu klager vanuit een behandelsituatie op de Medium Care afdeling van Kliniek [locatie 1] , met een aantal vrijheden, werd overgeplaatst naar een strenger regime in de FPK, waarbij klager eerst geen vrijheden zou krijgen.
5.3
Terecht stelt de klachtencommissie voorop dat één van de uitgangspunten van de WvGGz is dat verplichte zorg slechts als ultimum remedium mag worden ingezet. Terecht stelt de klachtencommissie voorts dat hoewel de psychische stoornis in remissie is, dat nog niet betekent dat er dan ook geen sprake meer is van een psychische stoornis.
5.4
De rechtbank is van oordeel dat de klachtencommissie in dit bijzondere, uitzonderlijke geval onvoldoende gewicht heeft gegeven aan het feit dat doel van behandeling op grond van de wet er niet alleen op ziet om ernstig nadeel voor betrokkene zelf af te wenden maar dat ook het afwenden van ernstig nadeel voor derden, andere deelnemers aan de maatschappij in voldoende mate dient te worden afgewend. Daarbij dient niet alléén naar de belangen van de betrokkene gekeken te worden. De rechtbank acht het uitvoeren van een risicoanalyse noodzakelijk en doelmatig, omdat het in het belang van betrokkene is dat er passende zorg wordt verleend. Nu niet duidelijk is welke dat is, acht de rechtbank een risicoanalyse voorafgaande aan verdere inzet van passende zorg toelaatbaar en noodzakelijk.
5.5
Anders dan de klachtencommissie acht de rechtbank het – gelet op de moeizame samenwerking met betrokkene in ambulante setting in het verleden en het drugsgebruik zoals blijkt uit de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken – niet voor de hand liggend dat een dergelijke risicoanalyse ambulant kan plaatsvinden.
Anders ook dan de klachtencommissie oordeelt de rechtbank dat het ernstig nadeel op dat moment nog niet op een minder verregaande wijze kon worden voorkomen door het inzetten van ambulante hulpverlening.
Hoewel in theorie misschien wel de mogelijkheid bestond van het inzetten van ambulante hulpverlening, leert de praktijk dat bij een overdracht naar ambulante behandeling dat die overdracht door de overnemende behandelaren dan wel geaccepteerd zou moeten worden en moet duidelijk zijn dat die opvolgend behandelaren dan ook bereid zijn om de behandeling voort te zetten. Uit de toelichtingen van de verschillende behandelaren en de beschrijvingen van het beloop wordt duidelijk dat betrokkene wel vooruitgang heeft geboekt, maar lijkt verdere vooruitgang te stagneren/ vast te lopen op het voortdurende en blijvende gebruik van verdovende middelen (onder andere crystal meth) door betrokkene, met daarbij het door de behandelaren gesignaleerde forse risico op herhaling van terugval in psychoses met bijbehorende risico’s voor betrokkene zelve en dus óók derden.
5.6
Dit tezamen, met het voortdurende drugsgebruik en juist ook het gegeven dat betrokkene in het verleden zelfs veroordeeld is voor bedreigingen en mishandeling, en nu kennelijk wederom verdacht leek te zijn van een mishandeling (gedurende zijn voorlopige hechtenis) maakt dat de rechtbank in dit uitzonderlijke geval oordeelt dat het stellen van een nadere diagnose en inzichtelijk maken hoe de ernstige nadelen en gevaren (voor betrokkene én derden) begrensd kunnen worden, toelaatbaar is.
Hieronder wordt uitgebreider uitgelegd op grond waarvan voorgaande conclusie getrokken is.
5.7
Betrokkene heeft een uitgebreide psychiatrische en justitiële voorgeschiedenis en er is sprake van een langer patroon waaruit blijkt dat de samenwerking in het ambulante kader moeizaam verloopt. Hoewel betrokkene betwist dat er sprake zou zijn van stalking, is verder onbetwist gebleven dat klager een uitgebreid strafblad heeft met veroordelingen wegens onder andere mishandeling en bedreiging.
Daarnaast speelt mee dat klager een ernstige stoornis in het gebruik van cannabis en crystal meth heeft en dat vooral het gebruik van crystal meth ontremming veroorzaakt en het risico op delictgedrag verhoogt.
Bijzonder daarbij is dat betrokkene zelf, naast zijn behandelaren, eigenlijk soms ook enig inzicht toont door te erkennen dat zijn drugsgebruik hem in (ernstige) psychose kan laten terechtkomen met derden als slachtoffer. Dat wordt bijvoorbeeld duidelijk uit zijn eigen verklaring bij psychiater [psychiater 2] op 22 juli 2025 (zie 2.2), waarbij hij aangeeft dat de psychotische problemen uit 20/21 puur door de crystal meth kwam, en hij daar aangeeft dat hij het bijvoorbeeld oneerlijk vindt dat de bedreiging van zijn behandelaar meespeelde bij zijn (strafrechtelijke) voorlopige hechtenis omdat hij daar niets aan kon doen, want hij had toen een psychose onder invloed van drugs. Bij die gelegenheid geeft betrokkene overigens aan geen drugs meer te zullen gebruiken. Wat jammer dat betrokkene kennelijk dat voornemen toen, in de periode van zijn overplaatsing naar de FPK, nog niet heeft kunnen waarmaken. Immers, ook daarna, uit onderzoek (zie daarvoor 2.5), maar ook uit verklaringen van betrokkene zelf (zie daarvoor 2.4 en 2.5) wordt duidelijk dat hij verschillende soorten drugs gebruikt (zoals MCAT 300, cannabis en AMP).
5.8
Duidelijk is dat er in Kliniek [locatie 1] na stabilisatie is gekeken naar een passende vervolgplek voor betrokkene. Omdat de ambulante behandeling bij het Forfact niet goed van de grond is gekomen, in combinatie met de (forensische) zorgen, is kennelijk door het Forfact de voorwaarde gesteld dat eerst klinisch wordt onderzocht welk risicoprofiel en bijpassende behandeling aansluit bij betrokkene alvorens zij hem weer ambulant kunnen behandelen. Goede forensische diagnostiek is noodzakelijk om betrokkene goed te kunnen begeleiden en de juiste zorg te kunnen bieden, waarbij het profiel van betrokkene het vanwege zijn gedragingen en problematiek in zijn voorgeschiedenis die toen nog relevant waren dat nodig maakte. Aangegeven wordt dat het uitvoeren van dergelijke diagnostiek in een ambulante setting niet haalbaar vanwege het gebruik van middelen.
Daarbij wordt bevonden dat er nog steeds sprake van oordeels- en kritiekstoornissen, afwezigheid van ziektebesef en -inzicht en dat ondanks detentie en duidelijk gestructureerde opname in Kliniek [locatie 1] betrokkene nog steeds geen inzicht zou hebben dat hij nog risico loopt bij het gebruik van drugs op psychotische verschijnselen en daarmee agressie en disfunctioneren. Een opname in een klinische setting om een risicoanalyse uit te voeren was dan ook noodzakelijk.
5.9
Voor de plaatsing in FPK [locatie 2] is door behandelaren een NIFP rapportage geraadpleegd die op 20 november 2024 is opgesteld ten behoeve van de strafzaak tegen betrokkene, waar overigens de rechtbank geen inzicht van partijen over heeft gekregen. Mede op grond van deze rapportage is, naar verluid, besloten dat een forensische behandeling in de FPK [locatie 2] het beste bij de problematiek van klager past.
5.1
De rechtbank begrijpt dat de behandelaren, alsook de geneesheer-directeur, voor een lastige inhoudelijk behandel-technische beslissing stonden, waarbij verantwoordelijkheden voor betrokkene zelf maar ook de verantwoordelijkheden die de zorgverantwoordelijke en de behandelaren voor derden, andere deelnemers van de maatschappij een rol spelen. Dat wordt ook tenminste duidelijk uit wat de klinisch psycholoog (zie ook 2.8) bij de zitting van de klachtencommissie naar voren heeft gebracht; moet er nu ten behoeve van vooruitgang in de behandeling ook nog rekening houdende met proportionaliteit gekozen worden voor behandeling in ambulante setting, voor een -in hun ogen betere (tijdelijke) behandeling in het zwaardere regime van de FPK, of moet de behandeling maar de Kliniek [locatie 1] worden voortgezet met dan ongetwijfeld een intrekking van vrijheden, waartoe een kliniek doorgaans overgaat als iemand tijdens vrijheden drugs gebruikt, terwijl men daar qua behandeling kennelijk geen vooruitgang meer kon boeken.
5.11
Voor alle duidelijkheid; de beslissingen die daarin genomen moeten worden, worden door de rechtbank natuurlijk alleen bezien vanuit de doelen en begrenzingen die volgen uit de WvGGz. Kortom in dat opzicht is de rechtbank, anders dan kennelijk de klachtencommissie, van oordeel dat niet de beoordeling of er een strafrechtelijke vervolging gaat plaatsvinden of dat er een redelijk vermoeden bestond dat klager een strafbaar feit zou begaan redengevend is voor een beslissing in deze, maar moet beoordeeld wordt of de in de WvGGz benoemde ernstige nadelen proportioneel behandeld en begrensd worden. En daarbij liggen de normen in de zorgmachtiging (zie 2.3) duidelijk anders dan de normen die in het strafrecht voor een veroordeling ten aanzien van bijvoorbeeld mishandeling of bedreiging gelden. Nu door de verschillende deskundigen is benoemd dat middelengebruik kan leiden tot een terugval in psychoses, betrokkene zelf notabene zijn drugsgebruik als oorzaak voor zijn gevaar zettend toestandsbeeld opgeeft en dat hij middelen is blijven gebruiken, is het voor de rechtbank, juist gelet op de voorgeschiedenis van betrokkene duidelijk dat op het moment van de overplaatsing de ernstige nadelen nog steeds aanwezig waren (ondanks alle vooruitgang helaas).
5.12
Anders ook dan de klachtencommissie kan de rechtbank juist niet uit de stukken, de toelichtingen op verschillende momenten en het verhandelde ter zitting concluderen dat er op het moment van de overplaatsing een minder ingrijpend alternatief beschikbaar was.
Het lijkt er op dat de klachtencommissie uitgaat van de theoretische mogelijkheid dat Forensisch Ambulante Zorg een beschikbare optie was, maar door behandelaren is nu juist aangegeven dat de mogelijke ambulante behandelaren eerst nader onderzoek nodig achtte aangaande het risicoprofiel en bijpassende behandeling. Tijdens de zitting bij de klachtencommissie geeft de inmiddels bij de behandeling betrokken psycholoog (zie 2.8) aan dat een risicotaxatie weliswaar ook ambulant kan plaatsvinden, maar dat dit in de praktijk minder wenselijk is omdat de kans bestaat dat klager in een psychotische ontregeling belandt en mogelijk drugs gaat gebruiken.
Duidelijk is voorts dat de behandeling in Kliniek [locatie 1] geen verdere vooruitgang meer kon bieden. Het laatste te bedenken – en verder niet besproken- alternatief zou dan zijn om betrokkene maar uit de Kliniek [locatie 1] te ontslaan zonder ambulante begeleiding om dan maar te bekijken in hoeverre hij zonder ambulante hulpverlening zal gaan functioneren, welke mogelijkheid niet alleen afvalt vanwege de ernstige nadelen voor betrokkene en derden, maar ook omdat klager zelf het niet goed vond om verder zonder hulpverlening op straat te komen.
5.13
Kortom de rechtbank komt tot de conclusie dat er op het moment van het nemen van de beslissing tot overplaatsing onvoldoende tot geen reële minder ingrijpende alternatieven beschikbaar waren, waar de rechtbank dus ook weer de bijzondere voorgeschiedenis met nadelige consequenties voor betrokkene zelf maar ook voor derden bij betrekt.
5.14
Tot slot -gezien de eerdere toelichting wellicht nog ten overvloede- over de opmerking van de klachtencommissie dat het uitvoeren van een risicoanalyse geen doel op zich vormt in de WvGGz omdat deze wet de behandeling van een stoornis tot uitgangspunt neemt. De rechtbank gaat er vanuit dat er voor een goede behandeling goede diagnostiek en beoordeling plaatsvindt om vervolgens te kunnen bepalen welke behandeling er ingezet kan worden om een zodanige situatie te bereiken dat ofwel stoornissen (liefst helemaal) verdwenen zijn ofwel ernstige nadelen zo begrensd en beperkt kunnen worden dat verplichte zorg niet meer nodig is. Uit het geheel van toelichtingen maakt de rechtbank op dat de genoemde risicotaxatie (en behandeling) door de FPK in dat licht bezien moet worden en dan ziet de rechtbank een dergelijke risicotaxatie als onderdeel van de in dit bijzondere geval noodzakelijke diagnostiek.
5.15
Resumerend; hoewel bemoedigend is dat gedurende opname vooruitgang in de behandeling is geboekt en ruimte is ontstaan en gezien is om betrokkene na verloop van tijd meer verloven toe te kennen, begrijpt de rechtbank goed dat het voor betrokkene heel teleurstellend is dat voor een verdergaande vooruitgang de door hem als een stap terug geziene overplaatsing door de geneesheer-directeur als noodzakelijk gezien werd. Gelet op alle verantwoordelijkheden (en bevoegdheden) die de geneesheer-directeur/zorgverantwoordelijke niet alleen voor betrokkene maar ook voor de maatschappelijke omgeving heeft, is de rechtbank van oordeel dat hij die beslissing ook heeft mogen nemen.
Dat maakt dat de rechtbank de beroepen tegen de beslissingen van de klachtencommissie van 22 september 2025 en 28 oktober 2025 gegrond zal verklaren en deze dus zal vernietigen.

6.Beslissing

De rechtbank:
verklaart het beroepschrift van Arkin tegen de beslissing van de Klachtencommissie GGZ Amsterdam en omstreken van 22 september 2025 (met kenmerk [nummer 1] ) gegrond en vernietigt deze;
verklaart het beroepschrift van Arkin tegen de beslissing van de Klachtencommissie GGZ Amsterdam en omstreken van 28 oktober 2025 (met kenmerk [nummer 2] ) gegrond en vernietigt deze.
Deze beschikking is op 19 mei 2026 mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken door
mr. H.P.E. Has, rechter, bijgestaan door H.J. Binken als griffier.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.