ECLI:NL:RBAMS:2026:500

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
23 januari 2026
Zaaknummer
AMS 25/7491
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13b OpiumwetArt. 8:81 AwbArt. 4:81 AwbArt. 174 Gemeentewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen woningsluiting na drugsvondst

De zaak betreft een verzoek om voorlopige voorziening tegen het besluit van de burgemeester van Aalsmeer om de woning van verzoeker voor drie maanden te sluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet na het aantreffen van een handelshoeveelheid softdrugs.

De politie ontving een anonieme melding over drugshandel vanuit de woning, waarna observaties en een inval plaatsvonden waarbij ruim 1,4 kilogram hennep, wapens, gripzakjes, een weegschaal en contant geld werden aangetroffen. Verzoeker betwist dat het om handelshoeveelheid gaat en stelt dat de drugs voor eigen gebruik zijn, maar slaagt er niet in dit aannemelijk te maken.

De voorzieningenrechter oordeelt dat de burgemeester bevoegd was tot sluiting, dat de maatregel geschikt en noodzakelijk is om de openbare orde te beschermen en dat de belangenafweging evenwichtig is, ondanks de medische omstandigheden van verzoeker. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen, waardoor het sluitingsbevel van 23 december 2025 van kracht blijft.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de woningsluiting wordt afgewezen en de sluiting blijft van kracht.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
Zaaknummer: AMS 25/7491

uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 januari 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. B. Mous),
en

de burgemeester van de gemeente Aalsmeer, verweerder (hierna: de burgemeester)

(gemachtigde: mr. R. Meyer).

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de sluiting van de woning van verzoeker. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoeker.
1.2.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. De burgemeester heeft de woning mogen sluiten en daarbij de belangen van de sluiting zwaarder mogen wegen dan de belangen van verzoeker
.Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2.1.
Met het bestreden besluit van 23 december 2025 heeft de burgemeester de woning gelegen aan de [adres] voor de duur van drie maanden gesloten
.De burgemeester is hier op grond van artikel 13b van de Opiumwet toe overgegaan na het aantreffen van een handelshoeveelheid drugs in de woning.
2.2.
Verzoeker heeft hiertegen op 30 december 2025 bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 13 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van de burgemeester, vergezeld door twee collega’s.

Totstandkoming

3.1.
Verzoeker is de bewoner van de woning aan de [adres] (hierna: de woning).
3.2.
Uit een drietal processen-verbaal van politie volgt het volgende. Op 25 juli 2025 heeft de politie een Meld Misdaad Anoniem-melding ontvangen. In die melding stond dat er al jaren sprake zou zijn van drugshandel vanuit de woning. Ook zou er sprake zijn van een loop van bezoekers. Naar aanleiding van deze melding heeft de politie op
12 september 2025 voor de woning gepost. Hierbij zijn meerdere flitsbezoeken waargenomen. Op 28 november 2025 is er wederom gepost voor de woning. Kort na aankomst zagen de verbalisanten direct een man uit de woning komen. Ongeveer 20 minuten later verliet een tweede man de woning. Eén van de twee mannen is staande gehouden en had meer dan de gebruikershoeveelheid drugs bij zich.Hij verklaarde dat verzoeker de softdrugs voor hem heeft gekocht bij de coffeeshop. Vanwege deze constateringen is besloten om de woning binnen te treden. Omstreeks 18:44 uur vond de instap plaats. In een kleine kamer in de woning stond een grote groene ton. In deze ton zijn negen zakken met hennep aangetroffen. In het midden van de woonkamer stond een kleine rode bank. Onder de bank zijn nog twee zakken met hennep aangetroffen. De zakken hadden een totaal gewicht van 1.409,59 gram. Tussen de linker leuning en het zitvlak van de rode bank zijn een ploertendoder, een vlindermes en een telefoon aangetroffen. Vanaf de rode bank was er zicht op een andere grotere bank, die aan de linkerkant van de woning stond. Naast deze grote bank stonden twee doosjes met gripzakjes. Deze doosjes stonden open. Op de salontafel in de woonkamer trof de politie 53,26 gram hasj aan. Ook werd een weegschaal op de salontafel aangetroffen en een spaarpot waarin € 1.950,- aan contanten zat.
3.3.
De burgemeester is op grond van het voorgaande op 23 december 2025 overgegaan tot sluiting van de woning voor de duur van drie maanden op grond van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Opiumwet en de Beleidsregels [1] na verzoeker in de gelegenheid te hebben gesteld zijn zienswijze te geven. Er bestaat volgens de burgemeester een ernstig risico voor de openbare orde wanneer de woning open blijft. De burgemeester acht de sluiting noodzakelijk en evenwichtig. Het belang van de openbare orde weegt zwaarder dan het individuele belang van verzoeker.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

4. Ingevolge artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Bij de vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van de verzoeker dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het belang dat wordt gediend door de onmiddellijke uitvoering van het besluit.
5.1.
Het toetsingskader voor woningsluitingen op grond van artikel 13b van de Opiumwet is weergegeven in meerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State [2] . In een recente uitspraak van de Afdeling [3] wordt daarbij nog benadrukt dat, gelet op de forse inbreuk die een woningsluiting kan maken op de grondrechten van de bewoners, de toetsing bij woningsluitingen op grond van artikel 13b van de Opiumwet doorgaans indringend is.
5.2.
Als algemeen uitgangspunt geldt dat er geen reden bestaat een voorlopige voorziening te treffen als de voorzieningenrechter het besluit tot sluiting van de woning rechtmatig acht.
Bevoegdheid
6.1.
De burgemeester is op grond van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Opiumwet bevoegd tot het opleggen van een last onder bestuursdwang indien in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf een middel als bedoeld in lijst I of II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid, wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.
6.2.
Verzoeker stelt zich in het verzoekschrift op het standpunt dat de burgemeester niet bevoegd was de woning te sluiten en dat de juridische grondslag daarvoor in het besluit ontbreekt. Verzoeker heeft op de zitting erkend dat weliswaar sprake is van een overschrijding van de toegestane hoeveelheid, maar dat het geen handelshoeveelheid betreft. De hennep is afkomstig van een paar - onder slechte omstandigheden - zelf gekweekte planten, is van slechte kwaliteit en is bedoeld voor eigen gebruik en niet voor de handel. Verder bestrijdt verzoeker hetgeen door de politie heeft vastgesteld over de toeloop van handelaren/gebruikers. Ook heeft verzoeker naar voren gebracht dat de burgemeester op basis van de aangetroffen goederen en de observaties ten onrechte een beeld heeft gecreëerd dat verzoeker een handelaar is.
6.3.
De voorzieningenrechter stelt allereerst vast dat de burgemeester de onder 6.1. genoemde juridische grondslag wel degelijk in het besluit heeft opgenomen. Daarnaast kan worden vastgesteld dat er (onder andere) 1.409,59 gram hennep in de woning is aangetroffen. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt [4] dat als uitgangspunt geldt dat bij aanwezigheid van meer dan 5,0 gram softdrugs of vijf (hennep)planten (het criterium van het Openbaar Ministerie voor eigen gebruik) de aangetroffen hoeveelheid drugs in beginsel (mede) bestemd wordt geacht voor de verkoop, aflevering of verstrekking. De aangetroffen hoeveelheid in de woning van verzoeker overschrijdt dit ruimschoots zodat de burgemeester uit mocht gaan van een handelshoeveelheid. Het is dan aan verzoeker om aannemelijk te maken dat de aangetroffen hoeveelheid drugs niet voor verkoop, verstrekking of aflevering aanwezig was. Indien dat niet aannemelijk wordt gemaakt, is de burgemeester bevoegd de woning te sluiten. [5] De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker daar niet in is geslaagd. Dat de hennep van slechte kwaliteit zou zijn is niet onderbouwd en doet bovendien niet ter zake. Daarnaast bevestigt wat de politie heeft geverbaliseerd over de MMA-melding, de toeloop naar de woning, de wapens, de gripzakjes, het contante geld en de weegschaal, de aanname dat sprake is van handelshoeveelheden en is er geen enkele ondersteuning voor het verhaal van verzoeker dat sprake zou zijn van eigen gebruik. De burgemeester mag daarbij uitgaan van de juistheid van de op ambtseed opgemaakte processen-verbaal. De processen-verbaal worden door verzoeker slechts niet onderbouwd betwist. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat de burgemeester bevoegd was om tot sluiting van de woning over te gaan.
Geschiktheid en noodzaak
7.1.
Als de burgermeester bevoegd is om een woning te sluiten, is vervolgens de vraag of dit middel ook geschikt is en of het noodzakelijk is om de woning te sluiten. De burgemeester dient zich ervan te vergewissen dat de sluiting redelijkerwijs zal bijdragen aan het bereiken van de doelen die met een dergelijke sluiting worden gediend. Verder is van belang of de burgemeester met een minder ingrijpend middel dan een sluiting had kunnen en moeten volstaan omdat het beoogde doel ook daarmee had kunnen worden bereikt. [6] Bij de beoordeling of het noodzakelijk is om tot sluiting van de woning over te gaan zijn verschillende omstandigheden van belang. Bijvoorbeeld de aard en de hoeveelheid aangetroffen drugs en de daarmee mogelijk gepaard gaande risico’s op verdere criminaliteit, wat gevolgen heeft voor de veiligheid en de openbare orde in de omgeving. Ook is relevant of de drugs feitelijk in of vanuit de woning worden verhandeld en of de woning feitelijke bekendheid heeft als drugspand. Wanneer sprake is van toeloop, overlast of (gevoelens van) onveiligheid in de omgeving, kan het noodzakelijk zijn om die met sluiting van de woning ongedaan te maken. Sluiting van een woning kan noodzakelijk zijn als op grond van concrete feiten en omstandigheden aannemelijk is dat deze een rol vervult binnen de keten van drugshandel. Met de sluiting wordt de woning aan de keten van drugshandel onttrokken. [7]
7.2.
Verzoeker heeft in dat kader aangevoerd dat de woning pas één maand na binnentreden is gesloten. In de tussentijd hebben zich volgens verzoeker geen incidenten voorgedaan. Overigens is er nooit sprake geweest van enige overlast. Bovendien zijn de verdovende middelen in beslag genomen en is daarmee de gestelde handel feitelijk al gestopt. Volgens verzoeker heeft de burgemeester niet voldoende gemotiveerd waarom sluiting van de woning nu nog steeds noodzakelijk is. Er had ook kunnen worden volstaan met een waarschuwing of last onder dwangsom.
7.3.
De voorzieningenrechter volgt verzoeker hier niet in. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de burgemeester in dit geval gelet op de feiten en omstandigheden die volgen uit het dossier op goede gronden heeft kunnen beslissen dat de noodzaak bestond om de woning te sluiten voor drie maanden. Er is namelijk een hoeveelheid softdrugs aangetroffen die de gebruikershoeveelheid aanzienlijk overschrijdt. Daarbij komt dat er sprake is van verschillende in de Beleidsregels beschreven verzwarende omstandigheden, zoals de aangetroffen wapens, gripzakjes, weegschaal en contant geld en wat de politie heeft geverbaliseerd over de geobserveerde toeloop. Door de sluiting is de woning niet meer beschikbaar in de keten van de drugshandel. Dit is ook na een tijdsverloop van meerdere weken, zoals hier het geval, nog steeds als geschikt te achten, omdat daarmee een zichtbaar signaal wordt afgegeven aan de buitenwereld dat er geen drugs meer aanwezig zijn in de woning en dat de burgemeester optreedt in dit soort gevallen. De burgemeester heeft daarom ook kunnen menen dat de door verzoeker geopperde minder verstrekkende maatregelen daartoe niet voldoende zijn. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de burgemeester gelet daarop de sluiting van de woning geschikt heeft kunnen achten. Omdat het om een ernstige verstoring van de openbare orde gaat kon de burgemeester hiertoe overgaan ook als ter plaatse geen overlast of feitelijke drugshandel is geconstateerd. [8]
Evenwichtig
8.1.
Als de burgemeester zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de sluiting van de woning geschikt en noodzakelijk is, komt vervolgens de vraag aan de orde of de sluiting ook evenwichtig is. Er moet evenwicht zijn tussen de bescherming van het algemeen belang, in dit geval de bescherming of het herstel van de openbare orde en de woon- en leefomgeving, en de te respecteren grondrechten van verzoeker. Of de sluiting evenwichtig is, hangt af van verschillende omstandigheden. De duur van de sluiting moet evenwichtig zijn, ook als de burgemeester daarin zijn eigen beleid heeft gevolgd. Of de sluiting evenwichtig is hangt ook af van de (mate van) verwijtbaarheid van de aangeschreven persoon, of er een bijzondere binding met de woning is en de mogelijkheid om weer van de woning gebruik te kunnen maken. De gevolgen van de sluiting worden afgewogen tegen de omstandigheden die maken dat de burgemeester een sluiting noodzakelijk mocht vinden. Een sluiting met veel nadelige gevolgen is niet per definitie onevenwichtig. [9]
8.2.
Verzoeker heeft in dit kader aangevoerd dat hij onevenredig hard wordt getroffen door de woningsluiting. Verzoeker heeft geen alternatieve huisvesting en is nu dus dakloos. Af en toe kan hij bij kennissen op de bank terecht. Dat is vanwege zijn gezondheidssituatie zeer onwenselijk. Verzoeker heeft in 2013 zijn nek en rug op meerdere plaatsen gebroken en heeft daardoor nog steeds veel pijn en moet veel liggen.
8.3.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat – ondanks hetgeen is aangevoerd door verzoeker – de sluiting van de woning niet onevenwichtig is. De voorzieningenrechter heeft oog voor de belangen van verzoeker om zijn woning weer te kunnen betrekken. Het is inherent aan de sluiting van een woning dat de bewoner de woning moet verlaten. Dat is op zichzelf geen bijzondere omstandigheid. [10] Daarbij komt dat niet is gebleken dat vanwege de medische situatie van verzoeker er een bijzondere binding met deze woning is. Er zijn geen speciale aanpassingen in de woning verricht. Verzoeker heeft op de zitting toegelicht dat hij vaak lange tijd moet rusten, maar dat betekent niet dat de woning daar de enige plek voor is. Daar tegenover staat het algemene belang bij het herstel en behoud van de openbare orde, dat de burgemeester voorstaat. Door de sluiting wordt de woning uit het criminele milieu onttrokken. Hiermee kunnen potentiële, openbare orde verstorende situaties, zoals bijvoorbeeld ripdeals of inbraken, worden voorkomen. Dit belang heeft de burgemeester naar het oordeel van de voorzieningenrechter zwaarder mogen laten wegen.

Conclusie en gevolgen

9. De slotsom is dat de burgemeester gelet op al het voorgaande in redelijkheid van de bevoegdheid tot sluiting van de woning gebruik heeft kunnen maken. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat het sluitingsbevel van
23 december 2025 niet wordt opgeschort. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Q.M.J.A. Crul, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P. Tanis, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Beleidsregel ex artikel 4:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht met betrekking tot de toepassing van artikel 13b Opiumwet (drugs-overtredingen/hennepteelt) en artikel 174 Gemeentewet Pro (voorbereidende handelingen/growshops) van de burgemeesters van de gemeenten Amstelveen, Aalsmeer, Uithoorn, Ouder-Amstel en Diemen, geldend vanaf 7 april 2018.
2.Uitspraken van 28 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2912, 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285 en 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1910.
3.Uitspraak van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2922.
4.Zie (onder meer) overweging 4.1 van de uitspraak van 2 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1698.
5.Zie overweging 5.1 van de uitspraak van 22 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1142.
6.Zie overweging 9.2 van de uitspraak van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285.
7.Zie overweging 10.2 van de uitspraak van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2922.
8.Zie overweging 9.2 van de uitspraak van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285.
9.Zie overweging 7.1 van de uitspraak van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1910.
10.Zie overweging 7.1 van de uitspraak van 22 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1142.