De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, geboren in 2010, die momenteel verblijft bij een zorginstelling in een strafrechtelijk kader. De moeder heeft het ouderlijk gezag en staat achter het verzoek, mits het in het belang van de minderjarige is. De minderjarige heeft zelf aangegeven verbetering te willen en verblijft sinds de schorsing van zijn voorlopige hechtenis bij de zorginstelling.
De kinderrechter heeft kennisgenomen van het verzoek en de bijbehorende stukken en heeft de mondelinge behandeling met gesloten deuren gehouden. Er is geen gesprek met de minderjarige zelf geweest. De kinderrechter constateert dat de conflicten tussen de minderjarige en de moeder zijn geëscaleerd, dat er een risico is op betrokkenheid bij criminaliteit en dat terugkeer naar huis momenteel niet aan de orde is. Een plaatsing binnen het netwerk is niet mogelijk gebleken.
De kinderrechter oordeelt dat de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige. De GI wordt opgedragen een plek te zoeken waar de minderjarige intensief begeleid kan worden en de ontwikkelingsbedreigingen kunnen worden aangepakt. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat deze direct geldt, ook bij hoger beroep.
De machtiging geldt van 31 maart 2026 tot 31 maart 2027. Tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam binnen drie maanden na dagtekening of betekening.