De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om ondertoezichtstelling van een minderjarige voor de duur van twaalf maanden, vanwege een ernstige ontwikkelingsbedreiging. Deze bedreiging is gelegen in het ontbreken van omgang met de vader, ondanks een eerder vastgestelde zorgregeling die niet werd nageleefd. Daarnaast bestaat er zorg over de cognitieve ontwikkeling van het kind en is er onvoldoende zicht op de opvoedsituatie bij de moeder, die onvoldoende meewerkt.
De vader steunde het verzoek en benadrukte dat de moeder alle beslissingen neemt en het kind bij de grootouders woont. De kinderrechter oordeelde dat de voorwaarden voor ondertoezichtstelling zijn vervuld, omdat vrijwillige hulpverlening onvoldoende bleek en de situatie een directe interventie vereist.
De beschikking stelt de minderjarige onder toezicht van Jeugdbescherming Regio Amsterdam voor twaalf maanden, met onmiddellijke ingang en uitvoerbaarheid bij voorraad. Dit betekent dat de maatregel direct geldt, ook bij hoger beroep. De beslissing is op 31 maart 2026 genomen en op 21 april 2026 schriftelijk vastgelegd.