Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4967

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
21 mei 2026
Publicatiedatum
21 mei 2026
Zaaknummer
13/194448-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor bezit en vervoer van drugs en wapens met taakstraf en voorwaardelijke gevangenisstraf

Op 26 juni 2025 werd verdachte aangehouden nadat de politie een verdachte situatie meldde bij een woning in aanbouw in Amsterdam. In een bestelbus die verdachte bestuurde werden hennep, hasjiesj, een bivakmuts, inbrekerswerktuigen en een pistool aangetroffen. Verdachte verklaarde onwetend te zijn over het vuurwapen en de drugs in de bus.

De rechtbank sprak verdachte vrij van het bezit van het vuurwapen en THC gummy bears vanwege gebrek aan bewijs van bewustzijn. Wel werd bewezen geacht dat verdachte opzettelijk hennep en hasjiesj vervoerde. In zijn woning werden een patroonmagazijn, munitie en 2C-B-pillen gevonden, waarvan verdachte niet kon ontkennen dat hij hiervan op de hoogte was.

De rechtbank oordeelde dat verdachte betrokken was bij het vervoer van drugs en het bezit van munitie en een wapenonderdeel. Gezien de ernst van de feiten, het strafblad van verdachte en het reclasseringsadvies, legde de rechtbank een taakstraf van 180 uur op met een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden en een proeftijd van 2 jaar. Het vonnis werd uitgesproken op 21 mei 2026.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 180 uur taakstraf en 3 maanden voorwaardelijke gevangenisstraf voor bezit van munitie, wapenonderdeel en 2C-B en het opzettelijk vervoeren van hennep en hasjiesj.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/194448-25
Datum uitspraak: 21 mei 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1980 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] , [woonplaats] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 7 mei 2026. Verdachte was bij de behandeling van zijn strafzaak aanwezig.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. J.H. de Krijger en van wat verdachte en zijn raadsman mr. J.C. Duin, advocaat te Alkmaar, naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 26 juni 2025 in Amsterdam en/of Purmerend en/of Opperdoes heeft schuldig gemaakt aan:
1. het voorhanden hebben van een vuurwapen;
2. het voorhanden hebben van een wapenonderdeel en/of munitie;
3. het opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren, in elk geval opzettelijk aanwezig hebben van
hennep en/of hasjiesj;
4. het opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren, in elk geval opzettelijk aanwezig hebben van THC gummy bears.
5. het opzettelijk aanwezig hebben van 2C-B.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in
bijlage Idie aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3.Waardering van het bewijs

3.1.
Feiten en omstandigheden
De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Op 26 juni 2025 om 04:06 uur krijgt de politie een melding van een verdachte situatie op de Sloterweg in Amsterdam. De melder hoort op straat een paar mannen “Schiet op, schiet op” schreeuwen waarna een witte bestelbus met kenteken [kenteken] hard wegrijdt. De melder is bang dat het om een woninginbraak gaat, omdat er een week eerder in de buurt is ingebroken. Nadat verbalisanten ter plaatse komen, zien zij om dat er bij een woning in aanbouw een deur open is en zien zij natte voetstappen in de woning. Even later zien de verbalisanten dat er een hekwerk is opengemaakt. Om 05:01 uur houdt de politie het busje met kenteken [kenteken] staande op de Rijksweg A7 ter hoogte van Purmerend. Verdachte is de bestuurder van de bus en medeverdachte [medeverdachte] – de gebruikseigenaar van de bus – zit als bijrijder. Op verzoek van de verbalisanten opent [medeverdachte] de laadruimte van de bus. In de laadruimte treffen verbalisanten dozen en big shopper tassen met hennep en hasjiesj aan en verpakkingen waarop staat “premium cannabis infused gummybears”. In totaal blijkt het te gaan om 1.031 gram hennep, 431 gram hasjiesj en 13,6 kilogram “premium cannabis infused gummybears”. In de bus worden ook andere voorwerpen aangetroffen, waaronder een bivakmuts, een koevoet en diverse andere gereedschappen. Daarnaast wordt onder de bestuurdersstoel een pistool aangetroffen. Uit later opgevraagde GPS-gegevens blijkt dat de bus die nacht minstens vijf kwartier heeft stilgestaan op de Sloterweg.
Naar aanleiding van bovengenoemde bevindingen wordt de woning van verdachte op 26 juni 2025 doorzocht. In de woning worden een patroonhouder, munitie en 2-CB pillen aangetroffen.
3.2.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat feiten 1, 2, 3 en 5 wettig en overtuigend bewezen kunnen worden, met dien verstande dat het dossier ten aanzien van
feit 3 geen aanknopingspunten bevat voor het telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren en verstrekken van de verdovende middelen. Van deze onderdelen moet verdachte worden vrijgesproken.
De officier van justitie vordert vrijspraak van feit 4.
3.3.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van feiten 1, 3, 4 en 5, omdat verdachte geen wetenschap had van de aanwezigheid van de goederen in de bestelbus en/of zijn woning. Ten aanzien van feit 4 verzoekt de raadsman eveneens vrijspraak, aangezien niet kan worden aangetoond dat de gummy bears THC bevatten.
De raadsman heeft zich met betrekking tot feit 2 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.4.
Het oordeel van de rechtbank
3.4.1.
Ten aanzien van de in het busje aangetroffen goederen (feiten 1, 3 en 4)
3.4.1.1. Vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde
De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het voorhanden hebben van een wapen in de zin van artikel 26 van Pro de Wet wapens en munitie een meer of mindere mate van bewustheid bij de verdachte van de aanwezigheid van dat wapen en een zekere beschikkingsmacht van de verdachte over het wapen is vereist. Voor het bewijs van dergelijke bewustheid geldt dat daarvan ook sprake kan zijn in een geval dat het niet anders kan dan dat de verdachte zulke bewustheid heeft gehad.
In dat kader overweegt de rechtbank als volgt.
Verdachte heeft verklaard dat hij niet wist dat er een vuurwapen in de bus lag. Hoewel het vuurwapen zich onder de stoel van verdachte bevond, kan de rechtbank niet vaststellen dat verdachte hiervan afwist of dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte zich van de aanwezigheid hiervan bewust was. Op basis van de foto’s in het dossier stelt de rechtbank vast dat het vuurwapen alleen te zien was als onder de stoel werd gekeken. Omdat de bus niet van verdachte is en verdachte – voor zover de rechtbank kan vaststellen – alleen ditmaal in de bus heeft gereden, vindt de rechtbank niet bewezen dat verdachte het vuurwapen bewust aanwezig heeft gehad. Verdachte wordt van dit feit vrijgesproken.
3.4.1.2. Vrijspraak van het onder 4 ten laste gelegde
Met de officier van justitie en de verdediging vindt de rechtbank niet bewezen dat verdachte opzettelijk THC gummy bears aanwezig heeft gehad. Hoewel op de verpakkingen te lezen is dat het om “premium cannabis infused gummybears” zou gaan, is de inhoud niet getest. De rechtbank kan daarom niet vaststellen dat de gummy bears daadwerkelijk THC bevatten, en spreekt verdachte daarom van dit feit vrij.
3.4.1.3. Het oordeel over het onder 3 ten laste gelegde
De rechtbank acht wel bewezen dat verdachte de in het busje aangetroffen hennep en hasjiesj heeft vervoerd en opzettelijk aanwezig heeft gehad. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
Verdachte heeft verklaard dat hij in de nacht van 25 op 26 juni 2025 door een kennis is gebeld om [medeverdachte] – een voor hem onbekende – van zijn werk op te halen, omdat [medeverdachte] niet zou beschikken over een geldig rijbewijs en verdachte wel. Verdachte zou hiervoor dertig euro krijgen. Verdachte zou eerst naar Hoorn zijn gereden met de auto van zijn zoon en daar met zijn kennis in de bus van [medeverdachte] zijn gestapt om daarmee [medeverdachte] op te halen. Vervolgens is verdachte naar de Sloterweg gereden waar zijn kennis uitstapte om [medeverdachte] op te halen. Verdachte verklaart dat [medeverdachte], zijn kennis en een andere onbekende man ongeveer een half uur tot drie kwartier later weer bij de bus op de Sloterweg verschenen. Verdachte zou vervolgens niet hebben gezien of de mannen iets bij zich hadden, hij zou niks aan ze hebben gevraagd. Wel heeft hij gehoord dat de achterdeur van de bus open is geweest. Daarna is verdachte met [medeverdachte] weggereden richting Hoorn.
De verklaring van verdachte roept vraagtekens op, waarover verdachte op zitting geen helderheid heeft verschaft. Zo vindt de rechtbank het onaannemelijk dat verdachte midden in de nacht, op verzoek van een kennis, een voor hem onbekende man ophaalt van zijn werk, lange tijd op hem wacht en hier vervolgens geen vragen over stelt. Ook acht de rechtbank het onaannemelijk dat verdachte niet heeft gezien of de mannen bij terugkomst iets bij zich hadden of heeft gehoord dat daarover werd gesproken, mede gelet op het feit dat melder spreekt over luide stemmen die zouden hebben gezegd “Schiet op, schiet op” en een getuige, de rechtbank vermoedt de melder, heeft gezien dat er drie tot vier mannen heen en weer zag lopen rond de bus. De rechtbank acht de verklaring van verdachte dan ook ongeloofwaardig.
Daar tegenover staan de feiten en omstandigheden, op basis waarvan alle schijn ontstaat dat verdachte betrokken is geweest bij een gezamenlijk plan om hennep en hasjiesj op te halen en te vervoeren. De bus, die blijkens de melder onder verdachte omstandigheden is waargenomen aan de Sloterweg, blijkt volgens GPS gegevens vijf kwartier op die plek te hebben stilgestaan. Aan de Sloterweg werden braaksporen aan een hekwerk waargenomen, stond een deur van een woning in aanbouw open en werden natte voetsporen in die woning aangetroffen. Na de aanhouding werden in de laadruimte van de bus onder meer dozen met hennep en hasjiesj, een bivakmuts en inbrekerswerktuigen aangetroffen. De rechtbank is van oordeel dat deze omstandigheden naar hun uiterlijke verschijningsvorm sterk duiden op betrokkenheid van verdachte bij het ophalen en vervoeren van de hennep en hasjiesj en dat het alternatieve scenario dat verdachte schetst niet aannemelijk is geworden. Daar komt bij dat de rechtbank het in zijn algemeenheid onaannemelijk acht dat een organisatie of een persoon een niet ingewijde een dergelijke hoeveelheid drugs laat vervoeren. Het inschakelen van een onwetende derde brengt immers onnodige risico’s voor de eigenaren van de verdovende middelen met zich mee.
Op basis van het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk vervoeren en opzettelijk aanwezig hebben van de hennep en hasjiesj.
Partiële vrijspraak
Het dossier bevat voor het telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren en verstrekken van de verdovende middelen geen bewijs en verdachte zal daarvan dan ook worden vrijgesproken.
3.4.2.
Ten aanzien van de in de woning aangetroffen goederen (feiten 2 en 5)
3.4.2.1. Het oordeel over het onder 2 en 5 ten laste gelegde
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat het patroonmagazijn, de munitie en de 2C-B pillen niet van hem zijn. Hij heeft naar eigen zeggen een tas met spullen gekregen die van een overleden vriend waren. Verdachte heeft gezien dat er in deze tas onder andere een doosje zat, maar verklaart niet te hebben geweten wat er in dit doosje of verder in de tas zat. Hij heeft de tas zonder hierin te kijken in de kast gezet. Verder heeft verdachte verklaard dat zijn zoon weleens in zijn woning komt.
De rechtbank stelt voorop dat voor het bewijs van het opzettelijk aanwezig hebben van verdovende middelen voldoende is dat de middelen zich in de machtssfeer van de verdachte bevinden en dat de verdachte wetenschap heeft van de aanwezigheid daarvan, waaronder tevens is te begrijpen de situatie waarin de verdachte de aanmerkelijke kans daarop bewust heeft aanvaard. Voor wapens en munitie is – zoals overwogen in rubriek 3.4.1.1. – een zekere beschikkingsmacht van de verdachte vereist. Vooropgesteld wordt verder dat volgens vaste rechtspraak een gebruiker/bewoner van een woning geacht wordt bekend te zijn met alles wat zich in die woning bevindt, tenzij anders is gebleken.
De rechtbank stelt vast dat het wapenonderdeel, de munitie en de 2C-B pillen verspreid over de woning van verdachte zijn aangetroffen, onder andere op de vloer in zijn slaapkamer. Ook als deze goederen uit de tas van een vriend van verdachte zijn gekomen, zoals verdachte heeft verklaard, zijn deze goederen dus op enig moment uit die tas gehaald. De rechtbank vindt het dan ook ongeloofwaardig dat verdachte nimmer in de tas heeft gekeken en de goederen niet heeft gezien. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van deze goederen in zijn woning. Daarbij stelt de rechtbank vast dat de goederen zich aldus in de beschikkingsmacht en machtssfeer van verdachte bevonden. Verdachte is de hoofdbewoner van de woning. Dat zijn zoon weleens in zijn woning komt, maakt het hiervoor overwogene niet anders. De rechtbank acht het onder 2 en 5 ten laste gelegde daarom wettig en overtuigend bewezen.

4.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in
bijlage IIvervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:
Feit 2:
op 26 juni 2025 te Opperdoes, een wapenonderdeel als bedoeld in artikel 3 lid 1 van Pro de Wet wapens en munitie, te weten een patroonmagazijn, merk Glock, kaliber 9mm x19 en munitie als bedoeld in artikel in artikel 2 lid Pro 2, categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten, een kogelpatroon, merk Fiocchi, kaliber .357 (Magnum) en een kogelpatroon, merk Remmington-Peters Cartrige Company, kaliber 9mm x19 (synoniem voor 9mm Luger) en vijf kogelpatronen, merk Geco, kaliber .38 Special, voorhanden heeft gehad;
Feit 3:
op 26 juni 2025 te Amsterdam en Purmerend tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk heeft vervoerd
- een hoeveelheid hennep en
- een hoeveelheid van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hennep en hasjiesj telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;
Feit 5:
op 26 juni 2025 te Opperdoes, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer een hoeveelheid 2C-B, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5.De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7.Motivering van de straffen en maatregelen

7.1.
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1, 2, 3 en 5 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 240 uur, met bevel, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen, met aftrek van voorarrest en daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaren. De officier van justitie verzoekt om af te zien van de oplegging van bijzondere voorwaarden.
7.2.
Het standpunt van de verdediging
Indien verdachte veroordeeld wordt, heeft de raadsman verzocht om een taakstraf op te leggen, eventueel met een voorwaardelijke gevangenisstraf, en om in ieder geval de door de officier van justitie geëiste straf te matigen. De raadsman verzoekt ermee rekening te houden dat verdachte te gelden heeft als first offender, omdat er uitsluitend oude feiten op zijn strafblad staan. De verdediging verzoekt geen bijzondere voorwaarden op te leggen, hoewel verdachte wel zal meewerken indien de rechtbank de oplegging hiervan noodzakelijk acht.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van munitie en een wapenonderdeel. Het ongecontroleerde bezit van wapens brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich mee en leidt tot sterke gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Ook heeft verdachte soft- en harddrugs vervoerd. Drugs vormen in het algemeen een gevaar voor de volksgezondheid en het gebruik ervan is bezwarend voor de samenleving, onder andere vanwege de ermee gepaard gaande criminaliteit.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 9 februari 2026. Hieruit blijkt dat verdachte de afgelopen 5 jaar niet voor soortgelijke feiten in aanraking is geweest met politie en justitie. In de jaren daarvoor is verdachte wel veroordeeld voor soortgelijke feiten. De rechtbank acht het zorgelijk dat verdachte opnieuw met justitie in aanraking komt voor dit soort criminaliteit. Vanwege deze zorgen vindt de rechtbank een voorwaardelijk strafgedeelte passend en geboden.
Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsadvies betreffende verdachte van 14 januari 2026. Hierin leest de rechtbank dat Reclassering Fivoor de oplegging van bijzondere voorwaarden adviseert, omdat zij risico's ziet in het middelengebruik (cannabisgebruik) van verdachte, zijn houding, zijn sociale netwerk, zijn financiën en zijn impulsiviteit. Tegelijkertijd schrijft de reclassering dat verdachte niet open lijkt te staan voor de geadviseerde bijzondere voorwaarden. Omdat verdachte op zitting dezelfde houding vertoont, ziet de rechtbank geen toegevoegde waarde in de oplegging van bijzondere voorwaarden.
Strafoplegging
De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf rekening gehouden met de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd en hiervoor aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten voor de straftoemeting door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (hierna: LOVS). Voor het vervoeren van softdrugs zijn geen LOVS oriëntatiepunten vastgesteld, maar is, mede gelet op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd, bij een dergelijke handelshoeveelheid al snel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats. Voor het bij verdachte aangetroffen wapenonderdeel en de munitie worden blijkens de LOVS richtlijnen doorgaans geldboetes opgelegd. Dit geldt ook voor de bij verdachte aangetroffen hoeveelheid 2C-B pillen.
Verdachte heeft voordat zijn voorlopige hechtenis werd geschorst zes dagen vastgezeten. De rechtbank acht het voor zowel verdachte als de maatschappij niet wenselijk hem terug te sturen naar de gevangenis, omdat hij dan zijn baan en woning zal verliezen. De rechtbank vindt het belangrijk dat verdachte zijn werk en een woning behoudt, omdat dit beschermende factoren zijn voor het voorkomen van recidive. De rechtbank zal daarom geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf maar een taakstraf opleggen aan verdachte. Door tevens een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, die als stok achter de deur moet dienen, hoopt de rechtbank verder bij te dragen aan het voorkomen van recidive.
Alles overwegende legt de rechtbank aan verdachte een taakstraf voor de duur van 180 uur op, met aftrek van het voorarrest. Daarnaast wordt aan verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden opgelegd met een proeftijd van twee jaren.

8.Beslag

Verdachte heeft ter terechtzitting afstand gedaan van de op de beslaglijst genoemde goederen (
bijlage III). De rechtbank hoeft daarom geen beslissing meer te nemen over deze goederen.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:
9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 van het Wetboek van Strafrecht;
2, 3, 10, 11 van de Opiumwet;
26, 55 van de Wet wapens en munitie.

10.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het onder 1 en 4 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het onder 2, 3 en 5 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Ten aanzien van feit 2:
handelen in strijd met artikel 26 eerste Pro lid van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd;
Ten aanzien van feit 3:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod;
Ten aanzien van feit 5:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een
taakstraf van 180 (honderdtachtig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 90 (negentig) dagen, met bevel dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 (twee) uren per dag.
Veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstraf van 3 (drie) maanden.
Bepaalt dat deze straf
niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een
proeftijd van 2 (twee) jarenvast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Heft op het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door
mr. F. Dekkers, voorzitter,
mrs. B.J. Blok en M.E. Kleinherenbrink, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. L. Bergsma en J.L. Martens, griffiers,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 mei 2026.