Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4966

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
21 mei 2026
Zaaknummer
C/13/728447 / FA RK 23-386
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 RvArt. 1:204 lid 3 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming erkenning minderjarige en aanhouding omgangsregeling met begeleidende instanties

De rechtbank Amsterdam behandelde een verzoek van de man tot vervangende toestemming voor erkenning van zijn minderjarige kind, geboren in 2021, en een omgangsregeling met de moeder als verwerende partij. De vrouw woont met het kind en oefent het gezag uit. De Raad voor de Kinderbescherming en een bijzondere curator waren betrokken bij de procedure.

De rechtbank oordeelde dat niet voldaan is aan de strenge criteria om de erkenning te weigeren, ondanks het criminele verleden en vermeend middelengebruik van de man. Erkenning is in het belang van de identiteitsontwikkeling van het kind. De vrouw moet het kind spoedig op een passende wijze informeren over zijn vader.

De omgangsregeling wordt voorlopig aangehouden voor drie maanden, waarin de man drie mogelijke begeleidende instanties moet voorstellen en de vrouw een keuze mag maken. Gedurende deze periode dient de vrouw het kind te informeren over zijn vader. De rechtbank stelt een voorlopige zorgregeling vast waarbij de vrouw de man eenmaal per vier weken schriftelijk informeert over belangrijke zaken met een recente foto van het kind. De bijzondere curator wordt ontslagen, tenzij hoger beroep wordt ingesteld.

Uitkomst: De rechtbank verleent vervangende toestemming voor erkenning en houdt de omgangsregeling met begeleidende instanties voor drie maanden aan.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht Team Familie & Jeugd
zaaknummer / rekestnummer: C/13/728447 / FA RK 23-386 (FL/WvL)
Beschikking van 10 maart 2026
in de zaak van:
[de man] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. C.A.C.M. Ficq te Amsterdam,
tegen
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
verwerende partij,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. C. Boussidi te Amsterdam.
Als belanghebbende is aangemerkt:
mr. J.L. Muller,
kantoorhoudende te Amsterdam,
in haar hoedanigheid van bijzondere curator over na te noemen minderjarige,
hierna te noemen de bijzondere curator,
als advocaat voor zichzelf verschijnende.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
regio Amsterdam,
[locatie] ,
hierna te noemen: de Raad.

1.De procedure

1.1.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder, voor zover van belang:
  • de beschikking van 15 maart 2024 die als hier herhaald en ingelast geldt;
  • het rapport van de raad 19 juni 2025 ingekomen op 25 juni 2025.
1.2.
De mondelinge behandeling achter gesloten deuren is voortgezet op 3 februari 2026.
Ter zitting zijn verschenen:
  • partijen en hun advocaten;
  • de bijzondere curator,
  • namens de Raad, mevrouw [persoon] .
Beide advocaten hebben pleitaantekeningen overgelegd.
1.3.
De datum van de beschikking is bepaald op heden.

2.De vaststaande feiten

2.1.
Op [geboortedag 1] 2021 te [geboorteplaats 1] is uit de vrouw geboren:
[minderjarige](hierna: [minderjarige] ).
2.2.
[minderjarige] woont bij de vrouw.
2.3.
De vrouw is van rechtswege belast met de uitoefening van het gezag over [minderjarige] .
2.4.
Bij beschikking van deze rechtbank van 12 april 2023 is mr. J.L. Muller benoemd tot bijzondere curator over [minderjarige] .
2.5.
Bij beschikking van 15 maart 2024 is de Raad verzocht onderzoek te doen en is een voorlopige informatieregeling bepaald.

3.De nadere standpunten

De Raad
3.1.
De Raad heeft geen aanwijzingen gevonden dat de erkenning van [minderjarige] door de man een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van [minderjarige] in de weg zal staan. De vrouw is een krachtige, capabele moeder die goed voor [minderjarige] zorgt en een steunend netwerk heeft. Mocht een gebeurtenis zoals de erkenning toch te veel worden, dan wordt de vrouw volgens de Raad in staat geacht hulp te zoeken en de verwachting is niet dat de relatie tussen de vrouw en [minderjarige] daardoor negatief zal worden beïnvloed.
3.2.
De Raad acht omgang niet in strijd met zwaarwegende belangen van [minderjarige] . Na statusvoorlichting, op korte termijn, dient contact met de man zo mogelijk gedurende één of twee keer in aanwezigheid van een neutrale, positief steunende persoon plaats te vinden. Als die persoon niet beschikbaar is, kan het contact ook zonder aanwezigheid van een derde plaatsvinden. Van de vrouw wordt verwacht dat zij [minderjarige] positief ondersteunt voorafgaand en na afloop van het contact. De Raad kan pas over een half jaar adviseren over een definitieve omgangsregeling. Daartoe adviseert de Raad een aanhouding van zes maanden. In die periode moet gewerkt worden aan de opbouw van een voorlopige omgangsregeling, die tenminste moet inhouden omgang eenmaal per week, drie uur per weekend. Hierna moet bekeken worden welke definitieve regeling in het belang van [minderjarige] is.
3.3.
Het is voorts van belang voor [minderjarige] dat de man tweewekelijks door de vrouw wordt geïnformeerd over belangrijke gebeurtenissen met betrekking tot [minderjarige] en dat de man voorafgaand aan de omgang, de vrouw informeert over wat hij van plan is met [minderjarige] te gaan doen.
De ouders moeten een manier vinden waarop zij communiceren over [minderjarige] .
3.4.
Volgens de Raad is op dit moment geen ondertoezichtstelling nodig. De Raad ziet in het ontbrekende contact van [minderjarige] met de man wel een ontwikkelingsbedreiging en omdat hij hem nog niet kent, maar de moeder is bereid om in het belang van [minderjarige] mee te werken aan statusvoorlichting en het vormgeven van omgang.
3.5.
Bij de mondelinge behandeling is aangevoerd dat als een kind niet om zijn vader vraagt, dat niet betekent dat hij niet met zijn vader bezig is. Daarom had de Raad al aan de vrouw gevraagd het met [minderjarige] over zijn vader te hebben. Zodat zij door het raadsadvies niet overvallen zou worden, maar nu verkeert [minderjarige] nog langer in onwetendheid. Het advies van de Raad is duidelijk. De verkregen informatie duidt niet op een gevaarlijke situatie bij de man. De vrouw had ook al hulp voor zichzelf kunnen zoeken en heeft zich al een half jaar op deze situatie kunnen voorbereiden. De Raad staat nog steeds achter de mogelijkheid van een ondertoezichtstelling. Het advies van de Raad is rigoureus, maar [minderjarige] kan wel wat hebben en de moeder is krachtig en heeft ondersteuning van haar netwerk. De verhuizing is al een jaar geleden. De leeftijd van [minderjarige] is geschikt om hem over het bestaan van de vader voor te lichten. De vrouw kan zich niet op het standpunt stellen dat er niets gaat gebeuren.
De vrouw
3.6.
De vrouw heeft verklaard dat het goed gaat met [minderjarige] . Hij gaat sinds oktober naar school. De vrouw is bij haar ouders gaan wonen. [minderjarige] is wel erg gevoelig. Hij redt het nog niet hele dagen op school. Verder is hij gelukkig en dol op de ouders van de vrouw, die heel betrokken zijn. Zij zien hem nu dagelijks.
3.7.
Na het rapport van de Raad is nog geen omgang op gang gekomen. [minderjarige] vraagt er niet om. Er heeft ook nog geen statusvoorlichting plaatsgevonden. De vrouw vindt dat als hij er niet om vraagt, zij hem ook niets hoeft te vertellen. Als hij eraan toe is, zal zij hem over zijn vader vertellen. De man heeft 1,5 jaar de tijd gekregen voor contact met [minderjarige] , maar hij ondernam geen enkele poging. De voornaamste zorg van de vrouw over de man is dat hij compleet onbetrouwbaar is gebleken. Hij gaat alleen met criminele mensen om en hij is onstabiel. De vrouw heeft vier jaar gewerkt om voor [minderjarige] te zorgen. Het gaat nu goed. De vrouw vreest dat de man [minderjarige] aan gevaarlijke mensen zal blootstellen. De vrouw heeft al vijf jaar hulp voor zichzelf gezocht. Zij wordt afgeschilderd als iemand die hoopt op herstel van de relatie, maar zij heeft juist zelf de deur voor de man dichtgedaan. Zij was op de hoogte van zijn verleden en zij dacht dat het een verleden was. Dat bleek niet het geval. De man heeft geen empathie, ook niet voor een jong kind. In die 1,5 jaar heeft hij [minderjarige] maar kort gezien. Hij heeft gezegd dat hij snuift waar de vrouw en [minderjarige] bij zijn. De familie van de vrouw is bedreigd en toen een bepaalde persoon in de omgeving van de man in maart 2021 werd geliquideerd, werd dat door de man gebagatelliseerd. Later zou dat zijn beste vriend zijn geweest. Ten tijde van de geboorte van [minderjarige] , zou de man met de vrouw een nieuw leven gaan beginnen. Hij gaat nu weer met die mensen om. Ook haar hielden ze in de gaten. De chauffeur van de man reed door de straat om haar te intimideren. Die chauffeur gebruikt middelen en is gevaarlijk. Mede om die redenen is de vrouw bij haar ouders gaan wonen. Nu maakt zij dat niet meer mee. Als gevolg van dreigementen van de man, heeft haar broer met de vrouw gebroken. Hij werkt bij de recherche.
3.8.
Namens de vrouw is aangevoerd dat door de Raad erg is aangestuurd op statusvoorlichting, terwijl dat een beslissing van de rechtbank is. De vrouw zal die beslissing respecteren. De rechtbank dient het advies van de Raad toetsend en niet als leidend te benaderen. De Raad heeft in het rapport niet gemotiveerd waarom erkenning, ondanks de bij de vrouw erkende stress, toch verantwoord zou zijn. De vrouw functioneert nu al op de grens van haar draagkracht en er is een reëel risico dat zij uit evenwicht raakt. Dat werkt door in de kwaliteit van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Erkenning is in deze fase niet noodzakelijk om het identiteitsbelang van [minderjarige] te dienen. De vrouw erkent dit belang, is bereid [minderjarige] op een leeftijdsadequate en zorgvuldige manier te informeren over zijn afkomst en heeft zich daarover laten adviseren. Het raadsrapport is een momentopname. Zolang niet duidelijk is dat omgang de geestelijke en emotionele ontwikkeling van [minderjarige] niet schaadt, is terughoudendheid geboden.
3.9.
Er zijn serieuze veiligheids- en risicosignalen rond de man, de vrouw ervaart veel stress en angst en [minderjarige] is volledig afhankelijk van haar emotionele stabiliteit. Deze risico’s zijn niet opgehelderd en omgang moet nu niet worden opgestart. De Raad benadert de situatie alsof sprake is van een gelijkwaardig ouderconflict, terwijl de risicosignalen samenhangen met de persoon en het netwerk van de man. De Raad stelt een opbouwende omgangsregeling voor, terwijl [minderjarige] de man niet kent als ouderfiguur, statusvoorlichting nog moet plaatsvinden, de opvoedgeschiktheid van de man en zijn stabiliteit niet objectief zijn onderzocht en de veiligheidsrisico’s niet zijn opgehelderd. Primair dient het verzoek tot omgang dan ook te worden afgewezen en subsidiair dient de beslissing te worden aangehouden en dient eerst aanvullend onderzoek door de Raad te worden gedaan.
3.10.
De voorgestelde informatieregeling is volgens de vrouw te zwaar gelet op haar draagkracht. Primair wordt daarom verzocht geen informatieregeling vast te stellen en subsidiair om deze zeer beperkt vorm te geven.
3.11.
De conclusie van de Raad dat de zorgen van de vrouw over verslavingsproblematiek en/of banden met het crimineel circuit van de man niet zijn bevestigd, betekent niet dat die risico’s niet bestaan. De Raad heeft niet inzichtelijk gemaakt hoe deze risico’s zijn gewogen. Daar komt nog bij dat de Raad wel heeft gedreigd met een omgangsondertoezichtstelling. Dit werpt een schaduw over de zorgvuldigheid van het raadsadvies.
De man
3.12.
De man heeft verklaard dat hij [minderjarige] een kleine 2,5 jaar geleden voor het laatst heeft gezien. Hij heeft hem daarna sporadisch nog wel eens gezien van een afstandje, maar is toen doorgelopen. Hij heeft wel geprobeerd op een andere wijze contact te krijgen, maar dat is niet gelukt.
3.13.
De man heeft sinds 2008 zijn eigen onderneming. Hij zit in de agro-cultuur met meerdere producten, verkoopt onder andere grondstoffen voor meststoffen en werkt in 27 landen. Hij werkt ook samen met overheden. Hij is altijd open geweest over zijn verleden. Hij heeft nooit gesnoven in het bijzijn van anderen. De verwijten van de vrouw zijn leugens. Volgens de man wil de vrouw hem tegenwerken omdat hij geen relatie meer wilde met haar, maar zij hebben wel samen [minderjarige] . Er is nooit sprake geweest van bedreigingen. Daarvoor bestaat ook geen bewijs.
3.14.
Namens de man is aangevoerd dat het standpunt van de man behalve door het rapport van de bijzondere curator, nu ook wordt ondersteund door het rapport van de Raad. De Raad heeft positief geadviseerd over erkenning, de omgang en de informatieverplichting. Ook volgens de Raad is het zorgelijk dat [minderjarige] opgroeit zonder zijn vader. Ook volgt uit het rapport dat het met [minderjarige] overigens erg goed gaat. De Raad heeft geen objectieve grond gevonden voor de door de vrouw gestelde risico’s voor [minderjarige] door het strafrechtelijk verleden en vermeend middelengebruik van de man. De vrouw heeft duidelijk emotionele weerzin tegen de erkenning, maar dat is niet genoeg voor afwijzing van zijn verzoek.
3.15.
De man kan zich vinden in het advies van de Raad om de komende zes maanden het verzoek tot omgang aan te houden en in die tijd een tijdelijke opbouwregeling vast te stellen. De man is bereid mee te werken aan de constructie waarbij een professionele nanny de eerste twee keer aanwezig is bij de omgang, nadat zij eerst een aantal keren bij [minderjarige] is geweest en hij daardoor weet wie zij is. De man zal de kosten daarvan dragen.
De bijzondere curator
3.16.
De bijzondere curator stelt het verbijsterend te vinden dat dit drie jaar moet duren. Tegelijkertijd vindt de bijzondere curator het jammer dat er bij de man geen enkel begrip is voor het standpunt van de vrouw en voor haar angsten. Dat maakt het veel ingewikkelder. De vrouw heeft angst. Zij wil haar kind beschermen. Het zou schelen als de man zou snappen dat die angst heel diep zit en dat die angst ergens uit voort komt. Daar heeft hij een groot aandeel in en dat moet hij niet belachelijk verklaren. Grote angst komt ergens vandaan.
3.17.
Ook de Raad is van mening dat een kind er recht op heeft te weten hoe zijn afstamming loopt. Statusvoorlichting is belangrijk voor een kind. Nog afgezien van de omgang. Dat er veel verschillende vormen van relaties zijn in de omgeving van [minderjarige] zoals de vrouw stelt, mag zo zijn, maar het is belangrijk dat de vrouw zo vroeg mogelijk aan [minderjarige] uitlegt dat hij een vader heeft en wie dat is, want een kleuter accepteert dat makkelijker. Als je acht bent of negen en dan vragen gaat stellen, dan denk je daar veel meer over na en is het moeilijk om te accepteren dat je dat al die tijd niet wist.
3.18.
Een onderbouwing van de gestelde stress en psychische toestand die tot afwijzing van omgang zou moeten leiden volgens de vrouw, is door de vrouw niet gegeven. Als er iemand bij de opbouw van de omgang aanwezig moet zijn, moet dat wel worden afgebakend. Er moet een duidelijke beslissing komen hoe lang dat dan zou moeten. Bijvoorbeeld een keer of zes. Als het langer duurt, dan wordt dat weer onderwerp van discussie.

4.De beoordeling

Erkenning en statusvoorlichting
4.1.
Ten aanzien van het verzoek om vervangende toestemming tot erkenning van [minderjarige] overweegt de rechtbank als volgt. Er is niet voldaan aan de strenge criteria van artikel 1:204 lid 3 BW Pro om de man het recht op erkenning te kunnen ontzeggen. Het rapport van de Raad en het rapport van de bijzondere curator bieden daarvoor ook geen aanknopingspunten. Niet is gebleken dat door erkenning de sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van [minderjarige] in het gedrang komt. Hetgeen door de vrouw is aangevoerd, maakt niet dat de rechtbank daar anders over oordeelt. De man heeft een crimineel verleden. Dat verleden, en de angst die de vrouw nog bij voortduring koestert voor de omgeving waarin de man zich volgens de vrouw begeeft, met daarbij ook zijn door de vrouw gestelde nog voortdurende harddrugsgebruik, dient naar het oordeel van de rechtbank niet aan het recht van de man op erkenning van [minderjarige] door de man in de weg te staan. De erkenning stelt de familierechtelijke betrekking van de man en [minderjarige] vast en is als zodanig in het belang van (de identiteitsontwikkeling van) [minderjarige] en van de man. De rechtbank zal daarom aan de man toestemming verlenen – welke toestemming die van de vrouw vervangt - om [minderjarige] te erkennen.
4.2.
Het is daarbij ook van groot belang voor [minderjarige] dat de vrouw hem zo spoedig mogelijk informeert over het bestaan van zijn vader op een bij de leeftijd van [minderjarige] passende wijze. De rechtbank verwijst in dit verband onder meer naar het advies van de bijzondere curator van 21 juni 2023 en naar hetgeen de bijzondere curator op de zitting heeft verklaard. Het betoog van de vrouw dat [minderjarige] er nog niet aan toe is om te worden voorgelicht over het bestaan van zijn vader, dat hij een bijzonder gevoelig kind is, dat hij ook net een verhuizing en schoolwissel heeft moeten verwerken en dat zij mede daarom wil wachten tot vanuit [minderjarige] zelf vragen over zijn vader komen, volgt de rechtbank niet. [minderjarige] is nu nog op een leeftijd waarop het onderwerp kan worden besproken zonder dat dit een beladen onderwerp voor [minderjarige] is. Het niet bespreken kan een belasting vormen voor de ontwikkeling van [minderjarige] , voor de relatie tussen de vrouw en [minderjarige] en voor de relatie tussen de man en [minderjarige] . Dit is niet in het belang van [minderjarige] . Dat [minderjarige] is verhuisd en in oktober op school is begonnen, is weliswaar een grote verandering in zijn leven, maar dat is geen reden om nu niet tot statusvoorlichting over te gaan.
Omgangsregeling
4.3.
Het is duidelijk dat er bij de vrouw een grote angst leeft voor de man en voor contact tussen de man en [minderjarige] vanwege het circuit waarin de man zich volgens de vrouw nog begeeft. De vrouw voelt een grote emotionele weerstand tegen een opbouw van contact tussen de man en [minderjarige] . Volgens de vrouw is de man onbetrouwbaar, verkeert de man nog steeds in een crimineel milieu en hij gebruikt volgens haar nog steeds verdovende middelen waaronder cocaïne. Zij vreest dat omgang met de man daarom niet veilig zal zijn voor [minderjarige] . De rechtbank begrijpt de weerstand die de vrouw voelt tegen contact tussen de man en [minderjarige] . Daarbij komt dat de man geen enkele blijk geeft van zelfs een begin van begrip voor de angsten en de weerstand die bij de vrouw leven, terwijl juist die erkenning noodzakelijk is om samen verder te komen. Dit is ook gebleken bij de mondelinge behandeling. De vrouw heeft angst en wil [minderjarige] beschermen. Die angst zit diep en komt ergens vandaan. Daar heeft de man hoe dan ook een aandeel in. Als de man inderdaad wil dat contactherstel enige kans van slagen heeft, dan zal hij inzicht moeten gaan tonen in het aandeel dat hij heeft in de door de vrouw gevoelde angst.
4.4.
Niet is de rechtbank gebleken dat de man na 2008 nog met politie en justitie in aanraking is gekomen. Verder is ook niet gebleken dat hij verslavingsproblematiek heeft. De rechtbank ziet in de omstandigheden van dit geval aanleiding om over een periode van vier maanden, of in ieder geval zodra de door partijen gekozen begeleidende instantie daartoe gelegenheid heeft, omgang op te starten onder begeleiding, om [minderjarige] zodoende te laten wennen aan zijn vader en de vrouw te laten wennen aan de contacten van [minderjarige] met zijn vader. In de tussenliggende drie maanden vanaf de datum van deze beschikking, dient de vrouw [minderjarige] te informeren over het bestaan van zijn vader. De rechtbank acht het van belang dat omgang eerst enige maanden onder begeleiding zal gaan plaatsvinden. De rechtbank zal de zaak in zoverre aanhouden zodat op termijn geoordeeld kan worden hoe verder.
4.5.
De rechtbank is van oordeel dat deze begeleide contacten in de omgeving van de woonplaats van [minderjarige] moeten gaan plaatsvinden. De rechtbank geeft de man een periode van drie maanden om drie instanties te kiezen in de omgeving van de vrouw en [minderjarige] die de omgang zouden kunnen begeleiden. De man zou daartoe een sociaal team of buurtteam van de gemeente waarin de vrouw met [minderjarige] woont kunnen benaderen, dan wel een particulier bureau zoals KLEM te Almere , met de vraag welke instanties begeleide omgang faciliteren. De vrouw wordt vervolgens door de rechtbank in de gelegenheid gesteld om daar een van de drie instanties uit te kiezen die vervolgens de opdracht moet krijgen om de begeleide omgangscontacten te gaan begeleiden.
4.6.
Het verzoek om omgang wordt daarom nu pro forma voor drie maanden aangehouden. Die periode moet worden benut door de vrouw om tot statusvoorlichting over te gaan. De vrouw dient de rechtbank tijdig voor de gestelde pro forma datum over het verloop van de statusvoorlichting te informeren. Verder dient de man tijdig voorafgaand aan de gestelde pro forma datum de rechtbank te informeren over drie mogelijke begeleidende instanties in de woonomgeving van de vrouw en [minderjarige] die ook te kennen hebben gegeven de omgang voor een periode van enkele maanden te kunnen gaan begeleiden. Vervolgens zal de vrouw door de rechtbank in de gelegenheid worden gesteld om een keuze te maken uit de voorgestelde begeleidende instanties.
4.7.
De rechtbank ziet aanleiding om het verzoek om een definitieve informatieregeling aan te houden. De rechtbank zal als voorlopige zorgregeling bepalen dat de vrouw de man eenmaal per vier weken schriftelijk op de hoogte stelt over gewichtige aangelegenheden met betrekking tot [minderjarige] , waarbij ook een recente foto van [minderjarige] moet worden gevoegd. Deze informatieverstrekking is onder meer van belang voor de aansluiting van de man bij [minderjarige] op het moment dat de begeleide omgang van start kan gaan.
4.8.
De rechtbank stelt vast dat de bijzondere curator haar taak als bijzondere curator heeft voltooid. De rechtbank zal de bijzondere curator dan ook van haar taak ontslaan. Mocht een van partijen echter een rechtsmiddel instellen, dan herleeft de taak van de bijzondere curator.
4.9.
De beslissing tot vervangende toestemming tot erkenning zal niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. De ambtenaar van de burgerlijke stand kan de geboorteakte pas aanpassen door een latere vermelding toe te voegen aan de geboorteakte wanneer de beslissing onherroepelijk is.

5.De beslissing

De rechtbank:
- verleent aan [de man] , geboren op [geboortedag 2] 1969 te [geboorteplaats 2] vervangende toestemming om
[minderjarige], geboren op [geboortedag 1] 2021 te [geboorteplaats 1] , te erkennen;
- ontslaat de bijzondere curator van haar taak als bijzondere curator van [minderjarige] , voor zover geen hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing;
- bepaalt dat de vrouw de man een keer per vier weken per e-mail informeert over belangrijke gebeurtenissen met betrekking tot [minderjarige] , met daarbij ook een recente foto van [minderjarige] gevoegd;
- bepaalt dat de behandeling van de verzoeken om een omgangsregeling en een informatieregeling
pro formavoor drie maanden wordt aangehouden tot
20 juni 2026waarbij de vrouw de rechtbank
tijdig voor 20 juni 2026dient te informeren over het verloop van de statusvoorlichting door de vrouw en waarbij de man tijdig voor 20 juni 2026 de rechtbank dient te informeren over drie mogelijke begeleidende instanties van omgang in de omgeving van de woonplaats van de vrouw en [minderjarige] , waarna de vrouw in de gelegenheid zal worden gesteld om een keuze te maken uit de voorgedragen begeleidende instanties.
Deze beschikking is gegeven door mr. F.P. Lauwaars, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. W.C. van Lavieren, griffier, op 10 maart 2026. [1]

Voetnoten

1.Voor zover tegen de beschikking hoger beroep openstaat kan dit via een advocaat worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (IJdok 20 / Postbus 1312, 1000 BH).