De rechtbank Amsterdam heeft op 23 april 2026 uitspraak gedaan over de vordering van de officier van justitie tot in behandeling neming van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door het Kantongerecht Stuttgart, Duitsland. De verdachte, een Kosovaarse zonder vaste verblijfplaats in Nederland, werd verdacht van strafbare feiten die in Duitsland zijn gepleegd en waarvoor een vrijheidsstraf van ten minste twaalf maanden staat.
Tijdens de zitting van 9 april 2026 verscheen de verdachte, bijgestaan door zijn advocaat en een Duitse tolk. De rechtbank verlengde de beslistermijn met 30 dagen en beval gevangenhouding tot sluiting van het onderzoek. De identiteit van de verdachte werd bevestigd en de rechtbank stelde vast dat het EAB voldeed aan de wettelijke eisen.
De rechtbank beoordeelde dat de feiten ook onder Nederlands recht strafbaar zijn als bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht, en dat geen weigeringsgronden voor overlevering aanwezig zijn. Op grond hiervan werd de overlevering toegestaan. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.