Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4893

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
21 mei 2026
Zaaknummer
C/13/775610 / HA ZA 25-1493
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Schadevergoedingsuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:74 BWArt. 6:82 BWArt. 6:83 BWArt. 6:96 BWArt. 6:101 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nakoming en schadevergoeding bij gebrekkige uitvoering aannemingsovereenkomst woningrenovatie

In deze civiele zaak vordert eiser schadevergoeding van aannemersbedrijf Bouwteam Aalsmeer B.V. (BTA) wegens gebrekkige uitvoering van een aannemingsovereenkomst voor woningrenovatie. De belangrijkste gebreken betreffen een onjuiste dekvloer, tochtproblemen bij vensterbanken en deuren, en een ondeugdelijke dakbedekking die plaatsing van zonnepanelen belemmerde.

De rechtbank oordeelt dat BTA tekort is geschoten in de nakoming, met name door het ontbreken van een dilatatievoeg in de dekvloer en onvoldoende dekking op de vloerverwarmingsleidingen. BTA is in verzuim gesteld, waarbij de rechtbank het verweer van schuldeisersverzuim en eigen schuld van eiser verwierp. De schadeposten, waaronder herstelkosten, bouwbegeleiding, vervangende woonruimte en deskundigenkosten, worden grotendeels toegewezen.

Ook de overige gebreken worden als tekortkomingen erkend en BTA is hiervoor in verzuim. De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van gederfde opbrengst zonnepanelen toe, omdat de dakbedekking niet voldeed aan kwaliteitseisen. De buitengerechtelijke kosten en proceskosten worden eveneens aan eiser toegewezen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: BTA wordt veroordeeld tot betaling van ruim € 94.000 aan schadevergoeding, kosten en rente wegens gebrekkige uitvoering en verzuim.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer: C/13/775610 / HA ZA 25-1493
Vonnis van 27 mei 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. S.H. van Santen,
tegen
AANNEMERSBEDRIJF BOUWTEAM AALSMEER B.V.,
gevestigd te Aalsmeer,
gedaagde partij,
hierna te noemen: BTA,
advocaat: mr. B. Blom.

1.Korte samenvatting van de zaak

BTA heeft in opdracht van [eiser] werkzaamheden in zijn woning verricht. Volgens [eiser] is het werk deels gebrekkig uitgevoerd: de zandcementdekvloer is gebrekkig en daarnaast zijn er nog een zestal andere gebreken. [eiser] vordert de schade voor de vloer, de zes gebreken en gederfde inkomsten van zonnepanelen. Volgens BTA heeft [eiser] geen recht op schadevergoeding, omdat zij een aantal gebreken betwist en niet in verzuim is ten aanzien van alle gebreken. Daarnaast heeft BTA niet de gelegenheid gekregen om de zes gebreken te herstellen. Verder is er volgens BTA sprake van schuldeisersverzuim en eigen schuld van [eiser] . De rechtbank wijst het grootste deel van de vorderingen van [eiser] toe. Hoe zij tot deze conclusie komt, wordt hierna uitgelegd.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 30 augustus 2025, met producties;
- de conclusie van antwoord, met producties;
- het tussenvonnis van 3 december 2025, waarin een mondelinge behandeling is bepaald;
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 12 maart 2026 en de daarin vermelde processtukken;
- de akte uitlaten deskundigenkosten c.q. akte eisvermeerdering van [eiser] van 25 maart 2026;
- de akte uitlating omtrent deskundigenkosten en vermeerdering eis van BTA van 8 april 2026.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1.
Begin 2021 hebben [eiser] en BTA een aannemingsovereenkomst gesloten tot de verbouwing van de woning van [eiser] . De werkzaamheden zijn eind 2021 afgerond. Voor dit vonnis is het leggen van een zandcementdekvloer (hierna: dekvloer) van belang en een aantal werkzaamheden aan de vensterbanken, kozijnen, deuren en de dakgoot (hierna samen te noemen: overige punten) en de dakbedekking.
3.2.
[eiser] heeft door een ander dan BTA de vloerverwarming in de woning laten leggen. BTA heeft eind juni/begin juli 2021 over de verwarmingsleidingen een dekvloer aangebracht. Omdat er sprake was van hoogteverschillen op de begane grond, heeft BTA de dekvloer als volgt uitgevoerd. Een deel van de dekvloer (de keuken en de woonkamer) heeft BTA hechtend uitgevoerd, waarbij de verwarmingsslangen op montagestrips zijn bevestigd. Een ander deel van de dekvloer (eetkamer/zitkamer) kende een lager liggende constructievloer en daar heeft BTA een verend opgelegde dekvloer gerealiseerd.
3.3.
[eiser] heeft V.O.F. [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ) ingeschakeld voor de vloerafwerking. Eind augustus 2021 heeft [bedrijf 1] de dekvloer afgewerkt met een gepleisterde Resistone minerale vloerafwerking, type beton-ciré (hierna: vloerafwerking).
3.4.
Eind december 2021 heeft [eiser] scheuren waargenomen in de vloerafwerking. [eiser] heeft in eerste instantie [bedrijf 1] aangesproken en verzocht tot herstel van de schade aan de vloerafwerking. [bedrijf 1] heeft Technisch Bureau Afbouw (hierna: TBA) opdracht gegeven om de oorzaak van de scheurvorming te onderzoeken. Op 13 januari 2023 heeft de heer [naam 1] (hierna: [naam 1] ) namens TBA de vloer in de woning beoordeeld en zijn conclusies opgenomen in een rapport van 1 februari 2023. In dit rapport is te lezen, voor zover van belang:
“De aanwezigheid van enkele fijne scheuren na het doorlopen van een opstook- en afkoelprotocol is volstrekt normaal. De vloer wordt voorbelast op thermische spanning en het gevolg van zo’n thermische spanning kan de vorming van een scheurlijntje (in de afkoelfase) zijn. (…)
Probleem in deze is echter dat het ontwerp van de dekvloer volkomen in strijd is met hetgeen daar normatief en op grond van de regels voor goed en deugdelijk werk aan eisen voor geldt.
In de eerste plaats is de dekvloer gedeeltelijk hechtend en gedeeltelijk verend opgelegd gerealiseerd. Tussen die twee wijzen van uitvoeren hoort een velddilatatie. Immers, het verend opgelegd deel kan verticaal bewegen bij belasten of door inklinken isolatie en hechtende deel niet. Ook zullen de dekvloerdelen zich bij opwarmen en afkoelen verschillend gedragen: de hechtende dekvloer zal de thermische spanning in de dekvloer als schuifspanning aan de constructievloer willen afdragen terwijl de verende dekvloer vrij wil (en kan) vervormen. Mits die dilatatie aanwezig is, is dat niet het geval, dan mag de nu optredende scheurlijn simpelweg verwacht worden. Dat is een duidelijke ontwerpfout. (…)
De dekking op de leidingen in de eetkamer/zitkamer laat tenminste plaatselijk sterk te wensen over. Een dekking op de leiding van 25mm wordt in NEN 2742 voorgeschreven. Deze wordt zeker niet overal gehaald. Is de dekking lager, dan is de dekvloer boven de leiding dus dun en is de kans op scheuren aanzienlijk verhoogd. (…)”
3.5.
Op 3 februari 2023 heeft [eiser] het rapport van TBA aan BTA toegestuurd en medegedeeld dat zijn rechtsbijstandsverzekering contact zal opnemen om te kijken naar een oplossing.
3.6.
Op 29 maart 2023 heeft de voormalig advocaat van [eiser] een e-mail verstuurd aan BTA, met als onderwerp “update gevraagd en ingebrekestelling met termijn”. Hierin is het volgende opgenomen, voor zover van belang:
“1. Gebreken aan de vloer
Graag ontvang ik een update over het dossier dat u ter beoordeling heeft voorgelegd aan de verzekeraar inzake de vloer (…). Ik verwijs u naar uw e-mail van 21 februari 2023.
2. Verborgen gebreken – ingebrekestelling
Daarnaast heeft client recentelijk een aantal gebreken in het uitgevoerde werk geconstateerd, waarvoor hij Aannemersbedrijf BouwTeam eveneens verantwoordelijk houdt:
a. Bij het plaatsen van zonnepanelen is gebleken dat de dakbedekking op de dakkapellen niet juist is waardoor er géén zonnepanelen geplaatst konden worden. De installateur constateerde dat er lucht onder de dakbedekking zit; dit dient eerst hersteld te worden voordat de zonnepanelen installateur opnieuw langs wil komen.
b. De vensterbanken zijn zonder verdere isolatie, ‘koud’ op de bankstenen muur aangebracht, waardoor er nu veel tocht doorheen komt; afgelopen winterperiode wanneer er iets meer wind was, voel je het waaien ter plaatse van deze vensterbanken. Client heeft dit nu tijdelijk afgedicht met duck-tape, maar hiervoor moet een structurele oplossing komen.
c. Tot op heden heeft client twee keer een lekkage gehad vanuit de badkamer naar de keuken; client weet niet hoe en wanneer dit ontstaat, maar het lijkt op een fout in de binnenriolering;
d. De zinken afscheiding bij de dakkapellen lijken te ontbreken;
e. Client heeft vanwege isolatie en energieverbruik tripple glas-deuren aangeschaft; echter afgelopen perioden waarin het wat kouder was voelde client kou door de deur naar binnen komen. Mogelijk wordt dit veroorzaakt omdat de tochtstrips bij de deuren en kozijnen verkeerd en/of verkeerd zijn aangebracht.
Termijn
Client stelt Aannemersbedrijf BouwTeam voor de bovengenoemde punten in gebreke en stelt hem gelegenheid om deze gebreken binnen 14 dagen te onderzoeken en te herstellen. (…).”
3.7.
Op 5 april 2023 is BTA samen met de heer [naam 2] (de architect die het ontwerp heeft gemaakt voor de totaalrenovatie, hierna: de architect) ter plaatse geweest om de gemelde gebreken te beoordelen. De architect heeft een verslag opgesteld waarin hij ingaat op de punten van [eiser] genoemd in zijn brief van 29 maart 2023. BTA heeft dit verslag op dezelfde dag aan [eiser] gemaild en aangegeven in overleg een dag te zullen prikken om een aantal herstelwerkzaamheden uit te voeren.
3.8.
Op 20 april 2023 heeft de gemachtigde van BTA kort samengevat geschreven dat BTA de mening van TBA niet deelt, dat BTA geen enkele bemoeienis heeft gehad over de vloerafwerking en dat [eiser] wist dat de dekvloer niet op elke plek even dik zou kunnen worden aangebracht vanwege de uitdrukkelijke eis van één egale vloer. Daarom acht BTA zich niet aansprakelijk voor de schade aan de door [eiser] zelf gekozen en door [bedrijf 1] aangebrachte vloerafwerking.
3.9.
Bij brief van 25 april 2023 heeft de gemachtigde van [eiser] gereageerd op voorgaande brief en aangegeven dat [eiser] aanvullend onderzoek zal laten doen naar de gebreken. Daarnaast heeft de gemachtigde geschreven:
“In ieder geval stel ik vast dat uw cliënte aansprakelijkheid ter zake de scheuren in de vloer betwist en deze niet zal herstellen. Daarmee stel ik haar verzuim vast. Dat betekent in ieder geval dat de kosten die zijn gemoeid met het herstel op uw cliënte worden verhaald.”
3.10.
Bij brief 4 mei 2023 is de gemachtigde van BTA puntsgewijs ingegaan op de door [eiser] genoemde gebreken. Verder heeft de gemachtigde van BTA het volgende geschreven over de dekvloer:
“Voor wat betreft de vloer heb ik cliënte bereid gevonden om geheel onverplicht en zonder enige erkenning van aansprakelijkheid de dialoog open te houden en tezamen met uw cliënt mee te denken over een oplossing. Cliënte ontvangt graag inzicht over de door uw cliënt gewenste oplossing.”
3.11.
[eiser] heeft Expertise Bureau Noord B.V. (hierna: EBN) opdracht gegeven om de gebreken te beoordelen. Op 21 juni 2023 heeft EBN een onderzoek uitgevoerd en haar bevindingen opgenomen in haar rapport van 22 augustus 2023. Kort samengevat komt EBN tot de conclusie dat er sprake is van een gebrek aan de dakbedekking, de vensterbanken, de zinken afscheiding en een aantal kozijnen en deuren in verband met tocht. Wat betreft de scheuren in de vloer onderschrijft EBN de bevindingen van TBA. Op 24 augustus 2023 is het rapport van EBN aan BTA toegestuurd.
3.12.
Op 19 september 2023 heeft de gemachtigde van BTA het volgende geschreven, voor zover van belang:
“De navolgende punten wil cliënte - en dit heeft zij al eerder aangegeven - langslopen en herstellen;
- Dakbedekking; de punten die de expert aanhaalt (los(latend) EPDM en afdichting) zullen worden opgelost;
- Panlatten: deze zullen worden ingekort;
- Tochtende deuren: de deuren zullen worden nagelopen en worden afgesteld. Bij de voordeur zal een nieuw tochtkader worden aangebracht;
- Vensterbanken: de vensterbanken zullen worden nagelopen en waar nodig worden afgedicht;
- (…);
- Aftimmering: Cliënte zal -indien cliënt dit wenst- ventilatie roostertjes aanbrengen.
Voor wat betreft de lekkage in de dakgoot, cliënte ontvangt graag bewijs van de lekkage. Tot op heden heeft zij dit niet ontvangen.
Voor wat betreft de vloer is cliënte bereid de dialoog open te houden en tezamen met uw cliënt mee te denken over een oplossing. Cliënte ontvangt hierover graag inzicht over de door uw cliënt gewenste oplossing.(…)”
3.13.
Bij brief van 27 september 2023 heeft de gemachtigde van [eiser] gereageerd. Hierin heeft hij BTA een laatste maal de gelegenheid gegeven om de gebreken te herstellen. Voor wat betreft de vloer heeft zij geschreven:
“Voor wat betreft de vloer heeft cliënt uw cliënte reeds meermaals de mogelijkheid geboden het gebrek te erkennen en vervolgens herstelwerkzaamheden uit te voeren. Steeds opnieuw heeft uw cliënte het gebrek ontkend. Nu schrijft u uw cliënte bereid te hebben gevonden om ‘mee te denken’ over een passende oplossing. U begrijpt dat dat onvoldoende is. Nu sprake
is van een gebrek, had uw cliënte onverwijld en zonder voorbehouden over moeten gaan tot
herstel. Dit heeft uw cliënte nagelaten. Daarnaast geldt - zoals u weet - dat het primair aan
de aannemer is om de herstelwijze te bepalen. Uw cliënte is dan ook in verzuim.”
3.14.
Bij brief 17 oktober 2023 heeft de gemachtigde van BTA gereageerd – kort samengevat – door aan te geven bereid te zijn om de gebreken te herstellen.
3.15.
Bij brief van 31 oktober 2023 heeft de gemachtigde van [eiser] BTA uitgenodigd om herstelwerkzaamheden aan de dakbedekking en de vensterbanken uit te voeren en de termijn voor het herstel van de overige punten verlengd tot en met 18 november 2023.
3.16.
BTA is bij [eiser] langs geweest om herstelwerkzaamheden uit te voeren. Bij brief van 1 december 2023 heeft BTA aan [eiser] aangegeven welke herstelwerkzaamheden zij heeft uitgevoerd en welke punten zij betwist.
3.17.
Bij e-mail van 6 december 2023 heeft de gemachtigde van [eiser] aan BTA geschreven – kort samengevat – dat de gebreken niet volledig zijn verholpen en dat BTA in verzuim is. Ook heeft hij bericht dat [eiser] een deskundige zal inschakelen om de gebreken en de uitgevoerde herstelwerkzaamheden te beoordelen en de omvang van de uit te voeren herstelkosten te begroten.
3.18.
Op 12 december 2023 heeft Helix Advies, een adviesbureau dat specialistisch onderzoek uitvoert bij vraagstukken rondom daken, het dak onderzocht en het volgende geschreven in een externe memo aan [eiser] :
“U heeft mij gevraagd voor een second opinion voor de dakbedekking op uw dakkapel. Op basis van uw foto’s is het overduidelijk, dat de uitvoering ondermaats is en niet aan de kwaliteitseisen voldoet die je hieraan mag verwachten.
De conclusie is dat de EPDM waarschijnlijk met een lijm is verkleefd, die nog niet droog genoeg was en waarbij de vulstoffen nog niet uitgetreden waren.
Andere oorzaken kunnen zijn:
- Lijm niet egaal is uitgesmeerd;
- Lijm is toegepast die niet is afgestemd op de EPDM;
- EPDM was nog vochtig of vuil aan de onderzijde;
- Ondergrond vochtig en vuil.
Het is dus duidelijk dat de richtlijnen voor juiste uitvoering niet zijn gevolgd (minimum temperatuur, vochtigheid ten tijde van aanbrengen binnen de marges, juiste hoeveelheid lijm, juiste droogtijd lijm etc.) of een onervaren persoon is geweest die dit heeft uitgevoerd.
Ik raad u aan om herstel (door een gekwalificeerde aannemer) te laten uitvoeren.”
3.19.
Op 12 januari 2024 heeft EBN in aanwezigheid van partijen een inspectie uitgevoerd en op 4 maart 2024 een rapportage opgesteld. In dit rapport is te lezen, voor zover van belang:
“(…) 1. Dakbedekking
(…) De plaatsing van de zonnepanelen dient nog steeds te gebeuren (door derden), echter [eiser] heeft aangegeven dat er geen partijen (derden) bereid zijn om de zonnepanelen te plaatsen. De rillen/vouwen in de dakbedekking zijn volgens partijen nog steeds aanwezig en vormen de belemmering om de zonnepanelen aan te brengen. [eiser] heeft dit ook laten onderzoeken door Helix Advies, waarbij de conclusie door Helix wordt getrokken dat de EPDM verkeerd is aangebracht. EBN gaat hierin mee. Dit kan verkeerde verlijming, geen goede voorbehandeling of bijvoorbeeld opwaaien tijdens het aanbrengen zijn geweest. Op basis hiervan en het feit dat er geen partij kan worden gevonden die op de huidige dakbedekking zonnepanelen wil plaatsen, is vervangen van de dakbedekking noodzakelijk. (…)
3. Tochtende toegangsdeur
De toegangsdeur aan de achterzijde zou opnieuw gesteld zijn door Bouwteam [toevoeging rb: lees BTA]. Uit de thermische foto’s blijkt dat er nog steeds sprake is van aanzienlijke luchtlekken (zie foto 2). De foto is genomen terwijl de deur op slot zat, wat de juiste methode is voor de meting. [eiser] heeft ook filmmateriaal aangeleverd waarbij de tocht wordt bevestigd. Het opnieuw stellen van de deur door Bouwteam heeft dus onvoldoende geholpen. Herstel (verbetering) dient plaats te vinden door de plaatsing van andere rubbers en/of het strakker plaatsen van de deur (bijvoorbeeld verplaatsen van scharnieren en sluitplaten). Dit zal wel de consequentie hebben dat de deur moeilijker te bedienen zal zijn.
4. Vensterbank keuken
Door EBN is voorgesteld nader onderzoek uit te voeren door de vensterbank te verwijderen en de situatie daaronder te onderzoeken en te verbeteren. Dat is niet door Bouwteam gebeurd. Er is een kitnaad op het aanrechtblad aangebracht. Het volgende is door EBN geconstateerd:
- Er is nog steeds sprake van een aanzienlijke hoeveelheid tocht, zie foto 3.
- Hierbij is het de aansluiting tussen vensterbank en kozijn wat de problemen veroorzaakt, niet de nu afgedichte naad tussen vensterbank en aanrechtblad. Dit was ook al het geval bij de vorige opname.
- De aangebrachte kitrand is slordig (zie foto 4).
- De vensterbank is beschadigd (zie foto 5). Het is door EBN niet vast te stellen wanneer de beschadiging is ontstaan en of dit ontstaan is tijdens het aanbrengen van de kitrand. De beschadiging was in ieder geval nog niet aanwezig tijdens de inspectie van EBN op 21-6-2023.
- Eén der aanwezigen van de BTA heeft tijdens de inspectie verklaard dat de beschadiging tijdens het kitwerk is gebeurd.
EBN adviseert nogmaals de vensterbank te verwijderen (zie eerdere opmerking). Hierbij zal de vensterbank vermoedelijk niet schadevrij blijven en zal moeten worden vervangen. Hierbij kan de beschadiging ook worden opgelost.
5. Vensterbanken 1e verdieping
Er is door Bouwteam gekozen voor de tussenoplossing, de vensterbanken zijn aan de onderzijde afgedicht (zie foto 6). Uit thermische foto’s blijkt dat de luchtlekken weg zijn. Het herstel heeft dus geholpen. De onderzijde dient nog wel te worden afgewerkt door middel van (bijvoorbeeld) een lat. (…)
7. Voordeur
Het ontbrekende tochtrubber is geplaatst. Er is echter een voelbare tocht aanwezig aan de bovenzijde, de sluitzijde en de onderzijde van de deur. Zie ook foto 7, 8 en 9.
Hier geldt in feite hetzelfde als bij de toegangsdeur (zie punt 3). De hoeveelheid tocht is niet acceptabel bij een moderne deur (ook al is deze gemonteerd in een bestaand kozijn). Hier geldt hetzelfde advies als voor de toegangsdeur van punt 3, andere rubbers en/of aanpassing scharnieren en sluitplaten. (…)
9. Aftimmeringen rondom aanbouw exterieur/dakgoten
Bouwteam heeft aangegeven dat er wel degelijk ventilatie in de getimmerde dakgoten aanwezig is, namelijk langs de muur. Hier is inderdaad een vrij smalle naad aanwezig. Nu moet ventilatie altijd via tegenover elkaar aanwezige openingen geschieden, zodat er ook aan de voorzijde een naad zou moeten zitten. De dakgoot is echter dusdanig smal dat dit naar de mening van EBN niet direct noodzakelijk is. De naden zijn echter niet aanwezig bij de luifel boven de voordeur. Hier dienen alsnog de ventilatieroosters (minimaal 4) te worden aangebracht.
Het zeer beperkte afschot en het naar voren hellen van de dakgoot is niet verholpen. Bij een door [eiser] uitgevoerde test (zie foto 11) is dit zichtbaar. Dit dient alsnog te worden verholpen bij de linker dakgoot (van achteren gezien). De rechter dakgoot loopt iets beter af en behoeft vooralsnog niet te worden aangepast (zie foto 10). Mogelijk zou hier een extra afvoer kunnen worden aangebracht, omdat de goot ook vrij lang is en het bovenliggende dak ook op de dakgoot loost (zie foto 12).
[eiser] heeft na de inspectie aangegeven dat nu ook de tweede dakgoot (rechter) inmiddels lekt, zoals eerder ook de linker dakgoot lekt. Dit was tijdens de inspectie van EBN nog niet het geval. Echter, ervan uitgaande dat de rechter goot op dezelfde wijze is uitgevoerd als de linkergoot en datgene wat hierboven is aangegeven, acht EBN het gezien de voorgaande problemen met de linker dakgoot het goed mogelijk dat bij deze dakgoot zich hetzelfde probleem voordoet als bij de linker dakgoot. EBN raadt aan ook hiernaar te kijken. Hiervoor is een kleine stelpost meegenomen in de calculatie. Dit kan worden uitgevoerd tijdens het vervangen van de gootbekleding. (...)”
3.20.
EBN kwam tot de conclusie dat BTA de uitgevoerde herstelwerkzaamheden niet compleet en niet erg zorgvuldig heeft uitgevoerd. EBN heeft in haar rapport aangegeven welke herstelwerkzaamheden moeten worden uitgevoerd en wat de omvang van de herstelkosten zijn.
3.21.
Bij brief van 28 maart 2024 heeft de gemachtigde van [eiser] het rapport van EBN aan BTA toegestuurd. Daarnaast heeft [eiser] in deze brief onder meer aangegeven dat hij de verplichting tot nakoming wat betreft de overige gebreken omzet in een verplichting tot vergoeding van vervangende schadevergoeding.
3.22.
Bij brief van 15 april 2024 heeft de gemachtigde van BTA – kort samengevat – aangegeven dat van vervangende schadevergoeding geen sprake kan zijn en dat [eiser] BTA nogmaals in de gelegenheid moet stellen om de gebreken te herstellen. De gemachtigde van BTA heeft dit bij e-mail van 28 mei 2024 betwist en aangegeven dat [eiser] BTA geen gelegenheid daartoe meer zal geven. Op 13 juni 2024 heeft de gemachtigde van BTA [eiser] geschreven dat hij BTA wel in de gelegenheid moet stellen om alsnog te herstellen.
3.23.
[eiser] heeft ingestemd met het verzoek tot herstel, onder de voorwaarde dat voorafgaand een plan van aanpak zou worden opgesteld en BTA de werkzaamheden conform dit plan zou uitvoeren. Op 19 juli 2024 heeft BTA een plan van aanpak overgelegd, waarbij hij aangaf voor welke punten hij zich wel en niet verantwoordelijk achtte en welke punten hij (desondanks) zou aanpakken.
3.24.
Partijen hebben vervolgens in augustus 2024 gecorrespondeerd over het plan van aanpak en de wijze van het herstel van de overige punten. Bij e-mail van 28 augustus 2024 aan BTA heeft [eiser] zijn voorwaarden geschreven:
- De genoemde werkzaamheden (behalve het verwijderen van de vensterbank en de werkzaamheden rondom de deuren) worden begin van week 39 uitgevoerd (maandag 23 tot en met woensdag 25 september).
- Het verwijderen van de vensterbank, het daarop volgend onderzoek en het voorleggen van de mogelijkheden voor de deuren door de timmerman vinden plaats op donderdagochtend 26 september, om 10.00 uur. Tijdens deze werkzaamheden zal de deskundige van EBN aanwezig zijn, zodat het voorstel en conclusies van de zijde van uw cliënte direct kunnen worden getoetst. De resterende uitgevoerde werkzaamheden zullen dan direct door de deskundige van EBN worden beoordeeld.
- Afhankelijk van het oordeel van EBN en na akkoord vanuit cliënt worden de resterende werkzaamheden (t.a.v. de vensterbank en de deuren) op korte termijn ingepland en uitgevoerd.”
3.25.
Op 23 september 2024 is BTA bij [eiser] langs geweest en heeft herstel-werkzaamheden uitgevoerd. EBN heeft wederom in opdracht van [eiser] en in het bijzijn van partijen de herstelwerkzaamheden van BTA beoordeeld. EBN heeft op 30 september 2024 een derde rapport uitgebracht. In dit rapport is te lezen, voor zover van belang:
“(…) 3. Tochtende toegangsdeur”
Is aangepast. Wegens de weersomstandigheden (onder meer de hogere temperaturen) was het niet mogelijk om nieuwe thermische foto’s te maken om vast te stellen of het bijstellen tot een verbetering heeft geleid. De deur sluit wel beter en valt goed in het slot. Advies van EBN is om bij koudere temperaturen alsnog een thermische foto te maken (punt wordt dus in principe aangehouden).
4. Vensterbank keuken
In de gegeven periode zijn er geen werkzaamheden uitgevoerd aan de vensterbank in de keuken. Door Bouwteam is met een bladwijzer getracht te bewijzen dat er geen sprake was van tocht. De eerder door EBN genomen thermische foto’s (zie foto 3) spreken voor wat betreft EBN voor zich. Er is tijdens de inspectie een discussie ontstaan of de beoogde herstelmethodiek de juiste is, mede door het ingrijpende karakter ervan. Door Bouwteam is voorgesteld een bak over de vensterbank te plaatsen, tot aan het keukenblad, om de tocht te weren. [eiser] zal dit in overweging nemen. (…) Dit punt wordt dus nog aangehouden.
5. Vensterbanken 1e verdieping.
Tijdens de inspectie was dit nog niet gereed. De werkzaamheden waren in uitvoering tijdens de inspectie. De afwerking was dus ook nog niet gereed. Dit punt dus nog aanhouden totdat alle werkzaamheden zijn afgerond. (…)
7. Voordeur
Er zijn volgens [eiser] door de kozijnfabrikant werkzaamheden verricht aan de voordeur. Of dat tot de gewenste resultaten heeft geleid kan alleen worden vastgesteld door het maken van een thermografische foto (zie eerdere opmerkingen). Verdere maatregelen zouden mogelijk zijn en zouden ook door de kozijnenfabrikant zijn medegedeeld aan Bouwteam. Dit advies (de verdere maatregelen) is niet bekend bij EBN en/of [eiser] . Dit punt aanhouden. EBN zou dit advies nog willen ontvangen ter beoordeling. (…)
9. Aftimmeringen rondom aanbouw exterieur
- Bij de rechter dakgoot is een extra afvoer geplaatst. De afvoer van hemelwater is nu afdoende, er is nauwelijks water aanwezig in de dakgoot.
- De linker dakgoot is enigszins recht gemaakt (horizontaal), maar het afschot is nog steeds onvoldoende. Water loopt niet af naar de afvoer, er blijft ± twee centimeter water in de goot staan terwijl de afvoer droog staat (zie foto 16 en 17).
- Er zijn ventilatieroosters aangebracht (zie foto 18) in beide dakgoten en de luifel boven de voordeur.
- Schilderwerk (nodig wegens het uitgevoerde herstel) is niet hersteld (foto 18). (…)”
3.26.
EBN heeft de herstelkosten weergegeven in een tabel, welke ook als bijlage aan dit vonnis is gehecht.
3.27.
Bij brief van 7 oktober 2024 heeft de gemachtigde van [eiser] aan de gemachtigde van BTA geschreven, voor zover hier van belang:
“(…) 1. Tot groot ongenoegen van cliënt is het tussen partijen vastgestelde plan van aanpak niet juist en integraal uitgevoerd. Uw cliënte heeft – in tegenstelling tot de eerder door haar opgegeven planning van maximaal een week – slechts één dagdeel (maandagochtend) gebruikt om de werkzaamheden uit te voeren. (…) De conclusie van EBN luidt:
“Er zijn slechts beperkt herstelwerkzaamheden uitgevoerd, niet volledig volgens het herstelplan en ook niet allemaal afdoende, danwel nog niet geheel opgelost. Dit is in tegenspraak met de gemaakte afspraken. Er dienen nog diverse werkzaamheden te worden verricht.”
2. Ten aanzien van onderstaande punten zijn de uitgevoerde werkzaamheden geheel niet in lijn met de gemaakte afspraken:
(1) De dakbedekking is slechts gedeeltelijk vervangen.
(5) Het kit- en schilderwerk rondom de geplaatste latjes ontbreekt
(9) De linker dakgoot is niet op voldoende afschot geplaatst en het schilderwerk is niet uitgevoerd en de waterafvoer op de luifel is ontoereikend.
3. Daarnaast geldt dat voor de toegangsdeuren (voor (punt 3) en achter (punt 7)) nog niet kan worden bepaald in hoeverre deze werkzaamheden toereikend zijn geweest. (…)
4. Voor wat betreft de vensterbanken in de keuken (punt 4) heeft uw cliënte voorgesteld een bak te plaatsen over de vensterbank (een overzet vensterbank). Cliënt is bereid om in te stemmen met deze oplossing. (…)
Laatste mogelijkheid
6. Zoals u zult begrijpen, heeft cliënt geen vertrouwen in een integrale en juiste uitvoering van de werkzaamheden door uw cliënte. Cliënt stelt dan ook voor de resterende gebreken op te lossen middels een financiële afwikkeling.
7. Cliënt is bereid om de gebreken zoals uiteengezet in het rapport van EBN met uitzondering van de vloer af te wikkelen voor een bedrag van € 10.000,00 (…)
9. Het bovengenoemd voorstel (randnummer 7) cliënt gestand gedurende vijf dagen na heden. Indien en voor zover uw cliënte niet, niet tijdig dan wel niet geheel instemt met dit voorstel, komt dit te vervallen. Alsdan biedt cliënt langs deze weg uw cliënte een laatste mogelijkheid om de bovenstaande werkzaamheden alsnog uit te voeren. Cliënt verzoekt en, voor zover nodig, sommeert uw cliënte binnen vijf dagen na heden te bevestigen dat de openstaande werkzaamheden binnen veertien dagen worden uitgevoerd.”
3.28.
Bij brief van 11 oktober 2024 heeft de gemachtigde van BTA als volgt gereageerd, voor zover relevant:
“(…)
Recent afgesproken en uitgevoerde werkzaamheden
Het klopt dat nog niet alle werkzaamheden zijn uitgevoerd, want er is afgesproken dat EBN eerst met een “oordeel” zou komen. Uw cliënt zou aan de hand daarvan een akkoord geven voor de nog uit te voeren werkzaamheden. Dit heeft uzelf toch bevestigd in uw e-mail d.d. 28 augustus jl.? Cliënt heeft hierover verder niets meer vernomen tot dat u nu hierover aanschreef. Hieronder gaat ik in ieder geval op de betreffende onderdelen in.
Tochtende toegangsdeur en voordeur
Deze punten zouden worden aangehouden omdat er niet geconstateerd kon worden of er nog sprake was van tocht. Aan beide deuren zijn er werkzaamheden verricht. Opvallend was overigens dat de toegangsdeur op maandag 23 september was afgesteld door de kozijnenfabrikant en dat de donderdag erop deze deur plots weer speling had. De sluitplaat bleek losgedraaid, onduidelijk is door wie, maar dit is weer hersteld. Als het goed is moeten de tochtproblemen nu zijn verholpen. Beide deuren voldoen nu aan de eisen die daaraan gesteld mogen worden. Mocht dit niet zo zijn, dan is het wellicht een optie om een extra aanslag aan te brengen.
Vensterbank keuken
Cliënt is inderdaad aan de buitenzijde met een bladblazer rondom de het kozijn en het raam gegaan. Aan de hand daarvan werd geen tocht geconstateerd. Opvallend is dat uw expert thans stelt dat de eerdere genomen thermische foto’s voor zich spreken. Terwijl er in de rapportage van 22 augustus 2023 nog werd aangegeven (pagina 8, punt 4):
“Wederom kan er via thermografische foto’s geen eensluidende conclusie worden getrokken”
Het was juist de bedoeling om in bijzijn van de expert de vensterbank te verwijderen en aan de hand van de bevindingen van cliënt alsmede de expert dan een plan op te stellen. Maar uw expert was vergeten mee te nemen wat juist cruciaal was: zijn warmtecamera. Omdat verwijdering van de vensterbank ingrijpend is, is er voor gekozen en afgesproken om dit op dat moment toch niet te doen. Voorts is er gesproken over het plaatsen van een bak over de vensterbank. Uw cliënt zou hier nog over nadenken en gaat hier thans ook mee akkoord. Dus die werkzaamheden zullen nog uitgevoerd moeten worden.
Vensterbanken 1ste verdieping
Deze werkzaamheden zijn gewoon verricht, er dient enkel nog afgeschilderd te worden. Dat zal gebeuren zodra de werkzaamheden aan de vensterbank in de keuken zijn verricht.
Aftimmeringen rondom aanbouw exterieur
Voor wat betreft het in de rapportage(s) genoemde punt 9
Aangezien het om een in het werk getimmerde goot gaat, kan deze niet op afschot worden gemaakt, maar is deze wel waterpas. Omdat ter plaatse van de afvoer de plakplaat van de afvoer iets verdikt is (dat heeft met het fabricage proces van de afvoer te maken) blijft er een klein beetje water in de goot staan.
Dit heeft kwalitatief geen nadelige gevolgen voor de goot. Blad zou er ook bij afschot in blijven staan en qua capaciteit van de afvoer is deze ruim voldoende. We hebben het hier over ca. 16 m2 dakvlak. Alhoewel de expert stelt dat er een verwachting is dat de luifel meer gaat overhellen, is dat nog maar zeer de vraag. Maar cliënt zal hier geen punt van maken en zal daar nog een schoor onder of trekstang boven plaatsen dan wel een extra afvoer plaatsen. Geeft u maar aan wat uw cliënt wil. Overigens betekent dit niet dat de goot alsnog afschot krijgt. Overigens is van lekkage verder geen sprake. (…)
Het klopt dat er overigens nog geschilderd moet worden, maar dat zal gebeuren op het moment dat ook de vensterbanken geschilderd gaan worden.
Kortom, er gaan en zullen nog werkzaamheden gaan plaatsvinden. Cliënt zal daarover contact met uw cliënt opnemen om een nieuwe datum te plannen. Afwikkeling tegen het -overigens niet reële - bedrag ad € 10.000,-, daar gaat cliënt niet mee akkoord.
3.29.
[eiser] heeft deze reactie voorgelegd aan EBN, die op 18 november 2024 op de door BTA aangedragen argumenten heeft gereageerd.
3.30.
Op 28 februari 2025 heeft ONE Expertise B.V. (hierna: ONE Expertise) in opdracht van BTA een onderzoek uitgevoerd en een rapport uitgebracht. In dit rapport is – kort samengevat – opgenomen dat de oorzaak van de scheurvorming voortvloeit uit de onderliggende overgang tussen verschillende vloerconstructies, zodat een dilatatie in de dekvloer had moeten worden aangebracht.
3.31.
Partijen hebben hierna geprobeerd om tot een algehele financiële regeling te komen, maar dat is niet gelukt.

4.Het geschil

4.1.
[eiser] vordert - samengevat en na vermeerdering eis - dat de rechtbank, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
Wat betreft de dekvloer
a. BTA veroordeelt om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 89.650,95, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf datum verzuim, te weten vanaf 12 april 2023 tot en met de dag van algehele voldoening.
Wat betreft de overige punten
BTA veroordeelt om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 5.899,94, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf datum verzuim, te weten vanaf 18 november 2023 tot en met de dag van algehele voldoening.
Gederfde opbrengst zonnepanelen
BTA veroordeelt om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 791,64, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 oktober 2024 tot en met de dag van algehele voldoening.
Deskundigenkosten
BTA veroordeelt om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 2.801,16, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 25 maart 2026 tot en met de dag van algehele voldoening.
Buitengerechtelijke kosten
BTA veroordeelt om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.738,43, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de datum van betekening van de dagvaarding tot en met de dag van algehele voldoening.
Proceskosten
BTA veroordeelt in de proces- en nakosten, met bepaling dat [eiser] het bedrag van de proceskostenveroordeling binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis aan [eiser] moet hebben voldaan, bij gebreke waarvan BTA vanaf de vijftiende dag wettelijke rente over de proceskosten verschuldigd wordt.
4.2.
[eiser] legt aan zijn vorderingen – kort weergegeven – ten grondslag dat BTA toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de tussen partijen gesloten aannemingsovereenkomst. De dekvloer vertoont gebreken en daarnaast zijn er nog een zestal overige gebreken. BTA is in verzuim ten aanzien van de dekvloer, omdat BTA geen gevolg heeft gegeven aan de brief van 29 maart 2023 en ten aanzien van de overige gebreken, omdat BTA deze gebreken na herhaalde pogingen daartoe niet althans niet deugdelijk heeft hersteld. [eiser] vordert in verband met deze tekortkomingen van BTA vervangende schadevergoeding. Ook vordert [eiser] gederfde inkomsten van zonnepanelen, omdat deze door toedoen van BTA niet konden worden geplaatst.
4.3.
BTA heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vorderingen met als conclusie dat de rechtbank de vorderingen moet afwijzen. BTA betwist dat zij in verzuim is komen te verkeren. BTA is niet deugdelijk in gebreke gesteld voor wat betreft de dekvloer. Voor wat betreft de overige punten heeft BTA deze wel willen herstellen, maar werd haar die kans niet geboden. Er is daarom sprake van schuldeisersverzuim. Daarnaast is er sprake van eigen schuld van [eiser] , omdat een aanzienlijk deel van de schade aan de vloer het gevolg is van keuzes en handelen van [eiser] zelf. Tot slot betwist BTA dat de zonnepanelen niet geplaatst konden worden.
4.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

5.1.
Deze zaak gaat over de vraag of BTA aan [eiser] vervangende schadevergoeding moet betalen en of [eiser] recht heeft op gederfde inkomsten van zonnepanelen. De rechtbank zal hieronder eerst de dekvloer behandelen en daarna de overige punten. Tot slot komen de overige vorderingen aan de orde.
Dekvloer
Toerekenbare tekortkoming
5.2.
Om aanspraak te kunnen maken op vervangende schadevergoeding moet allereerst sprake zijn van een tekortkoming die aan BTA kan worden toegerekend. De rechtbank oordeelt dat daarvan sprake is.
5.3.
BTA heeft op zitting erkend dat zij een fout heeft gemaakt bij het aanbrengen van de dekvloer. Deze fout bestaat volgens BTA hierin dat er geen dilatatie is aangebracht tussen het deel waar de dekvloer gedeeltelijk hechtend en gedeeltelijk verend is opgelegd. Ook heeft BTA op zitting erkend dat de dekking van de dekvloer op de leidingen van de vloerverwarming onvoldoende is geweest. Zij heeft op zitting verklaard dat zij op de leidingen van de vloerverwarming 15 mm heeft gesmeerd. De rechtbank heeft hierop het deskundigenonderzoek van TBA voorgehouden waaruit blijkt dat op sommige plekken 6 mm is gemeten, terwijl volgens NEN een dikte van 25 mm vereist is. Op zitting heeft BTA hierover verklaard dat zij zich deze dikte niet kan voorstellen, maar zij heeft dit niet weersproken. Wat daar verder ook van zij, vaststaat in ieder geval dat óók 15 mm niet voldoet aan de NEN normen. Hiermee is de tekortkoming van BTA een feit.
5.4.
Als verweer heeft BTA nog aangevoerd dat het de uitdrukkelijke wens van [eiser] was om een dunne laag te smeren om het verschil in de buitengevelkozijnen op de begane vloer recht te trekken en dat dat niet was gelukt als hij meer dan 15 mm zou smeren. De rechtbank merkt op dat het op de weg van BTA had gelegen om [eiser] te waarschuwen als hij problemen zou verwachten met de dikte van de dekvloer. Dat heeft BTA niet gedaan. Het verweer dat [eiser] akkoord is gegaan met de werkwijze van BTA kan hem om deze reden niet baten.
Verzuim
5.5.
Om aanspraak te kunnen maken op vervangende schadevergoeding moet ook sprake zijn (geweest) van verzuim van BTA.
5.6.
[eiser] stelt primair dat hij BTA op 29 maart 2023 in gebreke heeft gesteld. Omdat BTA geen gehoor heeft gegeven aan deze ingebrekestelling, is het verzuim op 12 april 2023 ingetreden. Subsidiair stelt [eiser] dat het verzuim is ingetreden op 20 april 2023 op grond van artikel 6:83 sub c BW Pro, omdat uit de brief van deze datum blijkt dat BTA in de nakoming van de verbintenis tekort zal schieten.
5.7.
BTA betwist dat sprake is van verzuim op voormelde gronden. Volgens BTA had de ingebrekestelling van [eiser] van 29 maart 2023 uitsluitend betrekking op de overige gebreken. Over de dekvloer heeft [eiser] gevraagd om een update en geen termijn voor herstel gegeven. BTA heeft in haar brief van 20 april 2023 alleen de aansprakelijkheid voor de schade aan de door [eiser] gekozen en door [bedrijf 1] aangebrachte topvloer afgewezen. BTA is altijd bereid geweest om de dekvloer te herstellen en dat blijkt uit haar latere e-mails. [eiser] heeft BTA echter die herstelmogelijkheid nooit geboden door steeds te stellen dat er sprake is van verzuim. [eiser] verkeert daarom in schuldeisersverzuim, aldus steeds BTA.
5.8.
De rechtbank oordeelt dat sprake is van verzuim en licht dit als volgt toe. Uitgangspunt bij de beantwoording van de vraag of BTA in verzuim is komen te verkeren, zijn de artikelen 6:74 lid 2 en 6:82 lid 1 BW. Die artikelen bepalen dat, voor zover nakoming niet reeds blijvend onmogelijk is, het verzuim intreedt wanneer de schuldenaar in gebreke wordt gesteld bij een schriftelijke aanmaning, waarbij hem een redelijke termijn voor de nakoming wordt gesteld en nakoming binnen deze termijn uitblijft. Onder omstandigheden kan verzuim ook zonder ingebrekestelling intreden (artikel 6:83 BW Pro). Bijvoorbeeld wanneer de schuldeiser uit een mededeling van de schuldenaar moet afleiden dat deze in de nakoming van de verbintenis zal tekortschieten (artikel 6:83 sub c BW Pro).
5.9.
De rechtbank is het met BTA eens dat de e-mail van 29 maart 2023 van [eiser] (3.6) niet kan worden gezien als een ingebrekestelling voor wat betreft de dekvloer. De e-mail maakt een onderscheid in de gebreken aan de dekvloer en de “verborgen gebreken”. Alleen achter het kopje verborgen gebreken is “ingebrekestelling” genoteerd. Over de dekvloer wordt uitsluitend om een update gevraagd. [eiser] heeft op zitting weliswaar gesteld dat onder het kopje “Termijn” de gelegenheid wordt geboden om “de bovengenoemde punten”, dus ook de dekvloer, te herstellen, maar dit acht de rechtbank tegenstrijdig met de vraag naar een update. De ratio van de verzuimregeling is gelegen in de wens om de schuldenaar een kans te bieden om alsnog na te komen, voordat de schuldeiser juridische acties in stelling kan brengen. De rechtbank is van oordeel dat uit deze e-mail niet duidelijk blijkt dat [eiser] BTA de kans bood om de dekvloer te herstellen en dat BTA uit deze brief niet kon en hoefde op te maken dat de ingebrekestelling ook zag op de dekvloer.
5.10.
Voor de stelling van [eiser] dat hij op 20 april 2023 (3.8) uit de gedragingen van BTA tot dan toe heeft mogen afleiden dat zij zal tekortschieten in haar verplichting vindt de rechtbank voldoende steun in de correspondentie tussen partijen. [eiser] heeft BTA geïnformeerd over de scheuren in de toplaag en hem geconfronteerd met het onderzoek van TBA waaruit blijkt dat de scheuren zijn oorzaak vinden in de door BTA aangebrachte dekvloer (geen dilatatie en onvoldoende dikte op de leidingen). Naar aanleiding van de e-mail van 29 maart 2023 heeft BTA de architect bij [eiser] langs laten komen en de architect heeft ook naar de dekvloer gekeken en geconstateerd dat er geen dilatatie is aangebracht. In het verslag van de architect is verder te lezen dat BTA zijn verzekering op de hoogte heeft gebracht van de problemen met de dekvloer. Hoewel BTA dus voldoende geïnformeerd is door [eiser] over het gebrek in de dekvloer en BTA dit ook niet ontkent voor wat betreft het ontbreken van dilatatie, getuigt haar reactie richting [eiser] niet van een welwillende schuldenaar die bereid is om het probleem op te lossen. Integendeel, in haar brief van 20 april 2023 deelt BTA mede dat zij het niet eens is met de beoordeling door TBA en wijst BTA met de vinger naar [bedrijf 1] zonder haar eigen verantwoordelijkheid in het werk te nemen. [eiser] mocht daarom uit de inhoud van de brief van 20 april 2023 afleiden dat BTA niet openstond voor het herstellen van het gebrek aan de dekvloer. Dat in de brief staat dat BTA zich niet aansprakelijk acht voor de door [bedrijf 1] aangebrachte vloerafwerking maar dat er niets staat over de dekvloer, zoals BTA betoogt, maakt dat niet anders. BTA heeft tot dan toe steeds afwijzend gereageerd richting [eiser] , zodat [eiser] niets anders kon dan hieruit opmaken dat BTA niet tot herstel zou overgaan en aldus in de nakoming van de verbintenis tekort zou schieten. Gelet op dit oordeel kan er daarom geen sprake zijn van schuldeisersverzuim van [eiser] .
5.11.
BTA heeft verder nog aangevoerd dat zij op 4 mei (3.10) en op 19 september 2023 (3.12) heeft aangegeven het dialoog open te willen houden en samen met [eiser] te willen meedenken over een oplossing voor de dekvloer. Deze berichten zuiveren het reeds ingetreden verzuim van BTA echter niet.
Schade
5.12.
Nu is vastgesteld dat sprake is van een toerekenbare tekortkoming en verzuim, is de vraag wat de schade van [eiser] is en of die voor vergoeding in aanmerking komt.
5.13.
Volgens [eiser] bestaat de schade uit kosten voor het uitvoeren van herstelwerkzaamheden en gevolgschade, zoals de kosten die hij moet maken voor een nieuwe vloerafwerking, vervangende woonruimte, de opslag en deskundigenkosten. Deze gevolgschade komt volgens [eiser] op grond van artikel 6:74 BW Pro voor vergoeding in aanmerking. De totale schade die verband houdt met de vloer heeft [eiser] begroot op € 89.650,95 en is als volgt opgebouwd:
5.15.
[eiser] stelt dat deze kosten voor vergoeding in aanmerking komen op grond van artikel 6:96 BW Pro. BTA voert aan dat zij niet betrokken is geweest bij het onderzoek van TBA. Bovendien zag dit onderzoek op de mogelijke aansprakelijkheid van [bedrijf 1] voor de schade aan de topvloer. Daarmee ontbreekt het vereiste causaal verband, aldus BTA.
5.16.
De rechtbank wijst deze post toe. Uitgangspunt is dat kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid voor vergoeding in aanmerking komen, mits aan de dubbele redelijkheidstoets en het causaliteitsvereiste is voldaan (artikel 6:96 lid 2 BW Pro). De rechtbank oordeelt dat het onderzoek van TBA was bedoeld om de schade van [eiser] en de daarvoor aansprakelijke persoon vast te stellen, zoals [eiser] ook stelt. Dat dit onderzoek aanvankelijk is opgestart met het idee dat mogelijk [bedrijf 1] aansprakelijk zou zijn voor de schade, doet daar niet aan af. TBA heeft onderzoek gedaan naar zowel de vloerafwerking als de door BTA aangebrachte dekvloer. De conclusie van TBA was dat het gebrek in de dekvloer zat. Het onderzoek van TBA was aldus noodzakelijk om de schade van [eiser] en daarmee de aansprakelijke persoon vast te stellen. Daarom valt deze kostenpost onder voornoemd artikel en is BTA gehouden deze kosten te betalen.
Kosten van DEKRA van € 3.130,88
5.17.
[eiser] stelt dat deze kosten noodzakelijk zijn en voor vergoeding in aanmerking komen op grond van artikel 6:96 BW Pro. BTA betwist dat deze kosten noodzakelijk waren voor het vaststellen van de schade of de hoogte daarvan. DEKRA heeft slechts de ontvangen offertes beoordeeld. Het inschakelen van DEKRA is daarom disproportioneel en niet redelijk. Daarom kan BTA niet worden gehouden deze kosten te vergoeden, aldus BTA.
5.18.
De rechtbank is van oordeel dat deze kostenpost in deze situatie ook noodzakelijk is geweest voor de vaststelling van de hoogte van de schade. [eiser] heeft namelijk op zitting verklaard dat hij meerdere aannemers om een offerte heeft gevraagd en dat de hoogte van de offertes aanzienlijk verschilden. [eiser] heeft daarom de hoogte van de offertes laten toetsen door een onafhankelijk bureau. Als hij dit niet had gedaan, dan had BTA verweer gevoerd tegen de hoogte van de offerte, aldus [eiser] . BTA heeft niets tegen deze verklaring ingebracht. DEKRA is een schade expertisebureau dat door verzekeraars wordt ingeschakeld om te beoordelen in hoeverre het schadebedrag als redelijk wordt geacht. Gelet op de hoogte van de verschillende offertes heeft [eiser] zorgvuldig gehandeld door deze te laten beoordelen door een gespecialiseerd bureau.
Bouwbegeleiding van € 2.438,15
5.19.
[eiser] vordert een bedrag van € 2.438,15 uit hoofde van bouwbegeleiding door TBA. BTA voert aan dat de kosten voor bouwbegeleiding niet strikt noodzakelijk zijn voor herstel. Deze kosten vallen volgens haar niet onder artikel 6:96 BW Pro.
5.20.
Tijdens de zitting is naar voren gekomen dat BTA de werkzaamheden heeft uitgevoerd zonder bouwbegeleiding. [eiser] heeft hierover verklaard dat hij van het begin af aan graag bouwbegeleiding had gezien omdat het om een ingrijpende verbouwing ging, maar dat BTA daar niet voor gekozen heeft. Volgens [eiser] is bouwbegeleiding bij het uitvoeren van herstelwerkzaamheden noodzakelijk, omdat het in eerste instantie niet goed is gegaan en de herstelwerkzaamheden ook ingrijpend zullen zijn. BTA heeft dit niet weersproken, maar alleen aangevoerd dat de bouwbegeleiding op eigen kosten van [eiser] dient te gebeuren omdat een rechtsgrond hiervoor ontbreekt.
5.21.
Vaststaat dat bij de huidige verbouwing de communicatie over het leggen van de dekvloer en de topvloer onvoldoende is geweest en dat dit tot problemen heeft geleid. Van belang is dat de herstelwerkzaamheden goed worden uitgevoerd. Daarvoor acht de rechtbank het noodzakelijk en essentieel dat de dekvloer en topvloer goed op elkaar aansluiten en dat een derde daarover de regie neemt. Daarom is de rechtbank het met [eiser] eens dat bouwbegeleiding bij het uitvoeren van de herstelwerkzaamheden in dit geval noodzakelijk is. Waarom dit niet zo zou zijn, heeft BTA overigens niet verder toegelicht.
Vervangen vloer
5.22.
[eiser] vordert een bedrag van € 17.420,37 voor het herstellen van de dekvloer en een bedrag van € 15.805,00 voor de vloerafwerking (een nieuwe gietvloer).
5.23.
De rechtbank wijst beide bedragen toe. Aangezien het verzuim vaststaat en BTA tegen de kostenpost voor het herstellen van de dekvloer alleen het verweer heeft gevoerd dat er geen sprake was van verzuim, kan deze kostenpost als niet betwist worden aangenomen. Voor wat betreft de kosten voor een nieuwe gietvloer heeft BTA aangevoerd dat deze niet onder vervangende schadevergoeding vallen. Dit is niet juist. Om de dekvloer te herstellen, moet de huidige topvloer ook worden vervangen. Daarom staat vast dat BTA ook de vloerafwerking als gevolgschade voor zijn rekening moet nemen. Ten aanzien van de hoogte van het bedrag heeft BTA aangevoerd dat als [eiser] kosten claimt voor een luxere of andere afwerking dan de oorspronkelijke topvloer, er sprake is van verbetering en niet van schadeherstel. BTA heeft echter niet onderbouwd dat en waarom dit zo zou zijn. [eiser] heeft onder overlegging van een offerte van [bedrijf 1] en een beoordeling door DEKRA daarvan voldoende toegelicht dat deze kosten redelijk zijn.
Aanvullende werkzaamheden
5.24.
De aanvullende werkzaamheden bestaan uit het in- en uitruimen, demonteren, opslag en hermonteren keuken, vervangen werkbladen keuken, bouwkundige werkzaamheden, plinten, tegels en schoonmaak. BTA betwist dat deze kosten (volledig) voor vergoeding in aanmerking komen. Zij voert aan dat veel van deze werkzaamheden niet strikt noodzakelijk zijn voor het herstel van de dekvloer, maar zien op eventuele c.q. potentiële gevolgschade of zelfs verbetering van de woning.
5.25.
De kosten voor het in- en uitruimen, tegels toiletruimte en schoonmaak wijst de rechtbank toe. [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat deze werkzaamheden noodzakelijk zijn. De kosten zijn ook reëel.
5.26.
Ook de kosten voor het demonteren, opslaan en hermonteren van de keuken wijst de rechtbank toe. BTA heeft een minder ingrijpende oplossing voorgesteld, namelijk dat enkel het kookeiland weggehaald hoeft te worden en de keuken kan blijven staan door deze alleen af te dekken tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden. Tijdens de zitting heeft de deskundige hierover verklaard dat de dekvloer niet om de keuken kan worden gelegd. Bovendien zou bij de door BTA voorgedragen oplossing [eiser] niet meer de keuken kunnen vervangen zonder dat hij ook iets aan de dekvloer zou moeten doen. Dat acht de rechtbank niet wenselijk. BTA heeft verder nog aangevoerd dat de kosten van demonteren van de keuken van € 2.300,- uitzonderlijk hoog en buiten proportie zijn, maar zij heeft dit verder niet toegelicht. [eiser] heeft deze kostenpost onderbouwd met een offerte van Timmerbedrijf [bedrijf 2] en aangevoerd dat het demonteren de nodige zorgvuldigheid vereist, al was het niet dat de garantie op de keuken door het demonteren vervalt. De hoogte van deze kostenpost komt de rechtbank niet onredelijk voor.
5.27.
Aangezien de keuken niet kan blijven staan tijdens de herstelwerkzaamheden, is de rechtbank het met [eiser] eens dat de werkbladen ook moeten worden vervangen. [eiser] heeft met de toelichting van de keukenboer voldoende aangetoond dat de werkbladen bij het verwijderen zullen breken. BTA heeft hiertegen geen verweer gevoerd, zodat de rechtbank deze kostenpost ook toewijst.
5.28.
De kostenpost diverse bouwkundige werkzaamheden bestaat uit het werk van de stucadoor en schilder. [eiser] heeft hierover verklaard dat dit noodzakelijk is, omdat de muur wordt beschadigd als de vloer wordt weggehaald. Na het stucen moet de muur ook geschilderd worden, waarvoor op zijn beurt werkzaamheden als afplakken van deuren en het opnieuw plaatsen van plinten bij komen kijken. BTA heeft hiertegen aangevoerd dat deze werkzaamheden verband houden met esthetische vernieuwing of comfortverbetering en niet vallen onder schadeherstel. De rechtbank is het hier niet mee eens. [eiser] heeft toegelicht dat het schilderwerk niet ouder is dan anderhalf jaar. Volgens DEKRA geldt oud voor nieuw pas na verloop van tien jaar. Wat betreft de kosten voor de plinten ziet de kostenpost van Robuustbouw op het leveren van plinten en de kostenpost van Rokega op het plaatsen van de plinten, zodat van een dubbeling, zoals BTA betoogt, geen sprake is. Al met al komt de rechtbank tot de conclusie dat [eiser] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat de bouwkundige werkzaamheden noodzakelijk zijn. Daarom wijst de rechtbank de totale post van € 37.258,56 toe.
Verblijf elders
5.29.
[eiser] stelt dat hij tijdens de herstelwerkzaamheden niet in de woning kan blijven wonen en voert kosten voor tijdelijk verblijf van € 4.000 op. BTA betwist dat het noodzakelijk is om de woning volledig te verlaten gedurende het herstel. Het werk kan volgens haar gefaseerd of op een wijze worden uitgevoerd waarbij bewoning (deels) mogelijk blijft. De opgevoerde huurprijs van € 4.000 vindt BTA bovendien niet marktconform. Bovendien heeft [eiser] geen huurcontract of betalingsbewijs overgelegd. [eiser] heeft een schadebeperkingsplicht en dient genoegen te nemen met een bescheidener oplossing, zoals tijdelijke huisvesting met minder oppervlakte of alternatieve voorzieningen.
5.30.
De rechtbank wijst deze kostenpost toe. Allereerst is de rechtbank van oordeel dat de herstelwerkzaamheden ingrijpend zijn te noemen, omdat dit de gehele begane grond beslaat, en dat verblijf in de woning tijdens deze werkzaamheden daarom niet mogelijk is. [eiser] is aldus aangewezen op verblijf elders. Omdat dit verblijf van een korte duur zal zijn en niet te vergelijken is met een huurwoning op basis van een jaarcontract, komt de prijs de rechtbank niet onredelijk voor. [eiser] heeft de prijs daarnaast voldoende toegelicht aan de hand van een verklaring van de makelaar.
Reiskosten
5.31.
[eiser] heeft een bedrag van € 250,- begroot voor extra reiskosten. BTA bestrijdt deze kosten en voert aan dat deze kosten niet zijn gespecificeerd op afstand, frequentie of tarief. [eiser] heeft op zitting hierover verklaard dat hij deze kosten niet kan specificeren omdat ze nog moeten plaatsvinden.
5.32.
De rechtbank wijst deze kostenpost af, omdat niet vaststaat dat deze kosten zullen worden gemaakt. [eiser] heeft immers nog geen verblijf elders gevonden, zodat een begroting van deze kosten niet valt te maken.
Indexatie en onvoorzien
5.33.
[eiser] vordert een bedrag van € 8.150,09 als opslag op het subtotaal. BTA betwist dat deze post voor vergoeding in aanmerking komt, omdat schadevergoeding gebaseerd moet zijn op daadwerkelijk gemaakte en onderbouwde kosten, niet op globale opslagen.
5.34.
De rechtbank wijst deze post toe. DEKRA heeft over deze kosten verklaard dat zij deze post standaard opneemt. Dit heeft te maken met prijsstijgingen en met het feit dat er altijd onvoorziene kosten zullen zijn. Hieruit blijkt de noodzaak van deze kosten. Wat betreft de hoogte van deze kosten heeft DEKRA verklaard dat zij rekenen met 5% voor indexatie en 5% voor onvoorzien. De offerte is inmiddels van anderhalf jaar geleden, zodat een indexatie van 5% allerminst redelijk is te achten. BTA heeft hiertegenover niets aangevoerd, zodat dit onvoldoende is betwist. De percentages en uiteindelijk de hoogte van deze post komt de rechtbank gelet op het tijdsverloop niet onredelijk voor.
Geen matiging
5.35.
Ten aanzien van alle posten heeft BTA subsidiair aangevoerd dat een substantiële matiging dient plaats te vinden, gelet op het ontbreken van noodzaak, de disproportionaliteit van de kosten en de aanzienlijke mate van eigen schuld aan de zijde van [eiser] . Bij de beoordeling van de afzonderlijke posten is naar voren gekomen dat deze noodzakelijk zijn gebleken en dat de kosten niet onredelijk zijn. Daarom ziet de rechtbank geen aanleiding om de kosten te matigen.
Geen eigen schuld ex artikel 6:101 BW Pro
5.36.
BTA voert aan dat er sprake is van eigen schuld aan de zijde van [eiser] en dat daarom de schade in belangrijke mate voor rekening van [eiser] moet blijven. Volgens BTA is een aanzienlijk deel van de schade aan de dekvloer het gevolg van keuzes en handelen van [eiser] zelf. De gekozen vloerafwerking was niet geschikt om toe te passen op de reeds aangebrachte dekvloer. BTA verwijst hiervoor naar het rapport van ONE Expertise waarin is vermeld dat het in technisch opzicht een foutieve keuze was om een beton-ciré vloerafwerking aan te brengen over twee verschillende ondervloeren zonder dilatatie. Indien BTA vooraf had geweten welke vloerafwerking [eiser] voor ogen had, zou hij deze keuze hebben afgeraden. Bovendien rustte er op [bedrijf 1] een zelfstandige onderzoeks- en waarschuwingsplicht. [bedrijf 1] heeft een vloerafwerking aangebracht terwijl er al scheurvorming was en zag dat geen dilatatie was toegepast. Het niet naleven van deze waarschuwingsplicht door [bedrijf 1] betekent dat ook aan diens zijde sprake is van een tekortkoming. Dit vergroot het aandeel van [eiser] in de ontstane schade, aldus steeds BTA.
5.37.
[eiser] betwist het voorgaande. Hij voert aan dat BTA wel wist wat voor een soort vloerafwerking zou worden aangebracht en dat tussen partijen ook is gesproken over de hoogte van de dekvloer. BTA miskent dat niet [bedrijf 1] , maar zijzelf als aannemer een waarschuwingsplicht heeft om [eiser] erop te wijzen als de dekvloer niet geschikt is om een dergelijke vloerafwerking op aan te brengen althans dat dit tot scheurvorming zou gaan leiden, aldus [eiser] .
5.38.
De rechtbank oordeelt dat geen sprake is van eigen schuld aan de zijde van [eiser] . De vraag of de gekozen vloerafwerking wel of niet geschikt is op de door BTA aangebrachte dekvloer kan in het midden blijven. Vast staat immers dat de dikte van de dekvloer op de leidingen onvoldoende is en dat BTA hiervan een verwijt valt te maken. Het klopt dat [bedrijf 1] tijdens het leggen van de vloerafwerking heeft kunnen waarnemen dat er geen dilatatievoeg was toegepast in de ondervloer. [bedrijf 1] heeft daarvoor ook noodmaatregelen genomen door gaas over de scheur te leggen. Wat [bedrijf 1] niet had kunnen waarnemen, was de dikte van dekking op de leidingen. Deze was minimaal en voldeed niet aan de NEN eisen. [bedrijf 1] mocht ervan uitgaan dat er 25 mm was gelegd conform de NEN normen. Daarom kan niet worden aangenomen dat op [bedrijf 1] een waarschuwingsplicht rustte.
Conclusie dekvloer
5.39.
De conclusie is dat de totale schade van [eiser] uitkomt op € 89.400,95 (€ 1.197,90 + € 3.130,88 + € 2.438,15 + € 17.420,37 + € 15.805,00 + € 37.258,56 + € 4.000,00 + € 8.150,09)
Overige punten
5.40.
[eiser] stelt dat sprake is van de volgende gebreken:
er is sprake van tochtvorming bij de vensterbank bij de keuken en deze vensterbank is beschadigd ten gevolge van de herstelwerkzaamheden;
de afwerking van de vensterbank (onderzijde) op de 1e verdieping ontbreekt;
de toegangsdeur van de woning tocht (boven-, sluit- en onderzijde);
het afschot van de linker dakgoot is onvoldoende (afwatering bij de dakgoten)
afwerking is niet uitgevoerd (schilderwerk en de aanhechting van het plaatmateriaal);
door helling is de afwatering van de luifel onvoldoende en de plakplaat van de afvoer is onthecht.
5.41.
[eiser] stelt dat hij BTA meermaals de gelegenheid heeft gegeven om deze gebreken te herstellen. Verschillende pogingen van BTA hebben niet geleid tot (deugdelijk) herstel, zodat BTA op 18 november 2023 in verzuim is komen te verkeren. [eiser] heeft ook geen vertrouwen meer in BTA en haar vermogen/kundigheid het werk alsnog goed en deugdelijk uit te voeren. [eiser] heeft uiteindelijk op 28 maart 2024 de vordering tot nakoming omgezet naar een vordering tot schadevergoeding. EBN heeft de herstelkosten van deze gebreken begroot op een bedrag van € 4.922,86 inclusief btw. [eiser] vordert dit bedrag van BTA.
5.42.
BTA betwist dat zij in verzuim is. Zij voert aan dat zij nog met herstel van bovenstaande punten bezig was, maar dat [eiser] haar niet meer heeft toegelaten tot afronding van het herstel. Tussen partijen was namelijk afgesproken dat EBN en [eiser] zelf een terugkoppeling zouden geven aan BTA. Deze terugkoppeling is echter uitgebleven. Desondanks heeft [eiser] onterecht de verbintenis eenzijdig omgezet naar vervangende schadevergoeding, aldus BTA.
Verzuim
5.43.
Ook hier is voor de toewijzing van vervangende schadevergoeding van belang of sprake is van een toerekenbare tekortkoming van BTA en zo ja, of BTA in verzuim is. Voordat de rechtbank hieronder per punt zal bespreken of daarvan sprake is, merkt zij op dat zij [eiser] niet volgt in haar stelling dat BTA op 18 november 2023 in verzuim is komen te verkeren. [eiser] heeft immers zelf na die datum BTA meerdere malen gelegenheid gegeven om de gebreken te herstellen.
Punt a: tochtvorming bij de vensterbank
5.44.
De rechtbank maakt uit het rapport van EBN van 4 maart 2024 (3.19) op dat na een eerste herstelpoging van BTA nog steeds sprake was van een aanzienlijke hoeveelheid tocht bij de vensterbank in de keuken. Volgens EBN ligt de oorzaak in de aansluiting tussen de vensterbank en het kozijn en vindt EBN dat BTA het herstelwerk niet deugdelijk heeft uitgevoerd. Zo blijkt uit het rapport van EBN van 4 maart 2024 dat de door BTA aangebrachte kitrand slordig is en dat de vensterbank is beschadigd. Op 23 september 2024, de dag dat BTA herstelwerkzaamheden kwam doen bij [eiser] , heeft BTA geen herstel uitgevoerd aan de vensterbank in de keuken. BTA heeft, zoals zij zelf aanvoert, met een bladwijzer proberen te bewijzen dat er geen sprake was van tocht. Kennelijk was BTA van mening dat er geen sprake was van een tekortkoming op dit punt, maar zij heeft het oordeel van EBN niet voldoende gemotiveerd weerlegd. Daarom gaat de rechtbank uit van het rapport van EBN van 30 september 2024 (3.25) waaruit voldoende blijkt dat nog steeds sprake is van tocht bij de vensterbank en dat dit moet worden hersteld, alsook de beschadigde vensterbank. Dit is een tekortkoming die aan BTA kan worden toegerekend.
5.45.
BTA voert aan dat zij niet in verzuim is, omdat [eiser] nog zou beslissen over het voorstel van BTA om een bakconstructie te plaatsen over de vensterbank om de tocht te weren en dat deze terugkoppeling is uitgebleven. De rechtbank ziet dit anders. Uit de brief van 7 oktober 2024 van [eiser] aan BTA (3.27) blijkt dat [eiser] al heeft ingestemd met de door BTA voorgedragen oplossing. In deze brief heeft [eiser] BTA ook een fatale termijn gegeven, namelijk binnen veertien dagen (zie punt 9 van de brief). BTA heeft in haar brief van 11 oktober 2024 (3.28) ook geschreven dat [eiser] akkoord is met de voorgedragen oplossing en dat BTA deze herstelwerkzaamheden nog zal uitvoeren. Dit heeft BTA echter niet gedaan, terwijl zij die mogelijkheid wel had. De rechtbank komt daarom tot het oordeel dat BTA in verzuim is en dat de door EBN begrote kosten voor de vensterbank als niet betwist worden toegewezen. Dat is € 193,75 voor het maken van een bak om de bestaande vensterbank en € 125,00 voor het schilder- en kitwerk, in totaal € 318,75.
Punt b: afwerking vensterbank op 1e verdieping ontbreekt
5.46.
Vaststaat dat BTA de vensterbanken aan de onderzijde heeft afgedicht. EBN heeft in haar rapport van 30 september 2024 (3.25) geschreven dat tijdens de inspectie is gebleken dat de luchtlekken weg zijn. BTA heeft het gebrek op dit punt dus deugdelijk hersteld. Partijen zijn het erover eens dat enkel het schilderwerk resteert. Hierover heeft BTA in haar brief van 11 oktober 2024 (3.28) geschreven dat zij dat zal doen zodra de werkzaamheden aan de vensterbank in de keuken zijn verricht. Zoals hiervoor is overwogen, heeft [eiser] BTA een termijn van veertien dagen gegeven om de resterende werkzaamheden alsnog deugdelijk uit te voeren. BTA had binnen deze termijn herstelwerkzaamheden kunnen uitvoeren, wat niet is gebeurd. Dit betekent dat zij ook wat betreft dit punt in verzuim is. EBN heeft de herstelkosten begroot op € 95,00. BTA heeft deze kosten niet betwist, zodat de rechtbank dit bedrag zal toewijzen.
Punt c: de toegangsdeur van de woning tocht (boven-, sluit- en onderzijde)
5.47.
Partijen waren het erover eens dat dit punt een gebrek vormde en door BTA moest worden hersteld. De rechtbank maakt uit het rapport van EBN van 4 maart 2024 (3.19) op dat na een eerste herstelpoging van BTA nog steeds sprake was van aanzienlijke luchtlekken. EBN kwam toen tot de conclusie dat het opnieuw stellen van de deur door BTA onvoldoende had geholpen. Volgens EBN moest herstel plaatsvinden door plaatsing van andere rubbers en/of het strakker plaatsen van de deur. BTA heeft op 23 september 2024 opnieuw herstelwerkzaamheden verricht. Na wederom een inspectie van EBN kwam EBN tot de conclusie dat dit punt is aangepast, maar wegens weersomstandigheden kon EBN niet vaststellen of het bijstellen door BTA tot verbetering had geleid. Het advies van EBN was om bij koudere temperaturen alsnog een thermische foto te maken. De rechtbank maakt uit het dossier op dat dit niet is gebeurd. [eiser] vordert een bedrag aan vervangende schadevergoeding, maar hij heeft niet onderbouwd dat de toegangsdeur na het herstel van BTA nog steeds tocht. Het lag op de weg van [eiser] om te onderzoeken of er nog steeds sprake is van luchtlekken. Daarom is niet komen vast te staan dat nog steeds sprake is van een tekortkoming.
5.48.
Partijen zijn het er wel over eens dat het schilderwerk van de deur nog moet plaatsvinden. Hierover schreef BTA in haar brief van 11 oktober 2024 (3.28) dat het schilderwerk zal gebeuren op het moment dat ook de vensterbanken geschilderd gaan worden. [eiser] had BTA een termijn van veertien dagen gegeven om al het herstelwerk uit te voeren. BTA had binnen deze termijn het schilderwerk kunnen uitvoeren. Dat is niet gebeurd. Dit betekent dat zij wat betreft dit punt in verzuim is. EBN heeft de herstelkosten begroot op € 175,00. BTA heeft deze kosten niet betwist, zodat de rechtbank dit bedrag zal toewijzen.
Punt d:
het afschot van de linker dakgoot is onvoldoende (afwatering bij de dakgoten)
5.49.
[eiser] stelt onder verwijzing naar het rapport van EBN dat er - ondanks herstelwerkzaamheden van BTA - sprake is van een gebrek op dit punt. In het rapport van BTA van 30 september 2024 (3.25) is te lezen dat de linker dakgoot enigszins recht is gemaakt, maar het afschot nog steeds onvoldoende is. Het water loopt niet af naar de afvoer; er blijft ongeveer twee centimeter water in de goot staan terwijl de afvoer droog staat. Volgens EBN dient het verkeerde afschot in de linker dakgoot nog te worden hersteld, aldus [eiser] .
5.50.
BTA betwist in haar brief van 11 oktober 2024 (3.28) dat er sprake is van een tekortkoming op dit punt. Volgens BTA kan de goot niet op afschot worden gemaakt, omdat het om een in het werk getimmerde goot gaat. BTA schrijft onder meer: “Omdat ter plaatse van de afvoer de plakplaat van de afvoer iets verdikt is (dat heeft met het fabricage proces van de afvoer te maken) blijft er een klein beetje water in de goot staan. Dit heeft kwalitatief geen nadelige gevolgen voor de goot”.
5.51.
De rechtbank oordeelt dat [eiser] onder verwijzing naar het rapport van EBN 30 september 2024 (3.25) voldoende gemotiveerd heeft toegelicht dat er sprake is van een gebrek op dit punt. BTA heeft dit betwist, maar zij heeft haar betwisting niet onderbouwd. BTA had haar betwisting kunnen onderbouwen met een deskundigenrapport. Voor de rechtbank is het immers onduidelijk gebleven waarom een in het werk getimmerde goot niet op afschot kan worden gemaakt, zoals BTA betoogt. Volgens EBN is dat wel mogelijk en zij heeft de werkzaamheden ook duidelijk toegelicht in haar rapport. Gelet hierop is de conclusie dat er sprake is van een toerekenbare tekortkoming. BTA is ook in verzuim, nu vaststaat dat dit gebrek niet hersteld is binnen de gegeven termijn van veertien dagen. De rechtbank wijst het door EBN begrote bedrag aan herstelkosten van in totaal € 2.063,39 als onweersproken toe.
Punt e: afwerking is niet uitgevoerd (schilderwerk en aanhechting van het plaatmateriaal)
5.52.
Het schilderwerk is hiervoor onder punt a en c behandeld.
Punt f: door helling is de afwatering van de luifel onvoldoende en de plakplaat van de afvoer is onthecht
5.53.
Partijen verschillen van mening of dit punt een gebrek is of niet. De rechtbank gaat niet in op deze vraag, omdat BTA niet in verzuim is. BTA heeft namelijk in haar brief van 11 oktober 2024 (3.28) aangeboden om een schoor of een trekstang te plaatsen danwel een extra afvoer te plaatsen en de keuze aan [eiser] overgelaten. [eiser] heeft daar niet op gereageerd, zodat BTA niet in verzuim is geraakt. De gevorderde kosten van € 530,00 voor dit punt worden daarom afgewezen.
Conclusie
5.54.
De rechtbank wijst in totaal een bedrag van € 2.652,14 exclusief btw toe (€ 318,75 + € 95,00 + € 175,00 + € 2.063,39).
5.55.
[eiser] vordert de wettelijke rente vanaf 18 november 2023. Zoals hiervoor overwogen, is BTA in verzuim geraakt omdat zij niet tot herstel is overgegaan in de veertien dagen die [eiser] BTA in zijn brief van 7 oktober 2024 had gegeven. De rechtbank zal daarom de wettelijke rente toewijzen vanaf 21 oktober 2024.
Kosten
5.56.
[eiser] vordert daarnaast de kosten voor het beoordelen van de gebreken op grond van artikel 6:96 lid 2 sub b BW Pro. Deze bedragen € 3.578,58 inclusief btw. BTA heeft hiervan reeds een bedrag van € 2.601,50 betaald, zodat een bedrag van € 977,08 resteert, aldus [eiser] .
5.57.
BTA betwist dat deze kosten voor vergoeding in aanmerking komen. Het inschakelen van een deskundige was prematuur en niet noodzakelijk voor het vaststellen van schade of aansprakelijkheid. Bovendien zien de werkzaamheden niet op een objectieve schadevaststelling, maar veeleer op bouwbegeleiding en advisering tijdens het proces. Nu zowel de noodzaak als het causaal verband ontbreekt, bestaat er geen grondslag om deze kosten op BTA af te wentelen, aldus BTA.
5.58.
De door [eiser] gevorderde deskundigenkosten zien op de onderzoeken van EBN en Helix Advies. EBN heeft meerdere bezoeken aan de woning van [eiser] gebracht om te beoordelen of de schade na herstelwerkzaamheden van BTA nog steeds bestond. Naar het oordeel van de rechtbank vallen deze kosten daarom onder artikel 6:96 BW Pro ter vaststelling van de schade. Daarom is BTA gehouden deze kosten te betalen.
Zonnepanelen
5.59.
[eiser] vordert een bedrag van 791,64 aan gederfde inkomsten van de zonnepanelen op het dakkapel. [eiser] stelt dat BTA een gebrekkige dakbedekking heeft opgeleverd, waarop geen zonnepanelen konden worden geplaatst. Hierdoor is [eiser] opbrengst van de zonnepanelen misgelopen. BTA bestrijdt dit.
5.60.
De rechtbank zal hierna eerst beoordelen of er sprake is van een toerekenbare tekortkoming van BTA. Als dat het geval is, is de volgende vraag of de gevorderde schadevergoeding toewijsbaar is.
5.61.
[eiser] stelt dat BTA de dakbedekking niet deugdelijk heeft geplaatst. [eiser] heeft ter onderbouwing van zijn stelling verwezen naar de interne memo van Helix Advies (3.18) en naar het deskundigenrapport van EBN van 4 maart 2024 (3.19). Uit beide stukken is op te maken dat er rillen en vouwen zaten in het EPDM en dat dit kort samengevat zijn oorzaak vindt in het verkeerd aanbrengen van het EPDM. Helix Advies spreekt over een ondermaatse uitvoering en raadt [eiser] aan om de dakbedekking opnieuw te laten aanbrengen. BTA heeft weliswaar betwist dat de dakbedekking gebrekkig is en sprake zou zijn van een tekortkoming, maar zij heeft haar betwisting verder niet onderbouwd. Zij heeft alleen aangevoerd dat de rillen en vouwen in de dakbedekking niet in de weg staan aan het plaatsen van de zonnepanelen. BTA miskent hiermee dat zij een deugdelijke dakbedekking dient aan te brengen. Op de foto’s die de rechtbank heeft gezien (bijgevoegd bij het Helix Advies) zijn over het gehele dak grove rillen en vouwen zichtbaar. Dit in combinatie met het oordeel van Helix Advies dat wordt onderschreven door EBN, komt de rechtbank tot de conclusie dat BTA is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst met [eiser] .
5.62.
De volgende vraag is of door de gebrekkige dakbedekking de zonnepanelen niet konden worden geplaatst, zoals [eiser] stelt. Partijen verschillen hierover van mening. [eiser] heeft toegelicht dat hij geen zonnepanelenleverancier heeft gevonden die bereid was om zonnepanelen te installeren op een dakbedekking met rillen en vouwen. Volgens BTA was het dak echter wel geschikt voor de plaatsing van zonnepanelen, maar zij heeft dit standpunt niet onderbouwd. Feit is dat de dakbedekking niet aan de kwaliteitseisen voldoet en dat [eiser] daardoor werd geconfronteerd met weigerende zonnepanelenleveranciers.
5.63.
Tot slot is de vraag wat de schade van [eiser] is als gevolg van de tekortkoming. BTA voert aan dat de berekening van de misgelopen opbrengst door [eiser] niet onderbouwd is met concrete feiten. Volgens BTA heeft [eiser] de berekening gebaseerd op een theoretische opbrengst en een gemiddelde stroomprijs, zonder rekening te houden met variabelen zoals weersomstandigheden en daadwerkelijke installatieplanning. [eiser] heeft op zitting desgevraagd verklaard dat hij voor de berekening van de misgelopen opbrengst is uitgegaan van de opbrengst van zijn zonnepanelen die op een wat hoger gelegen dak liggen, aan dezelfde kant als de zonnepanelen die niet konden worden geplaatst. Uit de berekening die [eiser] heeft overgelegd, blijkt verder dat hij de gederfde inkomsten heeft berekend tot oktober 2024, de maand volgend op de maand waarin de herstelwerkzaamheden zijn uitgevoerd (23 september 2024). Door deze wijze van berekening ziet de rechtbank dat juist wel rekening is gehouden met weersomstandigheden en de daadwerkelijke installatie van de zonnepanelen. BTA heeft tegenover de verklaring van [eiser] verder niks ingebracht. De rechtbank wijst daarom het gevorderde bedrag van € 791,64 toe.
5.64.
[eiser] heeft wettelijke rente gevorderd over het bedrag van € 791,64 vanaf 1 oktober 2024. BTA heeft hiertegen geen verweer gevoerd. De rechtbank zal de wettelijke rente daarom toewijzen.
Deskundigenkosten
5.65.
[eiser] vordert verder een bedrag van in totaal € 2.801,16 aan deskundigenkosten op grond van artikel 6:96 lid 2 sub b BW Pro. Het gaat om de kosten van [naam 1] van TBA van € 1.697,03 en de kosten van [naam 3] van DEKRA van € 1.104,13 voor het bijwonen van en beantwoorden van de vragen op zitting. Volgens [eiser] was de aanwezigheid van deze deskundigen noodzakelijk om het verweer van BTA tegen hun bevindingen en conclusies te kunnen weerleggen. Daarnaast was hun aanwezigheid ook nuttig en noodzakelijk omdat zij desgevraagd de rechtbank hebben geïnformeerd, aldus [eiser] .
5.66.
BTA betwist dat deze deskundigenkosten voor vergoeding in aanmerking komen. BTA voert primair aan dat artikel 241 Rv Pro zich daartegen verzet, omdat het gaat om processuele bijstand ter zitting en niet om vaststelling van schade of aansprakelijkheid. Verder betoogt BTA dat het niet redelijk was om deze kosten te maken en dat de omvang van de kosten evenmin redelijk is. Ten slotte betwist BTA de eisvermeerdering wegens strijd met de goede procesorde, omdat deze pas na afloop van de zitting bij akte is ingesteld.
5.67.
De rechtbank oordeelt dat artikel 241 Rv Pro waarop BTA een beroep doet niet opgaat. Artikel 241 Rv Pro bepaalt dat ter zake van verrichtingen waarvoor de in de artikelen 237 tot en met 240 Rv bedoelde kosten (de proceskosten) een vergoeding plegen in te sluiten, zoals die ter voorbereiding van gedingstukken en ter instructie van de zaak, jegens de wederpartij geen vergoeding op grond van artikel 6:96 lid 2 BW Pro kan worden toegekend. Deze door [eiser] gevorderde deskundigenkosten kunnen niet worden opgevat als kosten ter voorbereiding van gedingstukken en ter instructie van de zaak zoals BTA betoogt, ook al zijn deze kosten op zitting gemaakt. Dit kan anders zijn als sprake is van benoeming van deze deskundigen door de rechtbank krachtens artikel 194 Rv Pro, maar dat is niet het geval. Dit betekent dat de artikelen 6:96 lid 3 BW en 241 Rv toepassing missen.
5.68.
De vraag is of deze deskundigenkosten vallen onder artikel 6:96 lid 2 sub b BW Pro. De rechtbank oordeelt dat dit het geval is. Zij heeft op zitting vragen gesteld aan de deskundigen die relevant zijn geweest voor de vaststelling en de omvang van de schade. Zo hebben de deskundigen de rechtbank ingelicht over de door BTA aangedragen oplossingen voor het gebrek aan de dekvloer en toegelicht welke kosten daarmee gemoeid zijn. De aanwezigheid en toelichting van de deskundigen was daarom noodzakelijk. Van strijd met de goede procesorde is geen sprake, aangezien de rechtbank op zitting [eiser] de gelegenheid heeft gegeven om de kosten van de deskundigen te onderbouwen en BTA de gelegenheid heeft gekregen om daarop te reageren.
5.69.
BTA heeft verder verweer gevoerd tegen de omvang van de deskundigenkosten. Volgens BTA is de door TBA gerekende tijd disproportioneel. Volgens de factuur van TBA wordt 8,5 uur gerekend voor de voorbereiding en het bijwonen van de zitting. De rechtbank is het met BTA eens dat dit gelet op de aard van de verrichte werkzaamheden excessief is. De zitting heeft 3 uur geduurd en de rechtbank ziet niet in waarom het noodzakelijk is om de voorbereidingstijd voor het bijwonen van de zitting in rekening te brengen, terwijl de heer [naam 3] alleen op vragen van de rechter heeft geantwoord. De rechtbank zal daarom 3 uur toewijzen. Uit de factuur blijkt dat het uurtarief van de heer [naam 1] € 165,00 exclusief btw is. Toewijsbaar is een bedrag van € 598,95 inclusief btw. De gevorderde wettelijke rente hierover zal worden afgewezen, aangezien de grondslag daarvoor ontbreekt.
5.70.
De rechtbank volgt BTA in haar verweer ten aanzien van de factuur van DEKRA. Deze is gedateerd op 10 februari 2026 en uit het door [eiser] overgelegde betaalbewijs blijkt dat betaling van deze factuur heeft plaatsgevonden op 19 februari 2026. Dat is een aantal weken eerder dan de zitting die heeft plaatsgevonden op 12 maart 2026. In het kopje van de factuur staat wel vermeld dat het gaat om de aanwezigheid van [naam 3] tijdens de zitting op 12 maart 2026, maar deze datum valt niet te rijmen met de datum van de factuur van 10 februari 2026 en het overgelegde betaalbewijs. Verder is in de factuur alleen de post “expertisekosten” opgenomen en is de factuur niet gespecifieerd in het aantal uren werk en het uurtarief van de heer [naam 3] . [eiser] heeft niet toegelicht hoe het bedrag van € 1.104,13 is opgebouwd. Gelet op deze onduidelijkheid komen deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking.
Buitengerechtelijke incassokosten
5.71.
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten van € 1.738,43. De vorderingen van [eiser] vallen niet onder het toepassingsbereik van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De rechtbank zal daarom de gevorderde vergoeding toetsen aan de oriëntatiepunten voor de beoordeling van dergelijke vorderingen uit het Rapport BGK-integraal 2013, maar met toepassing van de wettelijke tarieven die geacht worden redelijk te zijn. De rechtbank stelt vast dat [eiser] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke kosten is hoger dan het in het Besluit bepaalde tarief, terwijl [eiser] onvoldoende heeft gesteld dat zijn werkelijke kosten hoger zijn dan dit bedrag. De buitengerechtelijke kosten worden berekend aan de hand van het totaal aan toegewezen bedrag van € 94.420,76 (€ 89.400,95 + € 2.652,14 exclusief btw + € 977,08 + € 791,64 + € 598,95). De rechtbank zal het bedrag dan ook toewijzen tot het wettelijke tarief. Dat is € 1.719,21.
5.72.
De wettelijke rente over de buitengerechtelijke kosten is toewijsbaar vanaf de dag van dagvaarding omdat BTA hiertegen geen apart verweer heeft gevoerd en voldaan is aan de wettelijke eisen.
Proceskosten
5.73.
BTA is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van [eiser] betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
119,40
- griffierecht
2.723,00
- salaris advocaat
5.127,50
(2,5 punten × € 2.051,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
8.158,90
5.74.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

6.De beslissing

De rechtbank
6.1.
veroordeelt BTA om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 89.400,95 voor het herstel van de dekvloer, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro daarover vanaf 20 april 2023 tot en met de dag van algehele voldoening,
6.2.
veroordeelt BTA om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 2.652,14 exclusief btw voor het herstel van de overige gebreken, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro daarover vanaf 21 oktober 2024 tot en met de dag van algehele voldoening,
6.3.
veroordeelt BTA om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 791,64 voor gederfde opbrengst zonnepanelen, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro daarover vanaf 1 oktober 2024 tot en met de dag van algehele voldoening,
6.4.
veroordeelt BTA om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 598,95 aan deskundigenkosten,
6.5.
veroordeelt BTA om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.719,21 aan buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 30 augustus 2025,
6.6.
veroordeelt BTA in de proceskosten van [eiser] van € 8.158,90, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als BTA niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.7.
veroordeelt BTA tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.8.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
6.9.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.C.J. Klaver, rechter, bijgestaan door mr. M. Sahin, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026.