Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4890

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
25 mei 2026
Publicatiedatum
21 mei 2026
Zaaknummer
25/2979
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 7:4 AwbArt. 4:99 AwbArt. 8:87 AwbArt. 2.1 Wht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond op verstrekking O/GS-stukken bij herbeoordeling kinderopvangtoeslag

Eiseres verzocht om herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag over de jaren 2011 tot en met 2014, waarbij verweerder een compensatiebedrag toekende. Eiseres vorderde in beroep dat verweerder de stukken over de kwalificatie opzet/grove schuld (O/GS) zou verstrekken. De rechtbank oordeelt dat eiseres geen procesbelang heeft bij het verkrijgen van deze stukken in deze procedure, omdat deze geen invloed meer kunnen hebben op de hoogte van de compensatie.

Verweerder heeft toegelicht dat hij zelf geen toegang heeft tot de onderliggende systemen en slechts een melding van het Landelijk Incasso Centrum ontvangt. De compensatie is toegekend op grond van institutionele vooringenomenheid en hardheid van het stelsel, waardoor een aanvullende O/GS-tegemoetkoming niet meer van toepassing is.

De rechtbank benadrukt dat over andere jaren nog een procedure loopt waarin de stukken wel verstrekt kunnen worden. Ook het verzoek om het ouderdossier en stukken over individueel subjectgericht toezicht (IST) te verstrekken wordt afgewezen wegens gebrek aan procesbelang. Ten slotte is het beroep ongegrond verklaard en krijgt eiseres geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard omdat de O/GS-stukken geen invloed meer hebben op de compensatie over 2011-2014.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/2979

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 mei 2026 in de zaak tussen

[eiseres], uit [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. S. Arakelyan),
en

de Dienst Toeslagen, verweerder

Samenvatting

1. Eiseres heeft verweerder verzocht om herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag. Verweerder heeft aan eiseres een compensatiebedrag toegekend over de jaren 2011 tot en met 2014. Eiseres voert in beroep, onder meer, aan dat verweerder aan haar de stukken die betrekking hebben op de kwalificatie opzet/grove schuld (O/GS) moet verstrekken. Verweerder vindt dat deze stukken niet verstrekt hoeven te worden.
1.1.
De rechtbank komt tot het oordeel dat eiseres in deze procedure geen procesbelang heeft bij het verkrijgen van de O/GS stukken, omdat deze geen invloed meer kunnen hebben op de hoogte van de compensatie. Er loopt nog een andere procedure tussen eiseres en verweerder, over andere jaren. In die procedure kunnen de stukken wel verstrekt te worden. Omdat de gronden van beroep niet slagen, verklaart de rechtbank het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft verweerder verzocht om herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag.
2.1.
Met twee besluiten van 6 december 2022 heeft verweerder eiseres over 2011 tot en met 2014 een compensatiebedrag toegekend van € 83.502.
2.2.
Met het bestreden besluit van 3 april 2025 op de bezwaren van eiseres heeft verweerder het compensatiebedrag verhoogd naar € 97.028.
2.3.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 30 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

3. Eiseres heeft op 24 maart 2021 verzocht om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag over toeslagjaren 2012 en 2013. Op verzoek en in overleg met eiseres heeft verweerder toeslagjaren 2011 en 2014 eveneens bij de beoordeling betrokken.
3.1.
Met twee besluiten van 6 december 2022 heeft verweerder eiseres over 2011 tot en met 2014 een compensatiebedrag toegekend van € 83.502. De compensatie over 2011 is toegekend op grond van hardheid van het stelsel en de compensatie over 2012 tot en met 2014 is toegekend op grond van vooringenomenheid.
3.2.
Met het bestreden besluit van 3 april 2025 op de bezwaren van eiseres heeft verweerder het compensatiebedrag verhoogd naar € 97.028. Aan dit besluit ligt een advies van de bezwaarschriftencommissie ten grondslag. Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld.
3.3.
Hangende beroep heeft verweerder, op 22 december 2025, een aanvullende besluit genomen. In dit besluit heeft verweerder beslist dat eiseres over toeslagjaren 2005 tot en met 2010 en 2015 tot en met 2019 geen recht heeft op compensatie. In het besluit staat dat deze beslissing geldt als aanvulling op de beslissing op bezwaar van 3 april 2025.

Overwegingen

Omvang van het geding
4. Eiseres voert aan dat verweerder met de beslissing van 22 december 2025 een beslissing op bezwaar heeft genomen over de jaren 2005 tot en met 2010 en 2015 tot en met 2019 zonder voorafgaand primair besluit daarover. Eiseres is niet in de gelegenheid gesteld om op de beoordeling te reageren, verweerder heeft geen advies van de bezwaarschriftencommissie gevraagd, heeft geen oudergesprek gevoerd en er is geen tijdlijn opgesteld. In feite is eiseres een rechtsgang ontnomen.
4.1.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat de beslissing van 22 december 2025 te gelden heeft als een besluit waar artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op van toepassing is (6:19-besluit).
4.2.
De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb het bezwaar of beroep van rechtswege mede betrekking heeft op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben. Van een 6:19-besluit is alleen sprake indien het gaat om een besluit dat voldoende samenhang vertoont met het in bezwaar of beroep reeds aanhangige besluit. Onvoldoende samenhang is onder meer aanwezig indien een nieuwe aanvraag om een besluit is gedaan of indien het nieuwe besluit op een ander tijdvak betrekking heeft. [1] In de procedure die hier voorligt heeft eiseres verzocht om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag over 2012 en 2013 en, na overleg, is dit uitgebreid met 2011 en 2014. De jaren 2010 tot en met 2015 en 2019 behoorden niet tot het initiële verzoek. Dit heeft de bezwaarschriftencommissie ook zo erkend in het advies bij het bestreden besluit. Het verzoek om over die jaren een herbeoordeling te ontvangen dient aangemerkt te worden als nieuwe aanvraag. Naar het oordeel van de rechtbank is het besluit dat vervolgens op
22 december 2025 is genomen geen 6:19-besluit en valt dit besluit buiten de omvang van dit geding. Het besluit dient aangemerkt te worden als primair besluit. De gronden die eiseres tegen dit besluit heeft aangevoerd dienen aangemerkt te worden als bezwaargronden.
Op de zaak betrekking hebbende stukken
4.3.
Eiseres voert aan dat verweerder de stukken die betrekking hebben op de
O/GS-kwalificatie moet verstrekken. Eiseres heeft bij de Commissie Werkelijke Schade (CWS) een verzoek om aanvullende schadevergoeding gedaan. De O/GS-stukken zijn van belang, omdat hiervoor in het kader van de werkelijke schade een aanvullende schadevergoeding geldt. Volgens eiseres kan uitsluitend in de voorliggende procedure vast komen te staan of sprake is geweest van O/GS. De beoordeling van een O/GS-kwalificatie wordt gedaan aan de hand van informatiesystemen, waaronder het systeem INL. Daarin staan aantekeningen over ouders. De Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (UHT) heeft geen autorisatie gekregen tot deze systemen. Het is een ‘black box’ waarin wordt gezocht naar de conclusie ‘wel of geen O/GS’. In deze systemen kunnen wel degelijk relevante informatie en aantekeningen zitten. Uit de gepubliceerde werkinstructies van het Landelijk Incasso Centrum (LIC) blijkt ook dat sprake is van een vier ogen principe. Tijdens een bijeenkomst heeft een medewerker van het LIC ook bevestigd aan de aanwezigen dat er ook overleg plaatsvindt tussen medewerkers of bepaalde stukken en/of aantekeningen als O/GS kunnen worden geduid. Hieruit blijkt ook dat er sprake is van een daadwerkelijke beoordeling en waardering van informatie. Een burger hoort hier inzicht in te hebben en de mogelijkheid te hebben om een ander perspectief op te doen schijnen. Door deze informatie niet te verstrekken, handelt verweerder onbehoorlijk. Volgens eiseres moet verweerder daarnaast het ouderdossier verstrekken en stukken die zien op het zogenoemde individueel subjectgericht toezicht (IST). Eiseres was ook bekend bij de afdeling Misbruik & Oneigenlijk gebruik, dit is tevens een fraudeteam. Een deel van de notities is overgenomen in de tijdlijn, maar niet allemaal.
4.4.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat de O/GS-stukken geen op de zaak betrekking hebbende stukken zijn. Verweerder heeft zelf geen toegang tot de systemen waarin de onderliggende informatie zit over de O/GS kwalificatie. Verweerder krijgt enkel een melding van het LIC. In dit geval heeft verweerder van het LIC de melding ontvangen dat geen sprake is van een O/GS kwalificatie. Hieruit is af te leiden dat het LIC in haar systemen heeft gezocht of er O/GS is vastgesteld bij de ouder, maar daarbij niets heeft aangetroffen. In de eigen systemen van verweerder zijn ook geen nadere aanwijzingen bekend waaruit zou blijken dat eiseres heeft verzocht om een persoonlijke betalingsregeling of minnelijke betalingsregeling voor de toeslagjaren. Verweerder heeft aan eiseres een screenshot van de O/GS kwalificatie gestuurd. Bovendien geldt dat, omdat al aanspraak bestaat op compensatie wegens institutionele vooringenomenheid of hardheid van het stelsel, geen recht op een O/GS tegemoetkoming bestaat. Voor de berekening van de forfaitaire compensatie heeft het al dan niet aanwezig zijn van een O/GS kwalificatie dan ook in dit geval geen invloed, zo volgt uit artikel 2.6, eerste en vierde lid van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht).
4.5.
Op grond van artikel 2.6, vierde lid, van de Wht blijven de
O/GS-tegemoetkoming en de aanvullende O/GS-tegemoetkoming voor de werkelijke schade achterwege indien ten aanzien van de terugvordering recht bestaat op compensatie als bedoeld in artikel 2.1 over hetzelfde berekeningsjaar of voor zover op andere wijze in een vergoeding of tegemoetkoming ter zake is voorzien.
4.6.
De rechtbank overweegt dat eiseres voor alle jaren waarover zij (in het voorliggende verzoek) om compensatie heeft verzocht, compensatie heeft gekregen omdat ofwel sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid, ofwel vanwege hardheid van het stelsel. [2] Gelet op artikel 2.6, vierde lid, van de Wht, kan geen recht meer bestaan op een aanvullende O/GS tegemoetkoming. Dit heeft de gemachtigde van eiseres ook erkend op zitting. Desgevraagd heeft de gemachtigde van eiseres toegelicht dat het procesbelang van eiseres ten aanzien van het verkrijgen van deze stukken ziet op het kunnen onderbouwen van het verzoek tot aanvullende schadevergoeding bij de CWS. Daarnaast heeft de O/GS beoordeling volgens eiseres betrekking op meerdere jaren; niet alleen de jaren die voorliggen in dit geding. De rechtbank is van oordeel dat eiseres geen actueel procesbelang heeft bij verstrekking van de stukken. Ook als deze stukken worden verstrekt en de O/GS kwalificatie zou wijzigen, zou dit geen gevolgen hebben voor de hoogte van het compensatiebedrag. Eiseres stelt weliswaar dat de in deze procedure uitgevoerde O/GS-toets betrekking heeft op alle toeslagjaren, maar de gemachtigde van verweerder heeft dit op de zitting betwist en toegelicht dat de toets alleen betrekking heeft gehad op de jaren 2011 tot en met 2014. De rechtbank is verder van oordeel dat een toekomstige procedure bij de CWS onvoldoende procesbelang geeft om in het kader van onderhavige zaak, over de jaren 2011 tot en met 2014, verweerder op te dragen de O/GS stukken te verstrekken. De rechtbank trekt om dezelfde redenen dezelfde conclusie voor wat betreft het ouderdossier en stukken die zien op het IST.
4.7.
De rechtbank overweegt nog dat tussen partijen nog een geschil bestaat over de jaren 2005 tot en met 2010 en 2015 tot en met 2019. Over deze jaren heeft verweerder geen compensatie verstrekt aan eiseres. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, zal over deze jaren nog een bezwaarprocedure moeten plaatsvinden. In het kader van deze procedure kan de informatie op grond waarvan verweerder vaststelt of eiseres in aanmerking komt voor een O/GS-tegemoetkoming, onderdeel uitmaken van de op de zaak betrekking hebbende stukken. Deze stukken kunnen in het kader van die procedure door verweerder verstrekt worden. Verweerder zou daarbij kunnen toelichten welke gegevensbronnen zijn geraadpleegd. Als de beoordeling van verweerder (mede) rust op de vaststelling dat geen informatie beschikbaar is over eiseres in een geraadpleegde gegevensbron, dan zou verweerder die vaststelling kunnen onderbouwen met bijvoorbeeld een schermafbeelding van de resultaten van een zoekopdracht, onder vermelding van de gebruikte zoektermen en -parameters. De rechtbank verwijst in dit verband naar de memo van de Staatssecretaris van Financiën [3] (gedateerd 12 augustus 2024) waarin de werkwijze wordt behandeld die diensten die een verzoek om stukken moeten beoordelen dienen uit te voeren ten aanzien van de kwestie O/GS. Daarin staat dat de dienst bij een beoordeling ‘geen opzet/grove schuld’ toch zal moeten verklaren dat en hoe is gezocht naar informatie en stukken. Er is, zo blijkt uit de memo, een specifieke afdeling in het leven geroepen die deze onderzoeken uitvoert (te weten CAP UHT B&I) en met stukken onderbouwd tot een conclusie komt. Die onderbouwende stukken bestaan dus voor iedereen, óók als uiteindelijk wordt geconcludeerd dat iemand niet in een systeem voorkomt. Tevens staat in de memo dat die stukken in relatie kunnen staan tot de compensatiebeoordeling en dat betrokkenen wettelijk recht hebben op inzage in deze stukken, in bezwaar op grond van artikel 7:4, tweede lid van de Awb. In de memo wordt dan ook het advies gegeven deze stukken te verstrekken. [4]
Wettelijke rente
4.8.
Eiseres voert ten slotte aan dat verweerder wettelijke rente verschuldigd is over de nabetaling.
4.9.
Op grond van artikel 4:99 van Pro de Awb stelt het bestuursorgaan het bedrag van de verschuldigde wettelijke rente bij beschikking vast. De rechtbank stelt vast dat verweerder in de primaire besluiten, noch het bestreden besluit de wettelijke rente heeft vastgesteld. Dit is op zichzelf ook geen verplichting, geen rechtsregel staat eraan in de weg om de wettelijke rente in een apart besluit vast te stellen. Dit vormt dan ook geen gebrek van het bestreden besluit. Wel is het zo dat, wanneer het bestuursorgaan zelf in verzuim is en rente moet vergoeden, het rentebedrag bij beschikking wordt vastgesteld voordat tot betaling van de vertraagde geldsom en de wettelijke rente wordt overgegaan. Op grond van artikel 8:87 van Pro de Awb geschiedt de betaling van een geldsom binnen zes weken nadat de beschikking op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Die termijn is inmiddels ruimschoots verstreken. De gemachtigde van verweerder heeft op de zitting geen nadere toelichting kunnen geven over de uitbetaling van de wettelijke rente. Zij heeft toegezegd op korte termijn te onderzoeken wat de status hiervan is en wanneer hierover een besluit volgt. Wat de eventuele gevolgen zijn van het te laat uitkeren van de wettelijke rente, heeft betrekking op dat besluit en valt niet binnen de omvang van dit geding.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.D. Belcheva, rechter, in aanwezigheid van
mr.C.J. van ‘t Hoff, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 25 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie verder Kamerstukken II, 2009/2010, 32450, nr. 3, p. 36.
2.Vergelijk artikel 2.1, eerste lid, van de Wht.
3.Memo werkwijze bij verzoek om stukken over toets opzet of grove schuld (O/GS).
4.Zie verder de uitspraak van rechtbank Rotterdam van 6 februari 2026 (ECLI:NL:RBROT:2026:1545) en rechtbank Amsterdam van 31 maart 2026 (ECLI:NL:RBAMS:2026:3643).