Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4879

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
21 mei 2026
Zaaknummer
1325575925
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 311 SrArt. 7 Wegenverkeerswet 1994Art. 176 Wegenverkeerswet 1994Art. 2 OLWArt. 5 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering overlevering op grond van artikel 6a OLW met gelijktijdige tenuitvoerlegging straf in Nederland

De rechtbank Amsterdam behandelde op 6 mei 2026 het Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Roemeense autoriteiten tegen de opgeëiste persoon, die werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaar, bestaande uit twee afzonderlijke straffen van twee jaar.

De opgeëiste persoon deed geen beroep op de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro, maar beriep zich op artikel 6a OLW, dat de overlevering kan weigeren indien de veroordeelde duurzaam in Nederland verblijft en de tenuitvoerlegging van de straf kan worden overgenomen. De rechtbank stelde vast dat aan de voorwaarden voor gelijkstelling met een Nederlander was voldaan en dat de opgelegde straf voor een van de feiten het Nederlandse strafmaximum overschreed, waardoor verlaging van die straf noodzakelijk was.

De rechtbank concludeerde dat de tenuitvoerlegging van de straf in Nederland kan plaatsvinden, met verlaging van de straf tot het Nederlandse maximum van één jaar voor het feit dat het maximum overschreed. De overlevering werd daarom geweigerd, maar gelijktijdig werd de tenuitvoerlegging van de straf in Nederland bevolen, inclusief de gevangenhouding tot aan de uitvoering van de straf.

De uitspraak is definitief en er staat geen gewoon rechtsmiddel tegen open.

Uitkomst: De rechtbank weigert de overlevering en beveelt gelijktijdige tenuitvoerlegging van de straf in Nederland met verlaging tot het Nederlandse strafmaximum.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-255759-25
Datum uitspraak: 20 mei 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 2 maart 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 6 maart 2024 door de
Judecătoria Cluj-Napoca (Court of First Instance of Cluj-Napoca), Roemenië (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1989 te [geboorteplaats] (Roemenië),
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 6 mei 2026, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. N.M. Delsing, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Roemeense taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Roemeense nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een
sentence number 456 of 26 April 2023, final on 14 February 2024 by means of the Penal judgment number 188 of 14 February 2024 of the Court of Appeal of Cluj,met referentie: 2383/211/2019 (hierna: het arrest).
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van vier jaren, volgens onderdeel c) van het EAB nog geheel te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat.
Naar aanleiding van de door het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) op 20 maart 2026 gestelde vragen heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit ongedateerde aanvullende informatie verstrekt. Hieruit volgt dat de opgeëiste persoon bij voornoemd arrest van 14 februari 2024 is veroordeeld tot een vrijheidsstraf van twee jaren en dat de opgeëiste persoon eerder, bij
sentence 1194/ 24 October 2014 of the Court of First Instance of Cluj-Napoca, final on 17 November 2014(hierna: het vonnis), is veroordeeld tot een voorwaardelijke vrijheidsstraf van twee jaren. Bij het arrest van 14 februari 2024 is de tenuitvoerlegging van deze voorwaardelijke vrijheidsstraf van twee jaren gelast. Tezamen levert dit de in het EAB in onderdeel c) genoemde vrijheidsstraf van vier jaren op.
Op grond van deze informatie stelt de rechtbank vast dat het EAB ziet op de tenuitvoerlegging van twee afzonderlijk opgelegde vrijheidsstraffen, die samen vier jaar bedragen.
Het arrest en het vonnis betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. [3]

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro

De opgeëiste persoon heeft op de zitting te kennen gegeven dat hij geen beroep doet op de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro vanwege het beroep dat de opgeëiste persoon doet op artikel 6a van de OLW. Het voorgaande betekent dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro niet aan overlevering in de weg staat.

5.Strafbaarheid; feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994;
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

6.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW

Standpunt van de raadsvrouw en de officier van justitie
De raadsvrouw en de officier van justitie hebben de rechtbank verzocht toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 6a OLW.
Oordeel van de rechtbank
Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan op basis van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd als deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten:
1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.
Eerste voorwaarde
Uit een brief van 24 maart 2026 van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) blijkt dat de opgeëiste persoon sinds 27 november 2023 is geregistreerd als duurzaam verblijvend EU-burger. Het oorspronkelijk verblijfsrecht gaat terug tot 5 september 2018. Gesteld noch gebleken is dat hij zijn verblijfsrecht nadien is kwijtgeraakt.
Aan deze voorwaarde is dus voldaan.
Tweede voorwaarde
De tweede voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander wordt getoetst aan de hand van een verklaring van de IND over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel. Uit de brief van de IND van 24 maart 2026 volgt dat de beschreven strafrechtelijke feiten er niet toe leiden dat de opgeëiste persoon zijn verblijfsrecht verliest.
Ook aan deze voorwaarde is voldaan.
De rechtbank moet daarom beoordelen of de tenuitvoerlegging van de in Roemenië opgelegde vrijheidsstraffen kunnen worden overgenomen.
De in artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a, OLW van overeenkomstige toepassing verklaarde weigeringsgronden staan niet in de weg aan overname van de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraffen.
De rechtbank stelt vast dat de in het vonnis aan de opgeëiste persoon opgelegde vrijheidsstraf van twee jaren voor een gekwalificeerde diefstal, niet het toepasselijke Nederlandse wettelijke strafmaximum overstijgt.
De rechtbank constateert dat de in het arrest aan de opgeëiste persoon opgelegde vrijheidsstraf van twee jaren, voor het verlaten van de plaats van ongeval, het voor dat feit naar Nederlands recht toepasselijke strafmaximum van één jaar overstijgt. Om die reden vindt overeenkomstig artikel 6a, derde lid, OLW verlaging van de opgelegde vrijheidsstraf tot aan het Nederlandse strafmaximum plaats. Dit betekent dat de in het vonnis opgelegde vrijheidsstraf van twee jaren wordt verlaagd naar één jaar gevangenisstraf.
De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraffen kan worden overgenomen, onder voornoemde verlaging van de in het vonnis aan de opgeëiste persoon opgelegde vrijheidsstraf.
Uit het dossier volgt verder dat de opgeëiste persoon voldoende economische, familiale en sociale banden met Nederland heeft. De opgeëiste persoon heeft daarom het centrum van zijn gezinsleven en zijn belangen in Nederland gevestigd. [4] De overname van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf zal dus bijdragen aan zijn maatschappelijke re-integratie.
De rechtbank is dan ook bevoegd om de overlevering overeenkomstig artikel 6a, eerste lid, OLW te weigeren. In dit geval ziet zij geen aanleiding om af te zien van de uitoefening van die bevoegdheid.
In overeenstemming met het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) van 4 september 2025 in de zaak C.J. [5] heeft de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat het certificaat, zoals opgenomen in bijlage 1 bij het Kaderbesluit 2008/909/JBZ, en een kopie van de veroordelende beslissingen toegezonden. Daarmee heeft de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat toestemming gegeven voor het overnemen van de vrijheidsstraffen door Nederland.
De rechtbank zal daarom de overlevering weigeren en gelijktijdig de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraffen, met de toegepaste verlaging, in Nederland bevelen. Daarbij zal de rechtbank op grond van artikel 27, vierde lid, OLW de gevangenhouding van de opgeëiste persoon tot aan de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraffen bevelen.

7.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat de weigeringsgrond van artikel 6a OLW van toepassing is. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond. Om die reden wordt de overlevering geweigerd, onder gelijktijdige overname van de tenuitvoerlegging van de (deels) tot het Nederlandse strafmaximum verlaagde vrijheidsstraffen door Nederland.

8.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 311 van het Wetboek van Strafrecht, 7 en 176 Wegenverkeerswet 1994 en 2, 5, 6a en 7 OLW.

9.Beslissing

WEIGERTde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan de
Judecătoria Cluj-Napoca (Court of First Instance of Cluj-Napoca), Roemenië.
BEVEELTde tenuitvoerlegging van de in overweging 3 bedoelde vrijheidsstraffen in Nederland, te weten:
  • de in het arrest opgelegde vrijheidsstraf, verlaagd tot het in Nederland geldende strafmaximum van één jaar gevangenisstraf,
  • de in het vonnis opgelegde vrijheidsstraf van twee jaren.
HEFT OPde overleveringsdetentie van
[de opgeëiste persoon].
BEVEELTde gevangenhouding van
[de opgeëiste persoon]tot aan de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraffen. Dit bevel is apart opgemaakt.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. D.L.S. Ceulen en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D.F.A. Reuvekamp, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 20 mei 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 OLW Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Hof van Justitie van de Europese Unie, 6 juni 2023, C-700/21, O. G. (
5.HvJ EU, 4 september 2025, C-305/22, ECLI:EU:C:2025:665 (C.J. (