De rechtbank Amsterdam behandelde op 20 mei 2026 een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door België voor de overlevering van een persoon met de Nederlandse nationaliteit, veroordeeld tot 40 maanden gevangenisstraf wegens illegale handel in verdovende middelen.
De opgeëiste persoon beriep zich op de weigeringsgrond van artikel 6a van de Overleveringswet (OLW), die overlevering van Nederlanders kan weigeren indien Nederland de tenuitvoerlegging van de straf kan overnemen. De rechtbank stelde vast dat de straf in België hoger was dan het Nederlandse maximum en verlaagde deze tot 32 maanden.
De rechtbank concludeerde dat de opgeëiste persoon voldoende banden met Nederland heeft en dat de tenuitvoerlegging in Nederland bijdraagt aan zijn maatschappelijke re-integratie. Daarom werd de overlevering geweigerd en de tenuitvoerlegging van de straf in Nederland bevolen, inclusief gevangenhouding tot aan de uitvoering van de straf.