Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4868

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
21 mei 2026
Zaaknummer
1304040226
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 6 OLWArt. 7 OLWArt. 13 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering Nederlandse verdachte op grond van Europees aanhoudingsbevel Duitsland

De rechtbank Amsterdam behandelde op 6 mei 2026 het Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Duitse justitiële autoriteit op 28 november 2025. De verdachte, een Nederlandse staatsburger, werd verdacht van ernstige strafbare feiten waaronder moord, zware mishandeling en opzettelijke brandstichting, die volgens het Duitse recht met een gevangenisstraf van ten minste drie jaar worden bestraft.

De verdachte verscheen niet zelf op de zitting, maar werd vertegenwoordigd door zijn advocaat. De rechtbank verlengde de beslistermijn en hief de schorsing van de overleveringsdetentie op vanwege het niet verschijnen van de verdachte. De identiteit en nationaliteit van de verdachte werden vastgesteld.

De rechtbank oordeelde dat het EAB voldeed aan de wettelijke eisen en dat geen weigeringsgronden, zoals artikel 13 OLW Pro, van toepassing waren omdat de feiten uitsluitend in Duitsland waren gepleegd. Hoewel de verdachte zich beroept op de garantie van artikel 6 OLW Pro om de straf in Nederland te mogen uitzitten, achtte de rechtbank de gegeven garantie van het Openbaar Ministerie voldoende.

Daarom werd de overlevering toegestaan. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de Nederlandse verdachte aan Duitsland toe onder de garantie dat de straf in Nederland kan worden uitgezeten.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-040402-26
Datum uitspraak: 20 mei 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 5 maart 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 28 november 2025 door het
Amtsgericht Frankfurt am Main Abt. 931, Duitsland (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren op [geboortedag] 2005 te [geboorteplaats],
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[inschrijvingsadres],
feitelijk verblijfadres: [verblijfadres],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 6 mei 2026, in aanwezigheid van mr. G.J.A.M. Rasker, officier van justitie. De opgeëiste persoon is niet verschenen. Zijn raadsvrouw, mr. T.E. Korff, advocaat in Amsterdam, is wel verschenen en heeft verklaard dat de opgeëiste persoon haar heeft gemachtigd om namens hem het woord te voeren.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank de schorsing van de overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon opgeheven. Door niet ter zitting te verschijnen heeft de opgeëiste persoon namelijk de aan hem opgelegde voorwaarde onder punt 2 van het bevel tot schorsing van de overleveringsdetentie niet nageleefd.
De rechtbank heeft voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Nederlandse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een aanhoudingsbevel van het
Amtsgericht Frankfurt am Mainvan
28 november 2025, met dossiernummer 6330 Js 240211/25 - 931 Gs.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Duits recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. [3]

4.Strafbaarheid; feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:
moord en doodslag, zware mishandeling;
opzettelijke brandstichting.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

5.De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf, uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. De opgeëiste persoon heeft immers het centrum van zijn belangen in Nederland gevestigd. [4]
Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering, deze straf in Nederland mag ondergaan.
De hoofdofficier van justitie van het Openbaar Ministerie in
Frankfurt am Mainheeft op
23 december 2025 de volgende garantie ten behoeve van de opgeëiste persoon gegeven:
"(...) Overeenkomstig artikel 5, lid 3, van het kaderbesluit betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de overleveringsprocedures tussen de lidstaten wordt verzekerd dat de betrokken persoon, na te zijn gehoord, naar Nederland zal worden teruggestuurd om de vrijheidsstraf of de vrijheidsbenemende maatregel die tegen hem is opgelegd, uit te zitten."
Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende.

6.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW Pro

De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht de overlevering op grond van artikel 13, eerste lid, onder a, OLW te weigeren, nu de betrokkenheid van de opgeëiste persoon ziet op gedragingen die hoofdzakelijk op Nederlands grondgebied hebben plaatsgevonden
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het EAB niet ziet op feiten die geacht worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. Uit het EAB volgt namelijk dat de aan de opgeëiste persoon verweten gedragingen uitsluitend in Duitsland hebben plaatsgevonden. De weigeringsgrond van artikel 13 OLW Pro is dus niet van toepassing.

7.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

8.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5, 6 en 7 OLW.

9.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan het
Amtsgericht Frankfurt am Main Abt. 931, Duitsland, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. D.L.S. Ceulen en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D.F.A. Reuvekamp, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 20 mei 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 OLW Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Hof van Justitie van de Europese Unie, 6 juni 2023, C-700/21, O. G. (