Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4863

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
24 april 2026
Publicatiedatum
20 mei 2026
Zaaknummer
11191967 \ CV EXPL 24-8134
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Verstek
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:230m BWArt. 6:230v BWArt. 6:96 BWArt. 6:119 BWAfdeling 2b, Titel 5 Boek 6 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling vordering warmtelevering en proceskosten na verstek

Vaanster VII B.V. vordert betaling van openstaande bedragen voor warmtelevering aan gedaagde, die warmte en koude afneemt sinds juni 2022 zonder ondertekende overeenkomst. Gedaagde verschijnt niet, verstek wordt verleend.

De kantonrechter beoordeelt ambtshalve of aan consumentenrechtelijke informatieplichten is voldaan en of de algemene voorwaarden oneerlijke bedingen bevatten. Vaanster heeft voldaan aan de informatieplichten uit de Warmtewet en het Burgerlijk Wetboek, ook over het ontbindingsrecht.

Het prijsbeding is deels niet transparant, maar niet oneerlijk geacht vanwege bijzondere wetgeving en ACM-tariefregulering. Ook de jaarlijkse tariefaanpassing is rechtmatig. De incassokosten en wettelijke rente zijn conform wettelijke regels en niet oneerlijk.

De gevorderde hoofdsom van €1.305,74, vermeerderd met rente en incassokosten, wordt toegewezen. Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van deze bedragen en de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en gewezen door kantonrechter Coumou.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van openstaande warmteleveringskosten, wettelijke rente, incassokosten en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11191967 \ CV EXPL 24-8134
Vonnis van 24 april 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
VAANSTER VII B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
eisende partij,
hierna te noemen: Vaanster,
gemachtigde: Janssen & Janssen c.s.,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 17 juni 2024, met producties,
- het tegen [gedaagde] verleende verstek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Vaanster is een leverancier van warmte en koude als bedoeld in de Warmtewet, ten behoeve van het pand aan het adres [adres] (hierna: het verbruiksadres). Vaanster is de enige leverancier op het verbruiksadres. Warmte en koude kan op het verbruiksadres alleen worden afgenomen van Vaanster, niet bij een andere leverancier.
2.2.
[gedaagde] neemt warmte en koude van Vaanster af sinds 1 juni 2022. [gedaagde] heeft zich online bij Vaanster aangemeld, waarna Vaanster een gepersonaliseerde leveringsovereenkomst met algemene voorwaarden ter ondertekening aan [gedaagde] heeft toegestuurd. [gedaagde] heeft de leveringsovereenkomst niet ondertekend, maar is wel warmte en koude blijven afnemen.
2.3.
Op of omstreeks 17 september 2022 heeft [gedaagde] telefonisch contact opgenomen met Vaanster om een storingsmelding te doen.
2.4.
Vaanster heeft [gedaagde] op 1 juni 2023 een periodieke afrekening gestuurd van € 537,89 met betrekking tot de periode 1 juni 2022 tot 31 december 2022, alsmede een afrekening van € 574,62 met betrekking tot de periode 1 januari 2023 tot 30 juni 2023. Op 1 juli 2023 heeft Vaanster een voorschot van € 102,18 gefactureerd en op 1 september 2023 heeft Vaanster een eindafrekening opgesteld van € 91,05.
2.5.
[gedaagde] heeft voornoemde afrekeningen c.q. facturen onbetaald gelaten, ondanks herhaalde aanmaning tot betaling.

3.Het geschil

3.1.
Vaanster vordert, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 1.305,74 aan hoofdsom, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 17 juni 2024 tot de voldoening, € 83,08 aan vervallen wettelijke rente tot 17 juni 2024, € 195,86 aan buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten.
3.2.
Wat Vaanster aan de vordering ten grondslag heeft gelegd komt, voor zover van belang, bij de beoordeling aan de orde.

4.De beoordeling

4.1.
De overeenkomst die aan de vordering ten grondslag ligt is gesloten tussen een handelaar en een consument. De kantonrechter moet in dat geval ambtshalve toetsen aan het consumentenrecht. Onderzocht moet worden of de informatieplichten zijn nageleefd. Daarnaast moet de overeenkomst worden getoetst aan Richtlijn 93/13 EG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn).
4.2.
De energielevering door Vaanster wordt beheerst door de Warmtewet. De informatieplichten waaraan Vaanster als warmteleverancier moet voldoen staan in Afdeling 2b, Titel 5 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en in artikel 3 van Pro de Warmtewet. Onderdeel van die informatieplichten is volgens artikel 3 van Pro de Warmtewet de informatie genoemd in de artikelen 6:230m lid 1 en 6:230v BW. In artikel 3 lid 1 van Pro de Warmtewet is bepaald dat de gegevens genoemd in artikel 6:230m lid 1 BW en de informatie genoemd in artikel 3 lid 1 sub Pro a t/m c van de Warmtewet door de leverancier aan de gebruiker moeten worden verstrekt voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst.
4.3.
Vaanster stelt in dit verband dat [gedaagde] zich online heeft aangemeld. Uit de schermafdrukken van het aanmeldproces blijkt dat een aanmelding op zichzelf nog niet leidt tot gebondenheid aan een overeenkomst. Het betreft enkel een aanvraag van een overeenkomst, naar aanleiding waarvan Vaanster aan [gedaagde] een gepersonaliseerde leveringsovereenkomst, met als onderdeel de algemene voorwaarden, een overzicht van de leveringstarieven en een productspecificatie heeft toegestuurd.
4.4.
Onder de hiervoor genoemde omstandigheden, waarbij [gedaagde] zich bij Vaanster heeft aangemeld, is gestart met het afnemen van warmte en koude, hij dit verbruik structureel heeft voortgezet in de wetenschap dat dit niet gratis is en zich nadien ook als contractant heeft gedragen door indiening van een storingsmelding, wordt geoordeeld dat tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen. Daaraan doet de omstandigheid dat [gedaagde] de leveringsovereenkomst niet heeft ondertekend niet af. [gedaagde] is dan ook aan de (door hem zelf aangevraagde) leveringsovereenkomst gebonden.
4.5.
Gelet op het voorgaande wordt het ervoor gehouden dat [gedaagde] de informatie die onderdeel uitmaakt van de leveringsovereenkomst heeft gekregen. Vaanster heeft op dit punt dan ook aan haar stelplicht voldaan.
4.6.
De kantonrechter stelt vast dat in de leveringsovereenkomst en de voorwaarden de meeste essentiële informatie als bedoeld in de Warmtewet is te vinden, behoudens informatie over het (wel of niet bestaan van het) ontbindingsrecht. Vaanster heeft tijdens de aanmelding echter wél informatie verstrekt over het ontbindingsrecht. Dat blijkt uit de laatste schermafdruk. Daarom wordt vastgesteld dat Vaanster aan haar informatieplichten heeft voldaan.
4.7.
Naast de informatieplichten moet de kantonrechter ook toetsen aan de richtlijn. De gevorderde hoofdsom is grotendeels gebaseerd op een beding dat ziet op het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst, namelijk de door de consument te betalen prijs. Ambtshalve toetsing van die bedingen is ingevolge artikel 4 lid 2 van Pro de richtlijn alleen aan de orde als deze niet duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd.
4.8.
In artikel 2 van Pro de leveringsovereenkomst en het overzicht van de leveringstarieven staan prijzen vermeld. De maandelijkse vaste kosten en overige kosten zijn voldoende duidelijk en begrijpelijk geformuleerd. Dit geldt echter niet voor de maandelijkse variabele gebruikskosten. Voor zowel de levering voor ruimteverwarming als voor warm tapwater moest in 2021 € 25,51 per gigajoule (Gj) worden betaald. Een indicatie van het gemiddelde gebruik bij het type woning van de consument, het historisch verbruik of andere gemiddelden van vergelijkbare huishoudens is echter niet gegeven, zodat de consument geen inzicht heeft in het te verwachten aantal Gj dat hij maandelijks zal verbruiken. Ook wordt het voorschot dat maandelijks in rekening zal worden gebracht niet in de overeenkomst genoemd. Op grond van dit prijsbeding kan de consument dan ook geen inschatting maken van de te verwachten maandelijkse kosten en daarmee ook niet van de economische gevolgen van het sluiten van de overeenkomst (ECLI:EU:C:2023:14). Het prijsbeding wordt daarom als niet transparant aangemerkt, zodat het moet worden getoetst op oneerlijkheid.
4.9.
Bij de beoordeling van het oneerlijke karakter van een beding gaat het erom of dat beding, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort (artikel 3 lid 1 van Pro de richtlijn). Hierbij moeten alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst worden meegewogen en alle andere bedingen van de overeenkomst, rekening houdend met de aard van de goederen of diensten waarop de overeenkomst betrekking heeft, in aanmerking worden genomen. Daarbij moet worden uitgegaan van de datum waarop de overeenkomst is gesloten.
4.10.
Met inachtneming van het hiervoor weergegeven beoordelingskader wordt het prijsbeding, mede gezien het oordeel van het gerechtshof Amsterdam (ECLI:NL:GHAMS:2025:2469), niet als oneerlijk aangemerkt. Warmteleveringsovereenkomsten als de onderhavige zijn onderworpen aan bijzondere wetgeving en daarop gebaseerde regelingen. Vaanster is gebonden aan de maximumtarieven die de Autoriteit Consument en Markt (ACM) vaststelt, waarbij wordt aangenomen dat de ACM ook de belangen van de consument bij die vaststelling heeft betrokken en Vaanster zich aan de maximumtarieven houdt. Onder die omstandigheden kan volgens het gerechtshof niet worden vastgesteld dat het vereiste van goede trouw niet is nageleefd en ook niet dat het evenwicht tussen partijen ten nadele van de consument aanzienlijk is verstoord.
4.11.
De onderhavige vordering ziet op de jaren 2022 en 2023. De tarieven zijn verhoogd. Het beding dat aan deze verhoging ten grondslag ligt moet daarom eveneens worden getoetst op oneerlijkheid.
4.12.
Vorenbedoeld beding is te vinden in artikel 2.1 van de leveringsovereenkomst en bepaalt dat de tarieven jaarlijks op 1 januari worden aangepast conform de jaarlijks door de ACM vast te stellen en te publiceren maximumtarieven zoals bepaald in de Warmtewet en het Warmtebesluit of daarvoor in de plaats tredende (tarief)regelingen. Nu het beding aansluit bij wat krachtens de wet- en regelgeving en de besluiten van de ACM is toegestaan, wordt het beding niet als oneerlijk aangemerkt (vgl. ECLI:NL:GHAMS:2025:2469, overweging 5.16).
4.13.
Het voorgaande leidt tot toewijzing van de gevorderde hoofdsom.
4.14.
Vaanster vordert ook wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten. Zij heeft in artikel 17 van Pro de algemene voorwaarden bedingen staan die daarop zien. Deze moeten daarom worden getoetst op oneerlijkheid. Op grond van de arresten van het Europese Hof van Justitie van 27 januari 2021, C-229/19, ECLI:EU:C:2021:68 (Dexia) en 8 december 2022, C-625/21, ECLI:EU:C:2022:971 (Gupfinger) moet de kantonrechter, ook als Vaanster zich in de procedure niet beroept op een bepaald beding in de overeenkomst, maar op de wet, ambtshalve onderzoeken of het beding in de voorwaarden waarop zij zich had kunnen beroepen niet oneerlijk is in de zin van de richtlijn. Indien een beding als oneerlijk wordt aangemerkt, kan ingevolge deze arresten geen aanspraak meer worden gemaakt op de wettelijke regeling die zonder dat beding van toepassing zou zijn geweest en moet haar vordering op dit punt worden afgewezen.
4.15.
Nu de bedingen verwijzen naar en aansluiten bij de wettelijke regelingen, zijn ze niet oneerlijk, zodat Vaanster zich rechtsgeldig kan beroepen op de wet.
4.16.
De gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Vaanster heeft aan [gedaagde] een of meer aanmaningen gestuurd die voldoen aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW Pro. Het gevorderde bedrag van € 195,86 is in overeenstemming met het tarief dat volgt uit het Besluit en wordt daarom toegewezen.
4.17.
Uit het voorgaande volgt dat het volgende bedrag wordt toegewezen:
- hoofdsom
- rente tot en met 17 juni 2024

1.305,74
83,08
+
totaal
1.388,82
- betalingen
0,00
-/-
Totaal
1.388,82
4.18.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Vaanster worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
113,54
- griffierecht
372,00
- salaris gemachtigde
217,00
(1 punt × € 217,00)
- nakosten
72,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
774,54

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan Vaanster te betalen een bedrag van € 1.388,82, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de hoofdsom van € 1.305,74, met ingang van 18 juni 2024, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan Vaanster te betalen een bedrag van € 195,86 aan buitengerechtelijke kosten,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 774,54, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.D. Coumou en in het openbaar uitgesproken op 24 april 2026.
991