Op 23 januari 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die zich op 2 mei 2025 schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het voorhanden hebben van handgranaten en vuurwapens, alsook aan een poging tot het doen uitgaan van deze wapens. De verdachte, geboren in 1999 en zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, werd op 9 januari 2026 ter terechtzitting gehoord. De officier van justitie, mr. Z. Trokic, eiste een gevangenisstraf van acht jaar, terwijl de verdediging pleitte voor een straf van drie jaar, rekening houdend met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De rechtbank oordeelde dat de verdachte samen met anderen een groot aantal wapens had voorhanden en deze naar het buitenland wilde vervoeren. De rechtbank achtte de verdachte strafbaar en legde een gevangenisstraf van drie jaar op, met aftrek van voorarrest. De rechtbank baseerde haar beslissing op de ernst van de feiten en de mogelijke schade die deze wapens in de samenleving kunnen aanrichten. De rechtbank heeft ook gekeken naar het strafblad van de verdachte, waaruit bleek dat hij niet eerder was veroordeeld voor strafbare feiten. De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 45, 47, 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 14, 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.