De rechtbank Amsterdam behandelde op 7 april 2026 de zaak tegen verdachte die werd verdacht van medeplegen van handel in cocaïne en heroïne en het bezit van 7,52 gram heroïne. Na onderzoek en het horen van partijen oordeelde de rechtbank dat er onvoldoende bewijs was voor het medeplegen van drugshandel, ondanks verklaringen van getuigen die verdachte bij afleveringen zagen. Daarom werd verdachte vrijgesproken van dit feit.
Voor het bezit van 7,52 gram heroïne op 14 december 2021 werd verdachte wel veroordeeld. Dit feit werd bewezen geacht op basis van een bekennende verklaring, een proces-verbaal van bevindingen en een laboratoriumrapport. De rechtbank achtte dit strafbaar en vond geen rechtvaardigingsgrond aanwezig.
De officier van justitie had een gevangenisstraf van 118 dagen geëist, met een voorwaardelijke straf van drie maanden. De verdediging pleitte voor een straf gelijk aan de tijd die verdachte in voorarrest had doorgebracht. De rechtbank hield rekening met de ernst van het feit, de recidive van verdachte, maar ook met stabiliteit in zijn leven en een overschrijding van de redelijke termijn. Uiteindelijk legde de rechtbank een gevangenisstraf van twee dagen op, met aftrek van voorarrest.
De rechtbank verklaarde het medeplegen niet bewezen en sprak verdachte daarvan vrij, maar veroordeelde hem voor het bezit van heroïne. Het vonnis werd gewezen door drie rechters en uitgesproken in een openbare zitting.