Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4822

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
7 april 2026
Publicatiedatum
19 mei 2026
Zaaknummer
13/136070-21
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 63 SrArt. 2 OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 359 lid 3 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak medeplegen handel harddrugs, veroordeling bezit heroïne

De rechtbank Amsterdam behandelde op 7 april 2026 de zaak tegen verdachte die werd verdacht van medeplegen van handel in cocaïne en heroïne en het bezit van 7,52 gram heroïne. Na onderzoek en het horen van partijen oordeelde de rechtbank dat er onvoldoende bewijs was voor het medeplegen van drugshandel, ondanks verklaringen van getuigen die verdachte bij afleveringen zagen. Daarom werd verdachte vrijgesproken van dit feit.

Voor het bezit van 7,52 gram heroïne op 14 december 2021 werd verdachte wel veroordeeld. Dit feit werd bewezen geacht op basis van een bekennende verklaring, een proces-verbaal van bevindingen en een laboratoriumrapport. De rechtbank achtte dit strafbaar en vond geen rechtvaardigingsgrond aanwezig.

De officier van justitie had een gevangenisstraf van 118 dagen geëist, met een voorwaardelijke straf van drie maanden. De verdediging pleitte voor een straf gelijk aan de tijd die verdachte in voorarrest had doorgebracht. De rechtbank hield rekening met de ernst van het feit, de recidive van verdachte, maar ook met stabiliteit in zijn leven en een overschrijding van de redelijke termijn. Uiteindelijk legde de rechtbank een gevangenisstraf van twee dagen op, met aftrek van voorarrest.

De rechtbank verklaarde het medeplegen niet bewezen en sprak verdachte daarvan vrij, maar veroordeelde hem voor het bezit van heroïne. Het vonnis werd gewezen door drie rechters en uitgesproken in een openbare zitting.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van medeplegen handel harddrugs en veroordeeld tot twee dagen gevangenisstraf voor bezit van 7,52 gram heroïne.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/136070-21
Datum uitspraak: 7 april 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1971 te [geboorteplaats] ( [land van herkomst] ),
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres
[adres] ,
hierna: verdachte.

1.Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 10 maart 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. G.M. Kolman, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. A.M. Demirer, naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich te Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan;
1.
het medeplegen van opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren van cocaïne en heroïne in de periode van 1 april 2021 tot en met 14 december 2021; en
2.
het aanwezig hebben van 7,52 gram heroïne op 14 december 2021.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in
bijlage Idie aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3.Waardering van het bewijs

3.1.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde kan worden bewezen. Zij heeft aangevoerd dat met de observaties, de tapgesprekken, de telecomgegevens, de verklaringen van afnemers en de verklaringen van verdachte en zijn medeverdachte(n), er voldoende bewijs is voor het medeplegen van het handelen in verdovende middelen gedurende de ten laste gelegde periode. Datzelfde geldt voor het aanwezig hebben van 7,52 gram heroïne.
3.2
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit voor feit 1, gezien het gebrek aan concrete aanwijzingen in het dossier dat verdachte daadwerkelijk betrokken was bij de handel in verdovende middelen. Ten aanzien van feit 2 is door de raadsman geen bewijsverweer gevoerd, gezien de bekennende verklaring van verdachte.
3.3
Oordeel van de rechtbank
3.3.1
Feiten en omstandigheden
In april 2021 komen bij de politie meldingen binnen over drugshandel via een zogenaamde ‘deallijn’. Naar aanleiding van deze meldingen wordt een onderzoek opgestart, waarbij verdachte, samen met twee medeverdachten, in beeld komt in verband met mogelijke handel in harddrugs, het koken daarvan en het aanwezig hebben van harddrugs.
3.3.2
Vrijspraak ten aanzien van feit 1
De rechtbank is van oordeel dat verdachte moet worden vrijgesproken van het als feit 1 tenlastegelegde. Het dossier bevat geen concrete aanwijzingen dat verdachte daadwerkelijk zelf dealde. Weliswaar zijn er getuigen die verklaren dat zij verdachte ook wel eens hebben gezien bij het afleveren van drugs, maar deze verklaringen zijn naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende overtuigend danwel consistent om op basis daarvan tot een bewezenverklaring voor feit 1 te komen.
3.3.3
Ten aanzien van feit 2
De rechtbank is van oordeel dat bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van 7,52 gram heroïne, zoals onder feit 2 ten laste gelegd. Dit mede gelet op de bekennende verklaring van verdachte ter zitting. De raadsman heeft voor dit feit geen vrijspraak bepleit. Daarom wordt op grond van artikel 359 lid 3 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv) volstaan met een opgave van de voor dit feit gebruikte bewijsmiddelen, namelijk:
De bekennende verklaring van verdachte, [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1971 te [geboorteplaats] ( [land van herkomst] ), afgelegd op de terechtzitting van 10 maart 2026;
Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2021070861 van 15 december 2021, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant] , doorgenummerde pagina’s ZD01 03 0221 t/m 0225;
Een geschrift, te weten een laboratoriumrapport van 22 december 2021 opgemaakt door drs. [naam] , doorgenummerde pagina ZD01 03 0233.

4.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van het voorgaande bewezen dat verdachte
2.
op 14 december 2021 te Amsterdam, opzettelijk aanwezig heeft gehad 7,52 gram heroïne.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5.Strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6.Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7.Motivering van de straffen en maatregelen

7.1.
Eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 118 dagen, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft de officier van justitie een voorwaardelijke gevangenisstraf ter hoogte van drie maanden met een proeftijd van 2 jaren gevorderd.
7.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank bij de strafoplegging moet komen tot een straf die hoogstens gelijk is aan de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.
7.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank komt tot een andere strafoplegging dan de officier van justitie, gelet op de vrijspraak voor feit 1. De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Aard en ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van 7,52 gram heroïne. Het is verboden om deze harddrugs aanwezig te hebben omdat het gebruik van harddrugs verslavend én schadelijk voor de gezondheid is. Het gebruik, en dus verschaffen van heroïne, houdt de criminele activiteiten die hiermee gepaard gaan dan ook in stand. Dit is een zorgelijk feit.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 28 januari 2026. Hieruit blijkt dat verdachte eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld. Deze recidive zal de rechtbank dan ook in strafverzwarende zin meewegen bij de straftoemeting. Er is echter ook sprake van een situatie als omschreven in artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht. Hier houdt de rechtbank, in het voordeel van verdachte, ook rekening mee.
Verder heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsrapport ten aanzien van verdachte van 16 februari 2026. Hieruit blijkt dat sinds onderhavige tenlastelegging op verschillende levensgebieden sprake is van stabiliteit. Verdachte heeft een stabiele huisvesting, er zouden geen financiële problemen zijn en hij is inmiddels vier jaar abstinent. Er is bovendien sprake van een steunend netwerk. De reclassering adviseert dan ook om geen bijzondere voorwaarden aan een eventuele straf te verbinden.
Redelijke termijn
In beginsel moet een zaak binnen twee jaar worden afgedaan door de rechter. De redelijke termijn gaat lopen op het moment dat verdachte in redelijkheid kan verwachten dat hij vervolgd zal worden. De officier van justitie heeft betoogd dat de aanvangsdatum van de redelijke termijn 5 juni 2023 is, gelet op de ingediende onderzoekswensen van de verdediging. De rechtbank gaat echter uit van de datum dat verdachte in verzekering is gesteld en stelt vast dat de redelijke termijn is gaan lopen op 14 december 2021. De behandeling had dus uiterlijk 14 december 2023 afgerond moeten zijn. De rechtbank doet echter pas uitspraak op 7 april 2026. Dit is dan ook een forse overschrijding van de redelijke termijn, zonder dat hiervoor een duidelijke, aanwijsbare reden bestaat. De rechtbank zal deze omstandigheid dan ook in strafverminderende zin meewegen in haar straftoemeting.
Straf
De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding bestaat bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd. De rechtbank acht een gevangenisstraf voor de duur van twee dagen passend en geboden.

8.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht en artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

9.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het onder 1 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, gegeven verbod.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvan
2 (twee) dagen.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Heft op het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door
mr. A.K. Glerum, voorzitter,
mrs. E. Biçer en J.V.L. van Well, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. R.T. Lo Dico, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 7 april 2026.
[..]