8.3.Het oordeel van de rechtbank
Motivering van de op te leggen gevangenisstraf en maatregel
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging van zijn broer en zus. De bedreigende woorden die verdachte heeft geuit hebben hen angst aangejaagd en hun gevoel van veiligheid is aangetast. Vanwege de psychotische toestand van verdachte en het feit dat hij eerder een geladen vuurwapen in bezit heeft gehad, hebben de slachtoffers er rekening mee gehouden dat verdachte de geuite bedreigingen daadwerkelijk zou kunnen uitvoeren. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan de mishandeling van zijn partner. Het slachtoffer heeft daarbij pijn en letsel opgelopen. Door zijn handelen heeft verdachte op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en op haar gevoel van veiligheid, hetgeen bij uitstek in het geval van een levensgezel vanzelfsprekend moet zijn. Dit zijn ernstige strafbare feiten die de rechtbank verdachte aanrekent.
Het strafblad
Uit het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 22 januari 2026 blijkt dat verdachte al tweemaal eerder is veroordeeld voor mishandeling van twee verschillende ex-partners. Verdachte liep ten tijde van de tenlastegelegde feiten nog in een proeftijd bij één van deze veroordelingen. De rechtbank neemt dit mee in het nadeel van verdachte. Verdachte liep daarnaast ook nog in een proeftijd bij een veroordeling voor munitie- en wapenbezit. Dit weegt de rechtbank, gelet op het bewezenverklaarde in zaak A, in strafverzwarende zin mee.
De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding bestaat bij de straftoemeting af te wijken van de eis van de officier van justitie.
Alles overwegende acht de rechtbank oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten, passend en geboden.
De rechtbank heeft met betrekking tot de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte onder meer acht geslagen op de volgende stukken:
- een NIFP consult rechtspleging van 14 april 2025, opgesteld door psycholoog G. Veen;
- een Pro Justitia psychologisch onderzoek van 14 oktober 2025, opgesteld door N.P.A. van der Weegen,
- een Pro Justitia psychiatrisch onderzoek van 17 oktober 2025, opgesteld door M.M. Sprock;
- een advies van GGZ Reclassering Inforsa van 11 december 2025, opgesteld door
Op de terechtzitting van 17 april 2026 hebben de deskundigen Van der Weegen en Sprock hun rapporten toegelicht en de daarin vermelde conclusies gehandhaafd. Van der Weegen en Sprock (hierna: de deskundigen) concluderen dat bij verdachte vanaf zijn vijftiende jaar gedragsproblemen optreden. Vanaf 2018 zijn bij hem psychotische verschijnselen aanwezig in de vorm van stemmen horen, het idee hebben dat er (een) zender(s) in zijn hoofd zit(ten) en complottheorieën. Er is. sprake is van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de vorm van een ongespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis, met daarnaast een antisociale persoonlijkheidsstoornis en een stoornis in cannabisgebruik. Verdachte laat een patroon zien van een gebrek aan respect voor en schending van de rechten van anderen. Hij bagatelliseert en externaliseert, maar kan geweld ook goedpraten voor zichzelf. Hij kan prikkelbaar en vijandig zijn hetgeen lijkt samen te hangen met de psychotische stoornis. Gezien het disfunctioneren op alle levensgebieden kan gesproken worden van een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Beide deskundigen zijn van oordeel dat deze stoornissen bij verdachte aanwezig waren ten tijde van het tenlastegelegde en in aanzienlijke mate ten grondslag liggen aan het tenlastegelegde. Ten aanzien van de in zaak A bewezen geachte bedreiging vermelden de deskundigen dat verdachte voornamelijk gestuurd is door zijn paranoïde psychotische belevingen, waarbij hij vanwege zijn antisociale persoonlijkheidsstoornis weinig remming kent rondom agressieve impulsen. Ten aanzien van de in zaak B ten laste gelegde mishandeling speelde de persoonlijkheidsstoornis een leidende rol, waarbij de (sluimerende) psychotische belevingen van invloed zijn geweest op zijn impulscontrole en prikkelbaarheid. De deskundigen adviseren dan ook om verdachte voor hetgeen in zaak A ten laste is gelegd sterk verminderd toerekeningsvatbaar te achten en voor hetgeen in zaak B ten laste is gelegd hem verminderd toerekeningsvatbaar te achten.
De rechtbank is het eens met de goed onderbouwde conclusies en adviezen van de deskundigen over de stoornissen van verdachte en de mate van toerekeningsvatbaarheid van verdachte voor de bewezen verklaarde feiten.
Advies van de deskundigen
De deskundigen stellen een hoog recidiverisico bij verdachte vast. Zijn ernstige stoornissen vormen de grootste risicofactoren. De oplossingsvaardigheden van verdachte zijn beperkt en bij overbelasting of opvlammen van de psychotische belevingen komt zijn impulscontrole onder druk te staan en loopt het risico op agressieve impulsdoorbraken op.
De verdachte heeft geen inzicht in zijn eigen gedrag en geen ziektebesef. De uitlating tegen zijn vriendin dat zijn jongere ik haar zou hebben omgelegd is ernstig en wordt door hem gebagatelliseerd. Verdachte had eerder een vuurwapen en een mes in zijn bezit vanuit de psychotische overtuiging zichzelf te moeten verdedigen tegen mensen die hem kwaad willen doen. De deskundigen zien daarom zowel recidive- als escalatiegevaar.
Behandeling van verdachte is noodzakelijk om dit recidive- en escalatierisico terug te dringen. Die behandeling dient volgens de deskundigen langdurig en intensief te zijn en plaats te vinden binnen een instelling met expertise op het gebied van persoonlijkheidsstoornissen, psychotische stoornissen, middelengebruik en forensische problematiek. De deskundigen adviseren daarom een klinische behandeling in een forensische kliniek. Het vervolgtraject richting ambulante behandeling moet langzaam en weloverwogen vorm krijgen, om het risico op agressief gedrag zo veel mogelijk in te perken.
Een voorwaardelijk juridisch kader wordt door de deskundigen bij verdachte niet haalbaar geacht. Verdachte is niet gemotiveerd voor behandeling. Eerdere ambulante behandelingen in 2020, 2021, 2022 en 2024 zowel bij De Waag als bij Inforsa zijn niet van de grond gekomen wegens gebrek aan medewerking van verdachte. In 2024 werd verdachte agressief tijdens de gesprekken met de psycholoog en psychiater van Inforsa. Bij de reclassering gedroeg hij zich zo verward en agressief dat men besloot hem niet meer uit te nodigen op kantoor.
Verdachte moet medicatie innemen en abstinent blijven van middelen. Een behandeling in het kader van een zorgmachtiging is zowel volgens de NIFP-rapporteurs als volgens de GGZ niet toereikend om het recidiverisico af te wensen. Er rest naar de mening van de deskundigen niets anders dan een behandeling in het kader van een terbeschikkingstelling met dwangverpleging.
De reclassering schaart zich in het rapport van 11 december 2025 achter het advies van de deskundigen en ziet geen mogelijkheden voor een ander kader dan behandeling binnen een tbs-maatregel met dwangverpleging.
Terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege
De rechtbank moet de vraag beantwoorden of de oplegging van een tbs-maatregel met dwangverpleging, zoals geadviseerd door de gedragsdeskundigen en gevorderd door de officier van justitie, passend en geboden is. De rechtbank is van oordeel dat dit het geval is. Minder vergaande alternatieven vindt de rechtbank niet toereikend. Het volgende is hiervoor van belang.
Gelet op de aard van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dat is begaan en de inhoud van de gedragskundige rapportages, waaronder de ernst van de stoornissen, het als hoog ingeschatte recidive- en escalatierisico en het gebrek aan zelfinzicht bij verdachte, is de rechtbank van oordeel dat verdachte een gevaar vormt voor de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen en dat behandeling van zijn stoornis noodzakelijk en vereist is om een herhaling van soortgelijke of ernstigere geweldsdelicten te voorkomen. De rechtbank acht het onverantwoord om verdachte zonder adequate behandeling in de maatschappij te laten terugkeren.
Gelet op de inhoud van de rapporten van voornoemde deskundigen heeft de rechtbank er geen vertrouwen in dat behandeling middels extern risicomanagement met veel toezicht en monitoring en geleidelijke resocialisatie binnen een voorwaardelijk kader of in het kader van een gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel, zoals gesuggereerd door de raadsman, voldoende veiligheid en kans op een effectieve behandeling biedt. Mede gelet op de problematiek van de verdachte is behandeling binnen een steviger kader nodig en dat kan niet geboden worden binnen een kader met een voorwaardelijk karakter, noch in het kader van een deels voorwaardelijke straf, noch in het kader van een tbs-maatregel met voorwaarden. De rechtbank wordt in deze overtuiging gesterkt doordat verdachte ter zitting heeft verklaard het niet nodig te vinden naar een kliniek te gaan.
De rechtbank overweegt dat uit de stukken blijkt dat bij verdachte sprake is van langdurige, ernstige en diepgewortelde stoornissen. Sinds 2018 wordt gesproken van psychotische belevingen bij verdachte. Familieleden van verdachte geven al vele jaren aan een gedragsverandering te hebben gezien bij verdachte, zich veelvuldig bedreigd te hebben gevoeld door hem en zich zorgen te maken over hem. De deskundigen hebben geconcludeerd dat geen sprake is van enig ziektebesef of -inzicht bij verdachte. Hij ontkent het horen van stemmen en als hij ermee geconfronteerd wordt dat hij dit zelf vele malen heeft verklaard in de afgelopen jaren, geeft hij aan dat hij inmiddels weet dat hij lijdt aan tinnitus. Hierover zijn echter geen objectieve gegevens van een arts voorhanden. Als doorgevraagd wordt over de verschillen tussen het horen van stemmen en tinnitus is verdachte ontwijkend en zegt hij in de war te zijn geweest.. Ook na meer dan een jaar detentie heeft verdachte onvoldoende afstand genomen van zijn paranoïde-psychotische belevingen. De rechtbank merkt daarbij op dat verdachte op de zitting heeft verklaard dat hij nu twee keer is aangevallen door zijn zus [slachtoffer 2] “en haar groep”, en dat hij bang is dat zij hem weer gaan aanvallen.
De rechtbank stelt verder vast dat de paranoïde psychotische belevingen van verdachte zich uiten in een gevoel zich te moeten verdedigen tegen anderen, waaronder zijn familie. Verdachte had de dag na de mishandeling in zaak B een mes in zijn tas toen hij aangeefster opzocht op haar werk. Hij is eerder veroordeeld voor munitie- en vuurwapenbezit, en daarover is gerapporteerd dat hij dat wapen had aangeschaft omdat hij zich bedreigd voelde vanuit paranoïde ideeën. De rechtbank is van oordeel dat hieruit blijkt dat de kans op escalatie een reëel risico is.
Door de deskundigen is onderbouwd naar voren gebracht dat sprake is van weinig beschermende factoren. De raadsman heeft bepleit dat de familie van verdachte wél een beschermende factor vormt en dat verdachte t heel hecht is met zijn familie. De rechtbank ziet dit anders. Hoewel uit de aangiftes en de latere verklaringen van zijn broer en zussen volgt dat zij veel om verdachte geven, blijkt ook uit de stukken dat de relatie tussen verdachte en zijn familie is verstoord vanwege zijn psychische problematiek. Ter terechtzitting verklaart verdachte weinig tot geen contact te hebben met zijn familie. Over het algemeen wordt de aanwezigheid van familieleden in het sociaal netwerk tot een van de beschermende factoren gerekend. In het geval van verdachte is de rechtbank van oordeel dat zijn familie echter een risicofactor vormt, gelet op de connectie met zijn psychose, waarbij verdachte van mening is dat er een complot tegen hem is, waarin met name zijn zus [slachtoffer 2] een, in zijn ogen zeer kwalijke, rol speelt.
De rechtbank neemt in ogenschouw dat verdachte gedurende zijn periode in detentie abstinent is gebleven van cannabis. Hij heeft echter verklaard het kinderachtig te vinden volledig te moeten stoppen met het roken van cannabis. De rechtbank ziet een hoog risico dat verdachte vervalt in middelengebruik bij het wegvallen van externe structuur en controle. De psychiater heeft beschreven dat cannabisgebruik door verdachte wordt ingezet als zelfmedicatie om zijn psychotische symptomen te dempen. Bij psychosegevoeligheid werkt cannabisgebruik echter juist uitlokkend voor psychoses.
Tot slot slaat de rechtbank stil bij het feit dat het gedrag van verdachte in detentie ook de noodzaak van een klinische behandeling in het kader van een terbeschikkingstelling met verpleging illustreert. Verdachte verblijft sinds juni 2025 op [afdeling] , een kleine afdeling in [detentieadres] waar gedetineerden worden geplaatst die wegens psychosociale problematiek niet op een meerpersoonscel kunnen verblijven. Hij werd daar naartoe overgeplaatst vanwege een conflict met zijn celgenoot, waarbij verdachte zich naar zijn zeggen bedreigd, uitgelokt en opgefokt voelde en de celgenoot heeft geslagen. Na terugkomst uit de isoleercel was volgens verdachte van een schaakstuk een galgje gemaakt “als een duidelijke boodschap”. Daarna heeft hij op advies van de inrichtingspsycholoog vanwege psychotische kwetsbaarheid een enkelcelstatus gekregen. In juni 2025 werd hem op deze afdeling door de inrichtingspsychiater olanzapine (een antipsychoticum; 7,5mg) voorgeschreven. Er waren vervolgens in detentie geen twijfels over zijn medicatietrouw. Verdachte heeft echter aan psychiater Sprock verteld dat de olanzapine hem niet hielp om in slaap te vallen. en dat hij toen om een hogere dosering heeft gevraagd. Dit werd geweigerd en hem werd uitgelegd dat het een antipsychoticum was. Verdachte besloot toen dat hij geen antipsychoticum nodig had en heeft het middel daarna niet meer geslikt, maar steeds weggegooid, zonder dit aan de behandelaar te melden.
De deskundigen bevestigen ter terechtzitting dat het gebruik van medicatie cruciaal is in de behandeling van de steeds fluctuerende psychotische klachten van verdachte. Ondanks een lange periode in een prikkelarme detentie-omgeving zonder cannabis heeft verdachte nog onvoldoende afstand van zijn psychotische overtuigingen genomen en toont hij geen ziektebesef. Verdachte heeft desgevraagd ter terechtzitting bevestigd dat hij het gebruik van een antipsychoticum niet nodig vindt.
De rechtbank overweegt dat verdachte ter beschikking gesteld moet worden en van overheidswege verpleegd moet worden, en dat aan de voorwaarden voor oplegging van die maatregel is voldaan voor de in zaak A en in zaak B bewezenverklaarde feiten. Aan de wettelijke voorwaarden voor het kunnen opleggen van tbs is dan ook voldaan. Bij verdachte bestond tijdens het begaan van de bewezen geachte feiten een ziekelijke stoornis van de geestvermogens, zo stelt de rechtbank vast. De feiten zijn misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld, dan wel zijn een van de specifieke feiten genoemd in artikel 37a Sr, te weten bedreiging, en de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen vereist het opleggen van die maatregel.
De rechtbank zal daarom aan de verdachte ter zake van het bewezenverklaarde een tbs-maatregel met verpleging van overheidswege opleggen. De rechtbank zal gelasten dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en zal bevelen dat de verdachte van overheidswege zal worden verpleegd.
Ongemaximeerde tbs-maatregel
Met het oog op het bepaalde in artikel 38e Sr, stelt de rechtbank vast dat het in zaak B bewezen geachte feit een misdrijf betreft dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zodat de totale duur van de terbeschikkingstelling niet is beperkt tot de duur van vier jaren.
Gelet hierop zal de rechtbank niet overgaan tot aansluitende oplegging van een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel.