ECLI:NL:RBAMS:2026:48

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
2 januari 2026
Publicatiedatum
9 januari 2026
Zaaknummer
11818670 \ CV EXPL 25-10261
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Schadevergoedingsuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:230l BWArt. 3 lid 1 Richtlijn 93/13/EEGArt. 6:96 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling tarief verloren kaart en schadevergoeding na treintje rijden in parkeergarage

Op 27 maart 2025 heeft de auto van gedaagde een parkeergarage van Q-Park verlaten zonder te betalen, door treintje te rijden onder de slagboom. Omdat het kenteken op naam van gedaagde stond, wordt aangenomen dat hij de bestuurder was. Gedaagde stelde dat een vriend reed, maar dit vermoeden werd onvoldoende onderbouwd.

Q-Park vorderde betaling van het tarief verloren kaart (€17), een aanvullende schadevergoeding (€382,41) en incassokosten. De kantonrechter oordeelde dat de algemene voorwaarden niet oneerlijk zijn en dat gedaagde aansprakelijk is voor het tarief en de schadevergoeding. De incassokosten werden afgewezen omdat niet kon worden vastgesteld dat aanmaningen waren ontvangen.

De wettelijke rente over de toegewezen bedragen wordt vanaf 27 maart 2025 toegewezen. Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van tarief verloren kaart, aanvullende schadevergoeding, wettelijke rente en proceskosten; incassokosten worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11818670 \ CV EXPL 25-10261
Vonnis van 2 januari 2026
in de zaak van
Q-PARK OPERATIONS NETHERLANDS B.V.,
gevestigd te Maastricht,
eisende partij,
hierna te noemen: Q-Park,
gemachtigde: mr. C.F.P.M. Spreksel,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 28 juli 2025, met producties,
- het proces-verbaal van mondeling antwoord,
- het instructievonnis van 22 augustus 2025,
- de akte van Q-Park van 5 november 2025, met daarbij gedeponeerde usb-stick met video-opname.
1.2.
Op 3 december 2025 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Namens de gemachtigde van Q-Park is [naam] verschenen. [gedaagde] is, hoewel hij behoorlijk is opgeroepen, niet verschenen.
1.3.
De gemachtigde van Q-Park heeft de dagvaarding toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken.

2.De kern

2.1.
De auto waarvan [gedaagde] kentekenhouder is heeft op 27 maart 2025 een parkeergarage van Q-Park verlaten door dicht achter een ander voertuig onder de slagboom door te rijden, zonder te betalen (het zogenoemde “treintje rijden”). Q-Park vordert in deze procedure dat [gedaagde] het tarief van een verloren kaart ter hoogte van € 17,-, een aanvullende schadevergoeding van € 382,41 en de buitengerechtelijke incasso betaalt, vermeerderd met rente. Ook vordert Q-Park betaling van de kosten van deze procedure. Het verweer van [gedaagde] slaagt deels. De kantonrechter wijst de vorderingen toe, behalve de buitengerechtelijke incassokosten. Die beslissing wordt hieronder besproken.

3.De beoordeling

Overeenkomst
3.1.
Q-Park heeft aan haar vorderingen ten grondslag gelegd dat tussen haar en [gedaagde] een (parkeer)overeenkomst met toepasselijke algemene voorwaarden tot stand is gekomen. Q-Park stelt daartoe dat op 27 maart 2025 met een [voertuig] met kenteken [kenteken] (hierna: het voertuig) de parkeergarage ‘ [naam parkeergarage] ’ is binnengereden, waarvan het kenteken op dat moment op naam van [gedaagde] geregistreerd stond bij de Rijksdienst voor het Wegverkeer (RDW), waardoor tussen partijen een overeenkomst is gesloten.
3.2.
[gedaagde] erkent dat met het voertuig de parkeergarage is binnengereden, maar stelt dat het voertuig bestuurd werd door een vriend van hem. Volgens [gedaagde] is zijn vriend door de garage van Q-Park gereden omdat er een weg was afgesloten, lukte het zijn vriend niet om een ticket te pakken en is niet geparkeerd in de garage maar is er alleen doorheen gereden. Voor zover [gedaagde] daarmee heeft bedoeld dat er geen overeenkomst tot stand is gekomen of dat de overeenkomst met zijn vriend tot stand is gekomen (en Q-Park daarom niet ontvangen kan worden in haar vorderingen), wordt [gedaagde] daar niet in gevolgd. Dat wordt hierna uitgelegd.
3.3.
Q-Park exploiteert en beheert een groot aantal parkeeraccommodaties in Nederland. Door een parkeergarage van Q-Park binnen te rijden, komt er een overeenkomst tot stand tussen Q-Park en de bestuurder van het voertuig. [gedaagde] erkent dat met het voertuig de parkeergarage is ingereden en dit blijkt ook uit het videofragment op de door Q-Park in het geding gebrachte usb-stick waarop te zien is dat het voertuig de parkeergarage verlaat. Hoewel er geen wettelijke grondslag bestaat op grond waarvan de kentekenhouder zonder meer als contractspartij van Q-Park is aan te merken, kan uit de registratie als kentekenhouder wel met gerechtvaardigd vertrouwen worden afgeleid dat de kentekenhouder ook de bestuurder van het voertuig is geweest. In beginsel wordt er daarom van uitgegaan dat de kentekenhouder de bestuurder is geweest. Het ligt dan op de weg van de kentekenhouder om dat vermoeden te weerleggen door aan te tonen dat een derde in het voertuig reed.
3.4.
[gedaagde] heeft niet betwist dat het kenteken van het voertuig bij de RDW op zijn naam geregistreerd staat. Daarom geldt het rechtsvermoeden dat [gedaagde] op 27 maart 2025 de bestuurder is geweest en er dus een overeenkomst tussen hem en Q-Park tot stand is gekomen. [gedaagde] heeft dat vermoeden naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende weerlegd. [gedaagde] heeft gesteld dat een vriend van hem die dag de bestuurder was, maar [gedaagde] heeft die stelling niet gemotiveerd of onderbouwd. Zo heeft hij niet gespecificeerd om welke vriend het gaat en heeft hij geen verklaring of een ander stuk overgelegd waaruit blijkt dat iemand anders dan [gedaagde] het voertuig bestuurde. De kantonrechter concludeert dan ook dat tussen Q-Park en [gedaagde] een overeenkomst tot stand is gekomen. Dat er niet daadwerkelijk geparkeerd is, zoals [gedaagde] stelt, maakt dat niet anders. Q-Park kan dan ook ontvangen worden in haar vorderingen.
Ambtshalve toetsen
3.5.
Q-Park heeft in haar dagvaarding (impliciet) gesteld dat de overeenkomst waarop zij zich beroept is gesloten met een consument. [gedaagde] heeft bij mondeling antwoord echter betoogd dat het voertuig waarmee treintje is gereden van zijn bedrijf is en dat de vriend die volgens [gedaagde] in het voertuig heeft gereden het voertuig als zzp’er gebruikte. De gemachtigde van Q-Park heeft ter zitting toegelicht dat zij meent dat de overeenkomst met een consument is gesloten omdat de kentekengegevens van het voertuig op naam van [gedaagde] staan en niet op naam van zijn onderneming. Gelet op de stelling van Q-Park en de omstandigheid dat [gedaagde] – die niet ter zitting is verschenen – niet uitdrukkelijk afstand heeft kunnen doen van de bescherming die het consumentenrecht hem (mogelijk) biedt, zal de kantonrechter tot uitgangspunt nemen dat de overeenkomst is gesloten met een consument.
3.6.
Omdat de overeenkomst waar Q-Park zich op beroept is gesloten met een consument moet de kantonrechter ambtshalve onderzoeken of Q-Park de informatieplichten ten tijde van het sluiten van de overeenkomst heeft nageleefd. De overeenkomst is tot stand gekomen binnen de verkoopruimte en Q-Park heeft voldoende onderbouwd gesteld dat zij voldaan heeft aan de informatieplichten die zij heeft op grond van artikel 6:230l Burgerlijk Wetboek (BW).
3.7.
De kantonrechter moet ook uit eigen beweging beoordelen of de bedingen in de overeenkomst en de algemene voorwaarden oneerlijk zijn in de zin van Richtlijn 93/13/EEG (de richtlijn oneerlijke bedingen, hierna: de richtlijn). Bij die beoordeling gaat het erom of een beding, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort (artikel 3 lid 1 van Pro de richtlijn). Daarbij moet onder meer rekening worden gehouden met alle andere bedingen van die overeenkomst.
3.8.
In artikelen 5.5, 6.6 en 7.5 van de in deze zaak overgelegde versie van de algemene voorwaarden (versie 02.2025) zijn bepalingen opgenomen over de door de consument te vergoeden schade:
‘5. Gebruikersvoorschriften(…)
5.5
Het met een Motorvoertuig of enig onder voertuig verlaten van de Parkeerfaciliteit zonder gebruikmaking van een geldig door Q-Park geaccepteerd Parkeerbewijs (bijvoorbeeld door langs de slagboom te rijden of door middel van het zogenoemde “treintje rijden”, waarbij de Klant direct achter zijn voorganger onder de slagboom doorrijdt,) is onder geen beding toegestaan. Indien Q-Park gebruik van de Parkeerfaciliteit in strijd met het bepaalde in dit artikel constateert, is de Klant het voor de betreffende Parkeerfaciliteit vastgestelde tarief “verloren kaart” (zoals vermeld bij de inrit van de Parkeerfaciliteit) verschuldigd, alsmede een bedrag aan aanvullende schadevergoeding ad € 382,41 (prijspeil 2025).
(…)

6.Parkeergeld en betaling

(…)
Kortparkeren
(…)
6.6
In geval van verlies of ontbreken van het Parkeerbewijs is de Parkeerder het door Q-Park voor de betreffende Parkeerfaciliteit vastgestelde tarief “verloren kaart” (zoals vermeld bij de inrit van de Parkeerfaciliteit) verschuldigd. De Parkeerder dient dit bedrag vóór het verlaten van de Parkeerfaciliteit te voldoen. Indien de Klant achteraf door middel van de klachtenprocedure aan kan tonen wat de daadwerkelijke parkeertijd was, zal eventuele restitutie op basis daarvan plaats vinden. De bewijslast met betrekking tot de daadwerkelijke parkeertijd berust bij de Klant.
(…)

7.Aansprakelijkheid

(…)

7.5
De Klant is aansprakelijk voor alle schade die door hem is veroorzaakt aan de Parkeerfaciliteit of de daarbij behorende apparatuur en installaties.’
3.9.
Op grond van artikel 5.5 kan Q-Park het tarief verloren kaart en een schadevergoeding vorderen. Uit de tekst van het beding volgt dat deze vergoedingen zien op verschillende schadeposten, zodat dit beding niet tot dubbele vergoedingen zal leiden. Gelet op de gemotiveerde onderbouwing van Q-Park van de hoogte van de schadevergoeding wordt deze als niet oneerlijk beoordeeld. Het forfaitaire bedrag van € 382,41 dient volgens Q-Park namelijk als prikkel tot nakoming (uitrijden nadat er is betaald) en mag in dat opzicht voldoende afschrikwekkend zijn om te ontmoedigen dat langs de slagboom wordt gereden of direct achter de voorganger onder de slagboom door wordt gereden. Bovendien staat het in redelijke verhouding tot het belang van Q-Park en dient het voor vergoeding van algemenere schade, zoals de inzet van personeel en apparatuur met betrekking tot het voorkomen van en klachten over treintje rijden. Verder kan treintje rijden leiden tot kopieergedrag, schade aan de slagboom bij het uitrijden en een onveilig gevoel in de parkeergarage. Van een buitensporige boete is naar het oordeel van de kantonrechter geen sprake.
3.10.
Artikel 6.6 gaat ook over het tarief verloren kaart, maar gelet op de formulering leidt dit niet tot cumulatie met artikel 5.5. Artikel 7.5 gaat over schade veroorzaakt aan de parkeerfaciliteit, wat gelet op de definitie van artikel 1 doelt Pro op (materiële) schade aan de parkeergarage of het parkeerterrein en niet op schade van Q-Park. Daarmee ziet dit artikel op andere schadeposten dan waarop artikel 5.5 ziet, zodat dit niet tot dubbele vergoedingen zal leiden.
3.11.
De kantonrechter beoordeelt de hierboven geciteerde bedingen dan ook als niet oneerlijk.
Tarief verloren kaart en schadevergoeding.
3.12.
Q-Park vordert het tarief verloren kaart ter hoogte van € 17,- en een aanvullende schadevergoeding van € 382,41. Q-Park legt aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde] de in artikel 5.5. van de algemene voorwaarden genoemde bedragen moet betalen omdat hij toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de op hem rustende verplichtingen uit de overeenkomst dan wel een onrechtmatige daad heeft gepleegd door de parkeergarage te verlaten zonder geldig uitrijkaartje. De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] de gevorderde bedragen moet betalen. Daarvoor is het volgende redengevend.
3.13.
Uit artikel 5.5. van de algemene voorwaarden volgt, kort gezegd, dat het tarief verloren kaart en een aanvullende schadevergoeding verschuldigd is als de parkeerfaciliteit met een (motor)voertuig wordt verlaten zonder te betalen, bijvoorbeeld door treintje te rijden. [gedaagde] betoogt dat zijn vriend er bij de slagboom niet uit kwam en daarom in paniek achter iemand aan is gereden. [gedaagde] erkent daarmee dat de parkeerplaats is verlaten zonder daarvoor te betalen en is daarom in beginsel gehouden om de genoemde bedragen te betalen. Uit de overgelegde stukken blijkt dat het gevorderde tarief verloren kaart gelijk is aan het maximale dagtarief voor de parkeergarage en gelet op hetgeen hiervoor onder 3.9. is overwogen is ook de aanvullende schadevergoeding toewijsbaar.
3.14.
Dat er volgens [gedaagde] niemand van Q-Park op de parkeerplaats aanwezig was om zijn vriend te helpen, maakt dat niet anders. Q-Park heeft namelijk voldoende onderbouwd gesteld dat de klantenservice van Q-Park te allen tijde bereikbaar is en dat in elke parkeeraccommodatie op meerdere plaatsen “help-knoppen” te vinden zijn waarmee de parkeerder direct contact kan krijgen met de klantenservice van Q-Park. Er is niet gesteld of gebleken dat (de vriend van) [gedaagde] daar gebruik van heeft gemaakt. De enkele stelling dat niemand aanwezig was is dan ook onvoldoende.
3.15.
Ook de stelling dat (de vriend van) [gedaagde] alleen de parkeergarage op is gereden vanwege een afgesloten weg, maar niet daadwerkelijk geparkeerd heeft, maakt dat niet anders. De omstandigheid dat alleen kort gebruik wordt gemaakt van de parkeergarage maakt namelijk niet dat er niet betaald hoeft te worden voor dat gebruik. Het gevorderde tarief verloren kaart en de aanvullende schadevergoeding worden dan ook toegewezen.
Buitengerechtelijke incassokosten
3.16.
Q-Park vordert verder vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Aangezien [gedaagde] wordt beschouwd als consument moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten.
3.17.
Q-Park stelt dat zij [gedaagde] bij brieven van 2 april 2025 en 23 april 2025 heeft aangemaand tot betaling, maar [gedaagde] betwist dat hij de aanmaningen heeft ontvangen. De gemachtigde van Q-Park heeft ter zitting toegelicht dat de brief van 23 april aangetekend is verstuurd, maar retour is gezonden aan de afzender omdat deze niet is afgehaald. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft de gemachtigde van Q-Park ter zitting de envelop overgelegd waarin de brief van 23 april 2025 is verstuurd met daarop een sticker waarop staat vermeld ‘
Niet afgehaald; retour afzender/ Not picked up; Return to sender’. Q-Park heeft echter niet gesteld of aannemelijk gemaakt dat ter zake van die brief een afhaalbericht bij [gedaagde] is achtergelaten. De kantonrechter kan dan ook niet vaststellen op welke datum de aanmaning door [gedaagde] op zijn laatst is ontvangen. De gevorderde vergoeding zal daarom worden afgewezen.
Wettelijke rente
3.18.
Omdat [gedaagde] het tarief verloren kaart en de aanvullende schadevergoeding niet op tijd heeft betaald, is hij de wettelijke rente verschuldigd. Deze zal worden toegewezen vanaf de datum van pleging, namelijk 27 maart 2025.
Proceskosten
3.19.
[gedaagde] is overwegend in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Q-Park worden begroot op: € 438,78, bestaande uit de kosten van de dagvaarding (€ 120,78), het griffierecht (€ 135,-), het salaris van de gemachtigde (2x € 82,-) en de nakosten (€ 19,-).

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan Q-Park te betalen een bedrag van:
a. € 17,- aan tarief verloren kaart,
b. € 382,41 aan aanvullende schadevergoeding,
4.2.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de onder 4.1. sub a. en b. toegewezen bedragen, met ingang van 27 maart 2025, tot de dag van volledige betaling,
4.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van Q-Park begroot op € 438,78, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.P.C. van Dam van Isselt, kantonrechter, in diens afwezigheid getekend door mr. H.D. Coumou, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. M.E. Zwart da Silva Palma, griffier, op 2 januari 2026.
64183