Uitspraak
RECHTBANK Amsterdam
SOUTH STREAM TRANSPORT B.V.,
1.De procedure
Beide partijen hebben producties en een pleitnota in het geding gebracht.
Bij de mondelinge behandeling waren aanwezig:
J. Gimblett (Covington & Burling LLP);
(via een digitale verbinding) mr. De Korte.
Ook waren twee tolken Nederlands/Engels aanwezig ( S. van Gaelen en M. Iest ).
Na verder debat is vonnis is bepaald op 20 mei 2026. Op 18 mei 2026 zijn de advocaten van partijen ervan in kennis gesteld dat die dag vonnis wordt gewezen.
2.De feiten
UNCITRAL Rules” een arbitrale procedure aanhangig gemaakt tegen de Russische Federatie (de RF) waarin zij de schade verhaalt die zij als gevolg van de onteigening heeft geleden. Bij arbitraal vonnis van 1 november 2023 is de RF veroordeeld tot betaling aan DTEK van ruim USD 207 miljoen, te vermeerderen met rente en kosten. Op 1 december 2023 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag DTEK verlof verleend tot tenuitvoerlegging van dat arbitraal vonnis.
3.Het geschil
i) SST te verbieden (zelfstandig of bij wijze van medewerking) te vervreemden, over
op straffe van een dwangsom van € 20 miljoen per overtreding door SST;
€ 2,5 miljoen per dag dat SST daarmee in gebreke blijft, met een maximum van € 262 miljoen;
modus operandivan de RF om betalingsverplichtingen in de wind te slaan en vermogen zo veel mogelijk uit de greep van haar schuldeisers te houden. Zo weigert de RF ook om aan de veroordeling die is opgenomen in het arbitrale vonnis te voldoen. De RF heeft de volledige controle over gehele Gazprom groep, waaronder SST en GIPS1. De Gazprom groep fungeert als een vehikel om Russisch vermogen uit de greep te houden van schuldeisers en kan met de RF worden vereenzelvigd. De entiteiten van de Gazprom groep die zich op juridische zelfstandigheid beroepen maken hierdoor misbruik van recht (artikel 3:13 BW Pro). Op die grond heeft DTEK beslag gelegd op (onder meer) de aandelen van GIPS1 in SST.
ongoing legal and financial attacks”). Het is algemeen bekend dat Hongarije vanwege haar afhankelijkheid van Russisch gas neutraal, zo niet positief staat ten opzichte van de RF en haar geopolitieke activiteiten. De nieuwe Hongaarse regering zal zich niet wezenlijk anders opstellen. Bovendien is op 18 februari 2026 een Hongaarse vennootschap opgericht met de naam South Stream Operations Limited Liability Company (hierna South Stream Operations). SST is enig aandeelhouder van South Stream Operations, waarvan de bestuurder dezelfde persoon is als de bestuurder van SST. South Stream Operations staat dus klaar om de verhaalsfrustratie door SST (de vermindering van de waarde van de beslagen aandelen) op elk gewenst moment te faciliteren. In geval van een executieverkoop van de beslagen aandelen zal de waarde daarvan aanzienlijk lager zijn indien SST haar waardevolle vermogensbestanddelen heeft verplaatst naar Hongarije. Dat is onrechtmatig. Op de beslagene (maar ook op derden) rust immers de plicht om zich te onthouden van onttrekking van een goed aan een beslag.
status quobij SST. Zij zullen geen impact hebben op de normale bedrijfsvoering. Ook dient een tijdelijk bestuurder (met bijzondere bevoegdheden) te worden benoemd. Dit is noodzakelijk omdat DTEK moet kunnen controleren of de overige voorzieningen worden nageleefd. De benoeming van een tijdelijk bestuurder staat er evenmin aan in de weg dat SST haar normale bedrijfsvoering voortzet. De gevraagde voorzieningen zijn daarom proportioneel. Indien SST
nietvan plan is haar vermogensbestanddelen naar Hongarije te verplaatsen ondervindt zij hiervan ook geen hinder. Bovendien kan SST een bankgarantie stellen (zoals subsidiair gevorderd) indien zij de voorzieningen te ingrijpend acht, dit alles aldus DTEK .
4.4. De beoordeling
gevreesd toekomstscenario” is hiervoor niet voldoende, zoals de advocaat van SST terecht heeft aangevoerd. Hiertoe wordt het volgende overwogen.
concreetplan bestaat om haar vermogensbestanddelen naar Hongarije te verplaatsen. Er zijn geen (contractuele) rechten, banktegoeden of andere activa overgedragen aan South Stream Operations noch aan andere buitenlandse entiteiten. South Stream Operations is voorshands niet meer dan een operationele vennootschap. Een besluit tot grensoverschrijdende omzetting van SST bestaat niet en evenmin is sprake van een voorstel hiertoe of van andere voorbereidingshandelingen.
“
Should SST ever contemplate any form of corporate restructuring, whether in whole or in part, that could result in its business, assets, or registered office being relocated outside the Netherlands, such a transaction would by operation of Dutch law be subject to a mandatory statutory procedure.”
Op de mondelinge behandeling van dit kort geding heeft de advocaat van SST expliciet gewezen op de artikelen 2:235 e.v. BW waarin wettelijke voorschriften zijn opgenomen die strekken tot bescherming van onder meer schuldeisers.
“
No statutory restructuring can be completed without DTEK Krymenergo (and other existing creditors what have absolutely equal right for protection under Dutch law) receiving full and timely notice of and having access to all available legal remedies in respect of the transaction. The suggestion that SST could remove itself or its assets from Dutch jurisdiction and thereby instantly render the attachment worthless is therefore legally incorrect. Dutch law has specifically designed these mandatory procedures to protect creditors in exactly these circumstances.”
aan de ketting wordt gelegd” voor een vordering van ‘slechts’ 300 miljoen dollar. SST heeft in dit verband terecht aangevoerd dat DTEK met haar vorderingen “
governance-rechten” claimt (een “
intern toezichtrecht”) en dat dit verder strekt dan de rechten die DTEK als beslaglegger toekomen. Verder zijn deze vorderingen (te) ruim geformuleerd en kunnen zij gemakkelijk leiden tot executiegeschillen. Zo ziet de vordering onder (i) erop dat het SST zou moeten worden verboden
alle(eigendoms)rechten en
allebestaande en toekomstige overeenkomsten over te dragen, te bezwaren “
of anderszins te reduceren in waarde”. Dit is een ruim geformuleerde vordering, waarbij met name de formulering “
of anderszins te reduceren in waarde” tot executiegeschillen kan leiden. Hetzelfde geldt voor de formulering in vordering (ii) die erop neerkomt dat SST geen enkele (rechts)handeling mag verrichten waardoor het beslag op de aandelen “
wordt gefrustreerd”. Vordering (iv) onder (c), de vordering alle (voorbereidende) (rechts)handelingen, met inbegrip van de oprichting van South Stream Operations ongedaan te maken, is te ingrijpend om in een kort geding, bij wijze van voorlopige voorziening, te kunnen worden toegewezen.
status quo, aldus DTEK . Uit de formulering van vordering (iii) blijkt echter dat aan de bestuurder (te) vergaande bevoegdheden zouden moeten worden toegekend. Zo zou hij in het bestuur een beslissende stem moeten hebben inzake alle kwesties die worden bestreken door de (ruim geformuleerde) vorderingen onder (i) en (ii), zou hij daarnaast met betrekking tot die kwesties bevoegd zijn SST zelfstandig te vertegenwoordigen en zou SST niet zonder die bestuurder in diezelfde kwesties kunnen worden vertegenwoordigd.
leeg te trekken”, zoals DTEK heeft aangevoerd. DTEK heeft dit “
het dief in de nacht scenario” genoemd. Dat de plannen voor omzetting/verplaatsing naar Hongarije louter waren ingegeven door de vraag hoe SST “
rechtmatig kon blijven opereren in een zeer complexe sanctierechtelijke en energiepolitieke context” (zoals SST heeft aangevoerd) en dus niets van doen zou hebben met de gelegde beslagen, kan niet zonder meer als vaststaand worden aangenomen, mede gezien de uitlatingen van de minister van Buitenlandse Zaken van Hongarije. De voorzieningenrechter ziet hierin voldoende aanleiding DTEK enige mate van bescherming te bieden. Die bescherming zal haar worden geboden in de vorm van een informatierecht dat ziet op het “verhangen” van belangrijke vermogensbestanddelen. Mocht dit zijn geschied of mochten hiertoe voornemens bestaan dan dient SST DTEK hierover (tijdig) te informeren. Vordering (iv) onder (a) zal aldus beperkt worden toegewezen, met daaraan gekoppeld een gematigde dwangsom. Deze verplichting geldt zolang het beslag op de aandelen in SST niet is
5.De beslissing
€ 10.000.000,- voor beide bevelen tezamen,
mr. M. Veraart, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2026.