Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4724

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
15 mei 2026
Publicatiedatum
15 mei 2026
Zaaknummer
12061341 CV EXPL 26-794
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:82 BWArt. 6:83 BWArt. 6:96 BWArt. 6:119a BWArt. 6:162 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling onbetaalde facturen na geschil over contractduur en opzegging

Partijen sloten op 29 juni 2023 een overeenkomst voor twaalf maanden met toepasselijke algemene voorwaarden, waaronder een opzegtermijn van zes maanden. CWS stuurde vier facturen voor de eerste contractperiode, die Almere Beheer niet betaalde. Almere Beheer stelde dat een afspraak bestond dat slechts zes maanden betaald hoefden te worden, gebaseerd op een e-mail van CWS en het vroegtijdig ophalen van geleverde spullen.

De rechtbank oordeelde dat Almere Beheer deze afwijkende afspraak niet had bewezen en dat de e-mail van CWS juist verwees naar een toekomstige verlenging van 14 maanden waarvan slechts zes maanden in rekening zouden worden gebracht. Het vroegtijdig ophalen van spullen werd niet als prijsgeving van betaling voor de eerste contractperiode gezien. Ook faalde het beroep op gedeeltelijke ontbinding wegens gebrek aan tekortkoming en verzuim.

De rechtbank veroordeelde Almere Beheer tot betaling van de hoofdsom van €14.109,75, buitengerechtelijke incassokosten van €916,10 en wettelijke handelsrente van €3.126,26. Tevens werden de proceskosten van €2.640,52 aan Almere Beheer opgelegd. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Almere Beheer wordt veroordeeld tot betaling van de onbetaalde facturen, incassokosten, rente en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 12061341 \ CV EXPL 26-794
Vonnis van 15 mei 2026
in de zaak van
CWS HYGIENE NEDERLAND B.V.,
gevestigd te 's-Hertogenbosch,
eisende partij,
hierna te noemen: CWS,
gemachtigde: Flanderijn & Van Eck Gerechtsdeurwaarders,
tegen
ALMERE 0:5274 BEHEER B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Almere Beheer,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 13 januari 2026 met producties,
- de conclusie van antwoord met productie,
- het tussenvonnis van 6 februari 2026 waarbij een mondelinge behandeling is bepaald,
- de mondelinge behandeling van 16 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Op 29 juni 2023 is er een overeenkomst tot stand gekomen tussen partijen voor de duur van twaalf maanden. Op de overeenkomst zijn algemene voorwaarden van toepassing. In de overeenkomst staat het volgende:
“(…)
Voor uw huur- en serviceovereenkomst gelden de volgende specifieke voorwaarden:
(…)
Ingangsdatum per: Datum ondertekening
Looptijd: 12 maanden
(…)
Opzegging: Opzegging conform algemene voorwaarden CWS Hygiëne Nederland B.V.
(…)
De opzegging dient conform artikel 13 van Pro onze algemene voorwaarden te geschieden.
(…)”
2.2.
In artikel 13 van Pro de algemene voorwaarden van CWS staat het volgende:
“(…)
13.2
De overeenkomst wordt niet stilzwijgend verlengd indien een partij de Overeenkomst uiterlijk zes maanden voor het einde van de looptijd aan de andere partij schriftelijk heeft opgezegd, met inachtneming van een opzegtermijn van 6 maanden.
(…)”
2.3.
CWS heeft in totaal vier facturen gestuurd naar Almere Beheer:
Factuurdatum
Vervaldatum
Periode
Factuurnummer
Bedrag incl. btw
18 september 2023
18 oktober 2023
14 juli 2023 – 30 september 2023
[nummer 1]
€ 3.047,42
11 oktober 2023
10 november 2023
1 oktober 2023 – 31 december 2023
[nummer 2]
€ 3.542,63
11 januari 2024
10 februari 2024
1 januari 2024 – 31 maart 2024
[nummer 3]
€ 3.759,85
10 april 2024
10 mei 2024
1 april 2024 – 30 juni 2024
[nummer 4]
€ 3.759,85
2.4.
Op 21 maart 2024 heeft Almere Beheer een e-mail gestuurd naar de heer [naam] , [functie] bij CWS (hierna: [naam] ). In de e-mail staat het volgende:
“(…)
Denk dat het voor nu het beste is om het af te handelen en ons niet meer te focussen op waar het is mis gegaan..
Graag ontvang ik een voorstel. Alle spullen (inclusief de geleverde handdoekjes etc) kunnen worden opgehaald. Maar hopelijk begrijp je ook dat dit met terugwerkende kracht zal gaan aangezien ik 1,5 maand heb moeten wachten op antwoord op mijn laatste mail. Helaas ging dat in eerdere communicatie niet veel sneller..
(…)”
2.5.
Op 4 april 2024 heeft [naam] het volgende geantwoord op de e-mail van Almere Beheer:
“(…)
Ik ben het met je eens. Ik zal een opdracht maken om de spullen zo snel mogelijk op te laten halen. Jullie contract loopt zover ik kan zien nog tot juni 2025, maar om jullie tegemoet te komen zullen we een eindafrekening doorbelasten van 6 maanden ipv 14 maanden, De eindafrekening zul je van een andere afdeling ontvangen.
(…)”
2.6.
Op 30 oktober 2024, 9 januari 2025 en 16 oktober 2025 heeft de gemachtigde van CWS betalingsherinneringen gestuurd naar Almere Beheer voor de vier facturen genoemd in 2.3.
2.7.
De facturen zijn onbetaald gebleven.

3.Het geschil

3.1.
CWS vordert - samengevat – dat de kantonrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis Almere Beheer veroordeelt tot betaling van
i. € 18.152,11, bestaande uit
a. € 14.109,75 aan hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de dag van dagvaarding tot alles is betaald,
b. € 916,10 aan buitengerechtelijke incassokosten,
c. € 3.126,26 aan wettelijke handelsrente,
de proceskosten.
3.2.
Almere Beheer voert verweer. Almere Beheer concludeert tot afwijzing van de vorderingen van CWS, met veroordeling van CWS in de kosten van deze procedure.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Geen afwijkende afspraak
4.1.
CWS heeft betaling van facturen gevorderd. Volgens CWS heeft zij een overeenkomst met Almere Beheer gesloten voor 12 maanden, waarvoor zij 4 facturen heeft gestuurd. Die facturen zijn onbetaald gebleven. Almere Beheer moet deze betalen conform de overeenkomst, aldus CWS. CWS heeft weliswaar de overeenkomst stilzwijgend verlengd voor de duur van 12 maanden, maar daar gaan deze facturen niet over; de facturen in deze zaak gaan over de eerste 12 maanden van het contract.
4.2.
Almere Beheer heeft betoogd dat er door CWS een toezegging is gedaan dat Almere Beheer slechts 6 van de 12 maanden (van de eerste contractperiode) hoeft te betalen, en dat de facturen dus niet betaald hoeven te worden. CWS zou immers een eindafrekening sturen voor 6 maanden, maar die heeft Almere Beheer nooit ontvangen. Die afspraak leidt Almere Beheer onder andere af uit de e-mail van 4 april 2024 (zie 2.5). Daarin staat dat CWS een eindafrekening zou maken van 6 maanden in plaats van 14 maanden. Verder blijkt die afspraak volgens Almere Beheer uit het feit dat CWS de spullen die zij had geleverd aan Almere Beheer nog voor het einde van de contractperiode heeft opgehaald, namelijk in april 2024.
4.3.
Aangezien Almere Beheer niet betwist dat zij een overeenkomst heeft gesloten met CWS voor de duur van 12 maanden en dat de facturen waarvan betaling wordt gevorderd gaan over die 12 maanden, moet worden beoordeeld of er inderdaad een afwijkende afspraak is gemaakt waaruit volgt dat Almere Beheer toch niet hoeft te betalen. Dit verweer van Almere Beheer is een bevrijdend verweer; dat betekent dat Almere Beheer een rechtsgevolg inroept om het door CWS ingeroepen rechtsgevolg te blokkeren. Dat betekent ook dat Almere Beheer de stelplicht en de bewijslast draagt van die stelling. Met andere woorden, Almere Beheer moet onderbouwen dat de afspraak waarop zij zich beroept ook echt is gemaakt en geldig is, omdat zij vindt dat zij vanwege die afspraak de facturen niet hoeft te betalen.
4.4.
Wat de gestelde afspraak precies inhield moet worden bepaald aan de hand van de zogenoemde Haviltex-maatstaf. Dit betekent dat voor de bepaling van de inhoud van de afspraak niet slechts de letterlijke tekst van belang is, maar dat het aankomt op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de inhoud van de overeenkomst mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs mochten verwachten. Hierbij komt betekenis toe aan alle omstandigheden van het geval, waaronder ook de wijze waarop partijen zich voor en na het aangaan van de afspraak hebben gedragen.
4.5.
De kantonrechter komt tot het oordeel dat Almere Beheer er niet in is geslaagd om aan te tonen dat er een afspraak is gemaakt dat zij slechts voor zes maanden hoefde te betalen. Vast staat dat de overeenkomst die partijen hebben gesloten in eerste instantie liep tot en met juni 2024. Ook staat vast dat CWS de overeenkomst stilzwijgend heeft verlengd tot en met juni 2025 (het blijft in het midden of dat terecht was, dat wordt namelijk door Almere Beheer betwist). De kantonrechter is met CWS van oordeel dat dit wijst op een andere uitleg van de e-mail van 4 april 2024 dan de uitleg van Almere Beheer. De uitleg van CWS houdt in dat de overeenkomst op dat moment nog 14 maanden doorliep, maar dat CWS bereid was slechts zes maanden in rekening te brengen van de 12 maanden verlenging. Dit is de betekenis die Almere Beheer aan de toezegging van CWS had moeten toekennen, want dit blijkt duidelijk uit de tekst van de e-mail. Er wordt verwezen naar het feit dat de overeenkomst nog 14 maanden loopt, waarna wordt geschreven dat Almere Beheer van die 14 maanden slechts 6 maanden hoeft te betalen. Dat gaat dus over toekomstige maanden, niet de maanden van de eerste contractperiode.
4.6.
De stelling van Almere Beheer dat CWS wel voortijdig (dat wil zeggen voordat de eerste contractperiode voorbij was) de spullen bij Almere Beheer heeft opgehaald is weliswaar onvoldoende gemotiveerd betwist door CWS, maar daaraan kan niet de conclusie worden verbonden dat daaruit blijkt dat CWS de helft van de eerste contractperiode heeft prijsgegeven. Voor zover partijen vanaf november 2023 hebben gesproken over een opzegging, zoals Almere Beheer heeft gesteld, blijft buiten kijf dat er een contract is afgesloten voor de duur van 12 maanden en dat de correspondentie in het dossier gaat over de stilzwijgende verlenging. Ter zitting heeft Almere Beheer gewezen op het feit dat er via e-mail veel pogingen zijn gedaan om de kwestie op te lossen met CWS en dat er gesproken is over de gestelde afspraak, maar die e-mails zitten niet in het dossier. De kantonrechter kan daar dus niet vanuit gaan.
4.7.
De conclusie is dat het verweer van Almere Beheer niet slaagt. Dat betekent dat zij in principe alle gevorderde facturen moet betalen.
Gedeeltelijke ontbinding
4.8.
Almere Beheer heeft ter zitting echter nog betoogd dat CWS haar verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst niet is nagekomen omdat zij de spullen in april 2024 al heeft opgehaald bij Almere Beheer. De eerste contractperiode liep echter tot juni 2024, daar zijn partijen het over eens. De kantonrechter begrijpt deze stelling als een beroep op partiële ontbinding.
4.9.
Voor een geslaagd beroep op ontbinding is, kort gezegd, een tekortkoming en verzuim nodig. Iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen geeft in beginsel aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst te ontbinden (artikel 6:265 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek, hierna: BW). In lid 2 van artikel 6:265 BW Pro is bepaald dat voor zover nakoming niet blijvend of tijdelijk onmogelijk is, de bevoegdheid tot ontbinding pas ontstaat, wanneer de schuldenaar in verzuim is. Van verzuim is blijkens artikel 6:82 lid 1 BW Pro sprake, indien de schuldenaar in gebreke wordt gesteld bij een schriftelijke aanmaning, waarbij hem een redelijke termijn voor de nakoming wordt gesteld en nakoming binnen deze termijn uitblijft. In artikel 6:83 BW Pro is beschreven in welke gevallen verzuim zonder ingebrekestelling intreedt.
4.10.
Het beroep van Almere Beheer op ontbinding faalt. Er is namelijk geen sprake van een tekortkoming. Almere Beheer heeft namelijk zelf voorgesteld dat CWS de spullen kwam ophalen en CWS is daarmee akkoord gegaan (zie 2.4 en 2.5).
4.11.
Gelet op het voorgaande zal de hoofdsom van € 14.109,75 worden toegewezen.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.12.
CWS heeft verder een bedrag van € 916,10 aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat CWS voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten komt overeen met het in het Besluit bepaalde tarief en zal worden toegewezen.
Rente
4.13.
Tot slot heeft CWS een bedrag van € 3.126,26 gevorderd aan wettelijke handelsrente in de zin van artikel 6:119a BW. Almere Beheer heeft hier geen verweer tegen gevoerd. Zodoende wordt dit bedrag toegewezen. Ook wordt de wettelijke handelsrente over de hoofdsom van € 14.109,75 toegewezen, te berekenen vanaf de datum van de dagvaarding.
Proceskosten
4.14.
Almere Beheer is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van CWS worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
128,52
- griffierecht
1.504,00
- salaris gemachtigde
864,00
(2 punten × € 432,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.640,52

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt Almere Beheer om aan CWS te betalen een bedrag van € 14.109,75, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW, met ingang van 13 januari 2026, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt Almere Beheer om aan CWS te betalen een bedrag van € 916,10 aan buitengerechtelijke incassokosten,
5.3.
veroordeelt Almere Beheer om aan CWS te betalen een bedrag van € 3.126,26 aan wettelijke handelsrente over de hoofdsom tot aan de dagvaarding,
5.4.
veroordeelt Almere Beheer in de proceskosten van € 2.640,52, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Almere Beheer niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.C.J. Klaver, kantonrechter, bijgestaan door mr. L. Schwalb, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 15 mei 2026.