Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4694

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
13 mei 2026
Zaaknummer
13-005315-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 OpiumwetArt. 11 OpiumwetArt. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering overlevering Europees aanhoudingsbevel wegens verjaring strafvervolging in Nederland

De rechtbank Amsterdam behandelde op 12 mei 2026 het verzoek tot overlevering van een persoon uit Polen op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de rechtbank in Szczecin. De opgeëiste persoon woont sinds jaren in Nederland en heeft een duurzaam verblijfsrecht. Het EAB betreft een strafbaar feit van illegale handel in verdovende middelen, een lijstfeit volgens de Overleveringswet.

De verdediging voerde aan dat de strafvervolging in Nederland is verjaard en dat de opgeëiste persoon gelijkgesteld moet worden aan een Nederlander vanwege zijn langdurige verblijf en maatschappelijke integratie. De officier van justitie stelde dat de verjaring in Polen nog niet was ingetreden en dat de overlevering daarom niet geweigerd moest worden.

De rechtbank oordeelde dat Nederland rechtsmacht heeft omdat de opgeëiste persoon rechtmatig en ononderbroken in Nederland verblijft en het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is. De rechtbank stelde vast dat het recht tot strafvervolging in Nederland in april 2022 is verjaard en dat deze verjaring niet is gestuit. Daarom is de overlevering op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, van de Overleveringswet geweigerd.

De rechtbank benadrukte dat weigering van overlevering wegens verjaring in Nederland niet betekent dat vervolging in Polen uitgesloten is. De opgeëiste persoon moet rekening houden met mogelijke overlevering vanuit andere lidstaten bij vertrek uit Nederland. De overleveringsdetentie werd opgeheven en de uitspraak is onherroepelijk.

Uitkomst: De rechtbank weigert de overlevering wegens verjaring van het recht tot strafvervolging in Nederland.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-005315-25
Datum uitspraak: 12 mei 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 26 februari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 18 september 2023 door
the Regional Court in Szczecin, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1982,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 21 april 2026, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. T. Kocabas, advocaat in Zoetermeer, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
De rechtbank heeft de behandeling onderbroken tot de zitting van 12 mei 2026.
Zitting 12 mei 2026
Op deze zitting heeft de rechtbank het onderzoek – met instemming van partijen – enkelvoudig gesloten en direct uitspraak gedaan.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een
enforceable decision on remand in custody of the Szczecin- Prawobrzeże i Zachód (Right Bank and West) District court in Szczecin, 6th Penal Division,van 3 augustus 2023
,met referentie VI Kp 904/23.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Pools recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB. [3]

4.Strafbaarheid

Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
5. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW
Het standpunt van de raadsman
De raadsman heeft de rechtbank verzocht de opgeëiste persoon met een Nederlander gelijk te stellen en vervolgens vast te stellen dat het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht is verjaard. Van deze weigeringsgrond moet niet worden afgezien. Door de raadsman is daarbij gewezen op het leven dat de opgeëiste persoon in Nederland heeft opgebouwd; de opgeëiste persoon woont negen jaar in Nederland, werkt al zes jaar voor dezelfde werkgever en heeft een gezin in Nederland. Daarnaast betreft het een oud feit van geringe ernst.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het recht tot strafvervolging voor het feit waarvan de overlevering wordt verzocht in 2022 in Nederland is verjaard. De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht om af te zien van deze weigeringsgrond, omdat het feit in Polen nog niet is verjaard. Dat maakt dat het EAB bij weigering niet weg is, zodat de zaak boven het hoofd van de opgeëiste persoon blijft hangen.
Het oordeel van de rechtbank
Op grond van artikel 9, eerste lid onder f, OLW kan de overlevering worden geweigerd wegens verjaring van de vervolging naar Nederlands recht als naar Nederlands recht rechtsmacht kon worden uitgeoefend. In het geval van de opgeëiste persoon is, op grond van artikel 7, eerste en derde lid, jo. artikel 86b van het Wetboek van Strafrecht, sprake van rechtsmacht naar Nederlands recht als hij in Nederland een vaste woon- of verblijfplaats heeft. Daaronder wordt de situatie begrepen dat hij kan aantonen dat hij ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft, als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000, en de feiten naar Nederlands recht strafbaar zijn.
Op grond van het dossier kan worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon sinds 14 december 2021 een duurzaam verblijfsrecht heeft verkregen. Niet is gebleken dat hij dit verblijfsrecht nadien heeft verloren. Daarmee voldoet de opgeëiste persoon aan de voorwaarde van ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig verblijf in Nederland, als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000.
De rechtbank moet vervolgens beoordelen of het feit naar Nederlands recht een strafbaar feit oplevert. Gelet op de feitomschrijving in het EAB, is ook aan deze voorwaarde voldaan. De feitomschrijving levert naar Nederlands recht op:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel.
Het voorgaande betekent dat Nederland rechtsmacht heeft.
De rechtbank stelt vast dat het recht tot strafvordering naar Nederlands recht is verjaard in april 2022 [4] en dat de verjaring niet is gestuit. De rechtbank is daarom bevoegd om de overlevering op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW te weigeren.
De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van toepassing van deze weigeringsgrond. Het feit waarvan de opgeëiste persoon in Polen wordt verdacht dateert uit de periode 2009 tot en met 2010. Door Polen is echter pas dertien jaar later, in 2023, een nationaal aanhoudingbevel en een EAB uitgevaardigd. De verjaringstermijn naar Nederlands recht is inmiddels geruime tijd (meer dan vier jaar) verstreken. De rechtbank neemt daarbij verder in aanmerking dat de opgeëiste persoon zich sinds zijn komst naar Nederland niet onder de radar heeft gehouden. De opgeëiste persoon staat sinds december 2016 onafgebroken ingeschreven in Nederland, heeft een vaste baan en heeft, samen met zijn gezin, zijn leven hier opgebouwd. Volledigheidshalve merkt de rechtbank daarbij op dat weigering van de overlevering op grond van verjaring niet betekent dat de opgeëiste persoon in Polen niet meer kan worden vervolgd. Zolang het recht tot strafvordering naar het recht van Polen niet is verjaard, moet de opgeëiste persoon – wanneer hij Nederland verlaat – rekening houden met de mogelijkheid van overlevering ter vervolging vanuit een andere lidstaat. Hiermee bekend heeft de opgeëiste persoon toch expliciet een beroep gedaan op de weigeringsgrond van artikel 9 OLW Pro.
Nu de rechtbank heeft geoordeeld dat de weigeringsgrond van artikel 9 OLW Pro van toepassing is, ziet de rechtbank geen aanleiding om tot bespreking van artikel 11 OLW Pro in relatie tot de
remand regimesin Poolse penitentiaire inrichtingen, over te gaan.

6.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat de weigeringsgrond van artikel 9 OLW Pro van toepassing is. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond. Om die reden wordt de overlevering geweigerd.

7.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 3, 11 Opiumwet en 2, 5, 7 en 9 OLW.

8.Beslissing

WEIGERTde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan
the Regional Court in Szczecin, Polen, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
HEFT OPde (geschorste) overleveringsdetentie van opgeëiste persoon.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. O.P.M. Fruytier voorzitter,
mrs. E. de Rooij en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. E.A. Harland en B.C.M. Burger, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 12 mei 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Gelet op artikel 11, vijfde lid, Opiumwet in combinatie met artikel 70, eerste lid onder 3, Wetboek van Strafrecht.