Uitspraak
1.De procedure
- de mondelinge behandeling van 1 april 2026.
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
[eiser] , wil je me helpen aub? Dat we alles op alles zetten zodat ik op Koningsdag open ga, aub?”. [gedaagde] heeft vervolgens op 17 april 2023 in afzonderlijke berichten gevraagd om een planning, gevraagd of zij tegels kon laten bezorgen en instructies gestuurd in verband met het parket dat door een ander bedrijf gelegd zou worden. [eiser] heeft later die dag geschreven: “
ik zal mijn best voor je doen”. Uit deze correspondentie kan niet worden afgeleid dat [gedaagde] een concrete datum met [eiser] wilde overeenkomen, dat [eiser] aansprakelijk zou zijn voor de (omzet)schade als die datum niet gehaald zou worden en dat [eiser] dat heeft aanvaard.
Ik wil je vragen om de schade te vergoeden”. [gedaagde] is vrijwel direct na 7 mei 2023 begonnen met herstel. Dit blijkt uit een whatsapp-bericht van 23 mei 2023 waarin [gedaagde] schrijft “
Jullie hebben veel schade aangericht die ik nu aan het repareren ben” en uit een factuur van 16 mei 2023 van KDP voor het aanpassen van inventaris. Artikel 7:759 BW Pro, waarop [eiser] zich beroept, bepaalt dat de opdrachtgever in beginsel verplicht is de aannemer de gelegenheid te bieden gebreken binnen redelijke termijn weg te nemen. Een beroep op dit artikel is mogelijk na oplevering van het werk door de aannemer. Tussen partijen staat ter discussie of ten aanzien van de betreffende werkzaamheden sprake is geweest van een oplevering, maar dat is in dit kader niet relevant. Ook uit het algemeen verbintenissenrecht vloeit immers voort dat een schuldenaar pas tot schadevergoeding gehouden is nadat hij in verzuim is geraakt (artikel 6:74 lid 2 BW Pro). Omdat uit het voorgaande voortvloeit dat [eiser] niet de gelegenheid heeft gekregen om gebreken weg te nemen en zij evenmin in verzuim is geraakt, heeft [gedaagde] geen recht op vergoeding van haar schade als gevolg van de door haarzelf uitgevoerde herstelwerkzaamheden. Nakoming door [eiser] is niet langer mogelijk omdat de gebreken inmiddels zijn verholpen. [gedaagde] heeft ten aanzien van deze gebreken dus geen vorderingsrecht jegens [eiser] .
Conclusie en gevolgen voor de vorderingen”.