Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4680

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
2 april 2026
Publicatiedatum
13 mei 2026
Zaaknummer
13/006872-26 en 13/142351-25 (TUL)
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 38m SrArt. 38n SrArt. 38p SrArt. 310 SrArt. 359 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorwaardelijke ISD-maatregel opgelegd voor diefstal met terugkeer naar geboorteland als voorwaarde

De rechtbank Amsterdam heeft op 2 april 2026 uitspraak gedaan in een zaak tegen een verdachte die zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal van blikjes Redbull en broodjes bij een Esso-filiaal in Amsterdam op 8 januari 2026. Verdachte heeft het tenlastegelegde feit bekend, waarna de rechtbank het bewezen verklaarde.

De officier van justitie vorderde een onvoorwaardelijke ISD-maatregel van twee jaar, maar de verdediging pleitte voor een straf conform voorarrest of subsidiair een geheel voorwaardelijke ISD-maatregel, mede omdat verdachte bereid is vrijwillig terug te keren naar zijn geboorteland met ondersteuning van een hulpinstantie.

De rechtbank nam het advies van de reclassering mee, die stelde dat verdachte een veelpleger is zonder toekomstperspectief in Nederland en dat een ISD-maatregel passend is. Gezien de jonge leeftijd van verdachte en het plan voor terugkeer naar het geboorteland, legde de rechtbank de ISD-maatregel voorwaardelijk op met een proeftijd van twee jaar en een bijzondere voorwaarde dat verdachte meewerkt aan zijn terugkeer met hulp van een maatschappelijke instantie.

De voorlopige hechtenis werd opgeheven en de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke veroordeling werd afgewezen om de terugkeer naar het geboorteland te bevorderen. De rechtbank benadrukte dat bij niet-naleving van de voorwaarden alsnog de ISD-maatregel ten uitvoer kan worden gelegd.

Uitkomst: Verdachte krijgt een voorwaardelijke ISD-maatregel van twee jaar met een proeftijd van twee jaar opgelegd, met medewerking aan terugkeer naar geboorteland als bijzondere voorwaarde.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummers: 13/006872-26 en 13/142351-25 (TUL)
Datum uitspraak: 2 april 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 1995,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd in [detentieadres].

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 2 april 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. R. Wiegant, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. L.M.A. Schwartz, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht. Daarnaast is [reclasseringsmedewerker], reclasseringswerker, als deskundige gehoord.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 8 januari 2026 te Amsterdam één of meerdere blikjes Redbull en/of één of meerdere broodjes, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Esso (filiaal [adres]), in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

3.Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het tenlastegelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4.Waardering van het bewijs

4.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde
feit kan worden bewezen en heeft daartoe de relevante bewijsmiddelen opgesomd.
4.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde feit bewezen kan worden.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
Omdat verdachte het tenlastegelegde feit heeft bekend en door de raadsman geen vrijspraak is bepleit, volstaat de rechtbank - met toepassing van artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering - met een opsomming van de bewijsmiddelen:
De bekennende verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 2 april 2026;
Een proces-verbaal van aangifte met nummer 260108-268-417 van 8 januari 2026, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar], doorgenummerde pagina’s 5 en 6 (dig.).
4.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in
rubriek 4.3.opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:
op 8 januari 2026 te Amsterdam, blikjes Redbull en broodjes, die aan Esso (filiaal [adres]) toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5.De strafbaarheid van de feiten en van verdachte

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar en verdachte is hiervoor strafbaar.

6.Voorwaardelijke plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders

6.1.
Strafeis van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat aan de verdachte
onvoorwaardelijk de maatregel tot plaatsing in een Inrichting voor Stelselmatige daders
(ISD-maatregel) wordt opgelegd voor de duur van twee jaar zonder aftrek van voorarrest. Voorts vordert de officier van justitie afwijzing van de vordering tenuitvoerlegging, in het geval dat de rechtbank de ISD-maatregel oplegt.
6.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat bij bewezenverklaring aan verdachte een straf conform
voorarrest moet worden opgelegd. Subsidiair heeft hij verzocht om de ISD-maatregel geheel voorwaardelijk op te leggen. Verdachte wil vrijwillig terugkeren naar [geboorteland] en kan daarbij worden ondersteund door een maatschappelijk werker vanuit [hulpinstantie].
6.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen maatregel gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het
onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal en dat veroorzaakt schade en overlast.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad)
van verdachte van 15 januari 2026. Hieruit blijkt dat verdachte in het verleden vaker
onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke misdrijven.
Advies van de reclassering
De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van Leger des Heils van 26 maart 2026, opgemaakt door [reclasseringsmedewerker]. Dit rapport houdt — zakelijk weergegeven — onder meer
het volgende in.
Sinds 2021 is verdachte herhaaldelijk met justitie in aanraking gekomen wegens vermogensdelicten, waarmee sprake is van een delictpatroon. Verdachte staat geregistreerd als veelpleger en hij voldoet aan de harde criteria om de onvoorwaardelijke ISD-maatregel opgelegd te kunnen krijgen. Uit het reclasseringsdossier blijkt dat verdachte in 2017 of 2018 naar Nederland zou zijn gekomen om hier een bestaan op te bouwen, wat hem onvoldoende is gelukt. Het ontbreken van een structureel inkomen uit regulier werk en een stabiele woonplek, vermoedens van verdovende middelengebruik en het ontbreken van een steunend netwerk lijken te hebben bijgedragen aan het ontstaan van justitiecontacten.
Verdachte heeft onvoldoende rechten opgebouwd om aanspraak te kunnen maken op
sociale voorzieningen en een adequaat hulpverleningsaanbod. Een reclasseringstoezicht is niet eerder opgelegd en zou ook niet werkbaar zijn, omdat verdachte onvoldoende binding met Nederland heeft en aan een eventueel strafrechtelijk begeleidingskader onvoldoende gedegen inhoud kan worden gegeven. Hij voldoet daarmee ook aan de zachte ISD-criteria.
In 2025 voldeed verdachte ook al aan de harde criteria van de ISD-maatregel. Om te voorkomen dat hem de onvoorwaardelijke ISD-maatregel opgelegd zou worden is hem destijds de kans geboden om met behulp van het zogenaamde “Bajes project” van [hulpinstantie] terug te keren naar zijn geboorteland [geboorteland]. Verdachte is desondanks op 4 januari 2026 teruggekeerd naar Nederland, naar zijn zeggen voor werk. Verdachte is echter binnen een zeer kort tijdsbestek wederom met justitie in aanraking gekomen, nadat hij vrijwel meteen na zijn terugkomst in Nederland twee dagen non-stop zou hebben gefeest onder invloed van crack-cocaïne en alcohol. Dit heeft grote gevolgen voor verdachte. De IND is namelijk een procedure opgestart om zijn EU- verblijfsrecht in te trekken en om hem ongewenst te verklaren. Verdachte was in de veronderstelling dat hij zonder problemen terug kon keren naar Nederland voor werk omdat hij niet gedwongen was uitgezet.
Binnen detentie heeft verdachte opnieuw contact gezocht met de heer [maatschappelijk werker], maatschappelijk werker vanuit [hulpinstantie], omdat hij wederom middels het Bajes project wil terugkeren naar [geboorteland] om te voorkomen dat hij de onvoorwaardelijke ISD-maatregel opgelegd krijgt. [maatschappelijk werker] heeft bevestigd dat hij verdachte heeft bezocht in detentie en dat [hulpinstantie] wederom bereid is om een repatriëringstraject te faciliteren. Leger des Heils Reclassering is echter van mening dat verdachte al in 2025 de kans heeft gekregen om met behulp van [hulpinstantie] in vrijwillig kader terug te keren naar [geboorteland]. Zij zien derhalve geen meerwaarde in het opnieuw opstarten van een dergelijk traject. Wellicht dat bij een eventuele oplegging van de onvoorwaardelijke ISD- maatregel de ISD inrichting de samenwerking met [hulpinstantie] kan opzoeken, zodat verdachte bij repatriëring ondersteuning kan ontvangen vanuit hulpverlenende instanties in [geboorteland] waarmee [hulpinstantie] reeds samenwerkt.
De reclassering adviseert een ISD maatregel op te leggen, aangezien verdachte geen toekomstperspectief in Nederland heeft.
De deskundige, [reclasseringsmedewerker], heeft voornoemd advies op de terechtzitting bevestigd en
toegelicht.
De op te leggen maatregel
De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van het bewezen geachte feit aan alle voorwaarden
is voldaan die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht aan het opleggen van de ISD
maatregel stelt. Hiervoor is bewezen verklaard dat verdachte misdrijven heeft begaan
waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Daarnaast is hij gedurende de vijf jaar
voorafgaand aan de door hem begane misdrijven ten minste driemaal wegens een misdrijf
onherroepelijk veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf, terwijl het in dit vonnis
bewezen verklaarde feit is begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen. Er moet,
zoals blijkt uit de hiervoor genoemde reclasseringsrapportage en het strafblad, ernstig
rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan.
Uit het strafblad volgt dat ook is voldaan aan de eisen die de “Richtlijn voor Strafvordering
bij meerderjarige veelplegers” van het Openbaar Ministerie stelt. Verdachte is een zeer actieve veelpleger, die over een periode van vijf jaren processen-verbaal tegen zich zag
opgemaakt worden voor meer dan tien misdrijven, waarvan ten minste één in de laatste
twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde feit. Ook eist de veiligheid van personen of goederen het opleggen van deze maatregel, gezien de ernst en het aantal door verdachte begane soortgelijke feiten.
De rechtbank zal gelet op het voorgaande de ISD-maatregel opleggen. Anders dan de officier van justitie ziet de rechtbank echter aanleiding deze maatregel in voorwaardelijke vorm op te leggen. Van belang is, zoals de raadsman ook heeft opgemerkt, dat oplegging van de ISD-maatregel een laatste redmiddel is. Hoewel de situatie van verdachte zeer problematisch is, ziet de rechtbank in het door hem en zijn raadsman naar voren gebrachte plan voor terugkeer naar [geboorteland] een alternatief voor de ISD-maatregel. In dat licht, en gelet op de jonge leeftijd van verdachte, vindt de rechtbank onvoorwaardelijke oplegging van de ISD-maatregel een stap te ver. De rechtbank geeft verdachte dus een kans om aan de ISD-maatregel te ontkomen. Mocht hij aan zijn plan om terug te keren naar [geboorteland] toch geen gevolg geven en in Nederland opnieuw een strafbaar feit plegen, dan zal hij de nu voorwaardelijk opgelegde ISD-maatregel alsnog moeten ondergaan. De rechtbank zal het meewerken aan terugkeer naar [geboorteland] met behulp van [hulpinstantie] als bijzondere voorwaarde opleggen. Als verdachte zich hier niet aan houdt, dan kan – als stevige stok achter de deur – alsnog de ISD-maatregel ten uitvoer worden gelegd. De door de raadsman gevraagde gevangenisstraf conform voorarrest volstaat niet, omdat daar onvoldoende strafdreiging vanuit gaat. Bovendien kan bij eventuele tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel de maatschappij optimaal worden beschermd tegen het overlast gevende gedrag van verdachte, de recidive worden beëindigd en alsnog de hulp worden geboden die verdachte nodig heeft.
De rechtbank zal de ISD-maatregel in voorwaardelijke vorm opleggen voor de maximale termijn van twee jaar en een proeftijd vaststellen voor duur van twee jaar, met daaraan verbonden de eerdergenoemde bijzondere voorwaarde. De tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht zal niet in mindering worden gebracht op de duur van de ISD-maatregel.
Voorlopige hechtenis
De rechtbank heeft, na het beraad in raadkamer over de afdoening van deze zaak, de voorlopige hechtenis van verdachte bij bevel van 2 april 2026 met ingang van die datum opgeheven.

7.De vordering tenuitvoerlegging na voorwaardelijke veroordeling 13/142351-25

De rechtbank zal de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 13/142351-25 afwijzen, omdat het van belang is dat verdachte zo spoedig mogelijk terugkeert naar [geboorteland]. Toewijzing van de vordering vindt de rechtbank daarom niet opportuun.

8.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen voorwaardelijke maatregel is gegrond op de artikelen 38m, 38n, 38p en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

9.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4.4 is vermeld.
Het bewezenverklaarde levert op:
diefstal.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Legt op de
maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige dadersvoor de duur van
2 (twee) jaar.
Beveelt dat deze maatregel
niet ten uitvoerzal worden gelegd, tenzij later anders wordt gelast.
Stelt daarbij een
proeftijdvan
2 (twee)jaren vast.
De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich gedurende de proeftijd niet houdt aan de hierna vermelde
algemeneen
bijzondere voorwaarden.
Stelt als
algemene voorwaardendat veroordeelde:
- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit;
- bij de naleving van de bijzondere voorwaarde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden.
Stelt als
bijzondere voorwaardedat veroordeelde zal meewerken aan zijn terugkeer naar [geboorteland] met behulp van de [hulpinstantie] en zal zich houden aan de aanwijzingen van deze instelling.
Beslissing na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer 13/142351-25
Wijst af de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 13/142351-25.
Dit vonnis is gewezen door
mr. A.Ş. Doğan, voorzitter,
mrs. B. Vogel en C. Wildeman, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. M.J.D. Hartman en M.H.G. Brinkman, griffiers,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 april 2026.