Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4678

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
13 mei 2026
Zaaknummer
13/254047-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 38v SrArt. 38w SrArt. 45 SrArt. 287 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging tot doodslag met mes op partner met vrijheidsbeperkende maatregel

Op 25 september 2025 heeft verdachte in Amsterdam zijn partner met een mes gestoken, waarbij zij een 9 centimeter diepe steekwond opliep met beschadiging van longweefsel en een klaplong. Door tijdige medische interventie overleefde zij het incident. Verdachte handelde met vol opzet op de dood van aangeefster, zoals blijkt uit het gebruik van twee messen en bedreiging van hun zoon.

De rechtbank achtte de verklaringen van aangeefster, haar zoon en het forensisch medisch onderzoek betrouwbaar en bewezen. Verdachte was licht verminderd toerekeningsvatbaar vanwege meervoudige psychische problematiek. De rechtbank veroordeelde hem tot 24 maanden gevangenisstraf met aftrek van voorarrest en legde een contactverbod van twee jaar op als vrijheidsbeperkende maatregel.

De benadeelde partij vorderde materiële en immateriële schadevergoeding. De rechtbank wees materiële schade toe van €2.067,62 en immateriële schade van €10.000, maar wees de post toekomstige verhuiskosten af wegens onvoldoende onderbouwing. Verdachte is veroordeeld tot betaling van deze bedragen met wettelijke rente en een schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank nam mee dat verdachte geen eerdere veroordelingen had, maar beperkte intellectuele capaciteiten en stemmingsproblematiek vertoonde. De ernst van het feit, de impact op het slachtoffer en de kinderen, en het ontbreken van berouw waren zwaarwegend in de strafoplegging. De maatregel is dadelijk uitvoerbaar vanwege het risico op herhaling.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf en een contactverbod van twee jaar voor poging tot doodslag op zijn partner.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/254047-25
Datum uitspraak: 16 april 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag 1] 1956,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd in [detentieadres].

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 2 april 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. W. van Veen, en van wat verdachte en zijn raadslieden mr. Y. Finani en mr. A. Boumanjal, beiden advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van de vordering tot schadevergoeding van
de benadeelde partij [benadeelde partij], en van wat door mr. M. Rotgans, advocaat te Utrecht, namens haar naar voren is gebracht. De rechtbank heeft ook kennisgenomen van het door mr. M. Rotgans namens [benadeelde partij] uitgeoefende spreekrecht.
Voorts zijn R.A. Sterk, psycholoog, en [forensisch arts], forensisch arts, als deskundigen gehoord.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 25 september 2025 in Amsterdam primair heeft schuldig gemaakt aan poging tot doodslag door [benadeelde partij] (hierna: aangeefster) met een mes te steken. Subsidiair is dit ten laste gelegd als zware mishandeling, meer subsidiair als poging tot zware mishandeling en meest subsidiair als mishandeling van zijn echtgenote.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in
bijlage Idie aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3.Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het tenlastegelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4.Waardering van het bewijs

4.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de primair ten laste gelegde poging tot doodslag kan worden bewezen. Op basis van het dossier kan bewezen worden dat verdachte gelet op de uiterlijke verschijningsvorm van zijn handelen vol opzet had op de dood van aangeefster.
4.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van de primair tenlastegelegde poging tot doodslag, omdat niet kan worden vastgesteld dat er sprake was van (voorwaardelijk) opzet van verdachte. De toedracht kan niet worden vastgesteld. Er was geen sprake van een aanmerkelijke kans op de dood. Indien naar het oordeel van de rechtbank wel sprake was van die aanmerkelijke kans, heeft verdachte die kans niet aanvaard. De subsidiair tenlastegelegde zware mishandeling kan niet worden bewezen, omdat er geen sprake is van zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 82 van Pro het Wetboek van Strafrecht. Ten aanzien van de poging zware mishandeling heeft de verdediging geen (bewijs)verweer gevoerd.
4.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt op grond van de wettige bewijsmiddelen in
bijlage IIuit van de volgende feiten en omstandigheden vast.
Aangeefster heeft in haar aangifte van 26 september 2025 verklaard dat verdachte en zij op enig moment ruzie kregen. Zij was begonnen met het ophangen van de was. Verdachte vond die geur ‘slecht’. Zij zag dat verdachte naar haar toe kwam, aan haar haren trok en haar met zijn vlakke hand op verschillende plekken sloeg. Zij is naar de voordeur gerend, maar voelde dat zij werd vastgepakt en dat hij haar probeerde te wurgen. Aangeefster heeft zich losgetrokken en is via de woonkamer en keuken naar het balkon gegaan om om hulp te gaan roepen. Hier hield zij de balkonrailing vast en voelde zij dat verdachte aan haar trok. Zij heeft zich teruggetrokken en de balkondeur gesloten. Verdachte heeft de deur weer opengetrokken en is met een fruitmesje naar aangeefster toegegaan. Verdachte heeft geprobeerd haar te steken met dit mes. Aangeefster zag dat verdachte naar de keuken ging en een groter mes pakte. Hij heeft haar beetgepakt en in haar lichaam gestoken. Aangeefster heeft het uitgeschreeuwd en heeft om hulp geroepen. Zij is met behulp van een buurman naar het balkon van de buren gevlucht.
In haar aanvullende verklaring van 30 september 2025 heeft zij verklaard dat verdachte, nadat hij een groter mes had gepakt, met hun zoon naar de balkondeur was gelopen en dat hij met zijn rechterhand een steekbeweging richting het hoofd van hun zoon maakte. Zij was doodsbang dat verdachte hun zoon iets ging aandoen en is toen weggegaan bij deur, waarna verdachte het balkon op kwam.
Uit het forensisch medisch onderzoek blijkt dat er bij aangeefster een steekwond in de rechterborstkast van circa 9 centimeter diep is geconstateerd. Hierdoor is inwendig letsel ontstaan, te weten een beschadiging van longweefsel van de rechterlong en een klaplong met bloed in borstholte. Deze letsels hadden tot de dood kunnen leiden, maar door adequaat en tijdig medisch ingrijpen, zoals de plaatsing van een slangetje in de borstkas (thoraxdrain), een operatie waarbij de beschadiging van het longweefsel kon worden behandeld, de toediening van extra bloed om shock te voorkomen en toediening van antibiotica, kon een ernstiger beloop van de vastgestelde letsels worden voorkomen.
De verklaringen van aangeefster worden niet alleen ondersteund door het geconstateerde letsel, maar ook door het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten ter plaatse. Zij hebben beschreven dat het 5-jarige zoontje verklaarde dat papa ruzie had met mama en dat zij op het balkon waren. Hij hoorde mama opeens hard gillen. Hij zag dat papa een roze mesje in zijn hand had dat een beetje kapot was. Hij zag dat papa een groter mes pakte en dat mama aan het bloeden was. Daarna zag hij dat mama via het balkon naar de buren was gegaan. Daarnaast blijkt uit hetzelfde proces-verbaal van bevindingen dat de verbalisanten op het balkon een aardappelmesje met een roze tang hebben aangetroffen. Zij zagen dat het lemmet lichtjes gebogen was. Zij zagen ook bloedvlekken op het balkon. De rechtbank merkt op dat met een verklaring van een jong kind behoedzaam moet worden omgegaan. In dit geval heeft hij kort na het incident, zonder dat hij contact had gehad met zijn moeder, na een open vraag van de politie spontaan verklaard over wat hij zojuist had gezien. Zijn verklaring vindt steun in de bevindingen van de politie over het roze mesje en de bloedvlekken. De rechtbank is daarom van oordeel dat zijn verklaring betrouwbaar is en als ondersteunend bewijs kan worden gebruikt.
Verdachte heeft meermaals verklaard zich niks van het steekincident te kunnen herinneren. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen begin van aannemelijkheid van een alternatief scenario.
De rechtbank ziet, alles in aanmerking genomen geen reden om de verklaringen van aangeefster in twijfel te trekken. De rechtbank vindt de verklaringen betrouwbaar en gebruikt deze voor het bewijs.
Kwalificatie
De vervolgvraag is hoe het handelen van verdachte juridisch gekwalificeerd moet worden. Voor een bewezenverklaring van een poging doodslag moet sprake zijn van (voorwaardelijk) opzet op de dood van aangeefster. Van ‘vol opzet’ is sprake in het geval van willens en wetens handelen.
De rechtbank is van oordeel dat verdachte met vol opzet heeft gehandeld en overweegt daartoe het volgende.
Verdachte heeft eerst met een kleiner mes geprobeerd aangeefster te steken. Toen dit niet lukte, is verdachte naar de keuken gelopen en heeft hij daar een groter mes gepakt. Hij heeft daarna door middel van bedreiging van hun zoon ervoor gezorgd dat aangeefster wegging bij de deur, waardoor hij wederom het balkon kon betreden. Verdachte heeft voldoende tijd gehad om de gevolgen van zijn voorgenomen handelen te overzien. Desondanks heeft verdachte aangeefster in haar rug gestoken. Het is een feit van algemene bekendheid dat zich in het bovenlichaam vitale organen bevinden, waaronder diverse slagaders, het hart en de longen. Wanneer deze vitale organen door een messteek worden geraakt, dan leidt dit niet zelden tot de dood. In dit geval is één van die vitale organen, namelijk een long van aangeefster, ook daadwerkelijk door het mes geraakt, wat een klaplong en beschadiging van het longweefsel heeft veroorzaakt.
De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat uit de uiterlijke verschijningsvorm van zijn handelen blijkt dat verdachte vol opzet heeft gehad op de dood van aangeefster.
4.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in
bijlage IIgenoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:
op 25 september 2025 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde partij], opzettelijk van het leven te beroven, voornoemde [benadeelde partij] (met kracht) met een mes, eenmaal in haar rug, heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5.De strafbaarheid van het feit en van verdachte

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar en verdachte is hiervoor strafbaar.

6.Motivering van de straf

6.1.
Eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van voorarrest.
6.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om een onvoorwaardelijke gevangenisstraf conform voorarrest op te leggen met daarnaast nog een voorwaardelijke straf. Hierbij kan eventueel een contactverbod met aangeefster als bijzondere voorwaarde worden opgelegd.
6.3.
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen
geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals een
en ander ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de
vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot doodslag door zijn toenmalige partner met een mes in haar rug te steken. Zij lagen in scheiding en na een ogenschijnlijk kleine aanleiding (ruzie over de was) is verdachte haar eerst met een klein mesje en vervolgens met een groter mes te lijf gegaan. Hierdoor heeft het slachtoffer een 9 centimeter diepe steekwond opgelopen, met een klaplong en beschadiging aan het longweefsel tot gevolg. Het slachtoffer had het leven kunnen verliezen en het is niet aan verdachte te danken dat dat niet is gebeurd. Na het steken is hij namelijk de woning weer binnengelopen en heeft zich niet om haar bekommerd. Het is ook uitermate schokkend dat hun twee jonge kinderen hiervan getuige zijn geweest. Verdachte heeft er op geen enkel moment blijk van gegeven dat hij begrijpt hoe kwalijk zijn handelen is en hoe groot de impact op het slachtoffer en de kinderen.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 29 september 2025. Hieruit volgt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.
De rechtbank heeft tevens kennisgenomen van de Pro Justitia rapportage van 28 januari 2026, opgesteld door psycholoog mr. drs. R.A. Sterk. De psycholoog heeft, kort gezegd, geconcludeerd dat er bij verdachte sprake is van stemmingsproblematiek en beperkte intellectuele capaciteiten. Hierbij kan worden gedacht aan niet aangeboren hersenletsel. Hiervan lijkt sprake te zijn geweest ten tijde van het tenlastegelegde, maar de psycholoog kan geen antwoord geven op de vraag in hoeverre hier sprake van was. In algemene zin kan worden gesteld dat de coping-mogelijkheden als gevolg van zijn beperkte intellectuele capaciteiten waarschijnlijk gebrekkig zijn en met name bij verhoogde innerlijke onrust lijkt verdachte weinig verstandelijke mogelijkheden tot zijn beschikking te hebben om problemen het hoofd te bieden. Er lijkt sprake te zijn van enige doorwerking van de geconstateerde psychische problematiek op het gedrag van verdachte ten tijde van het tenlastegelegde, omdat er sprake is van meervoudige psychische problematiek. Echter over de mate waarin dit het geval is kan de psycholoog geen goed gefundeerde uitspraak doen.
De rechtbank heeft ter terechtzitting de psycholoog als deskundige gehoord. Hij heeft de conclusies van het rapport bevestigd.
De rechtbank heeft eveneens kennis genomen van het reclasseringsrapport van 20 februari 2026. De reclassering adviseert een straf zonder bijzondere voorwaarden, omdat zij van mening is dat het tenlastegelegde geen gevolg is van structureel gedrag dat mogelijk met een gedragsinterventie beïnvloed zou kunnen worden. De verwachting is dat verdachte weinig profijt zal hebben van een meldplicht of behandeling. Verdachte heeft het, door de fysieke en psychische klachten, moeilijk in detentie.
Toerekeningsvatbaarheid
Omdat bij de verdachte sprake is van meervoudige psychische problematiek en die problematiek ook aanwezig was ten tijde van het tenlastegelegde feit, acht de rechtbank de verdachte voor dit feit licht verminderd toerekeningsvatbaar. Daar houdt de rechtbank in strafmatigende zin rekening mee.
Straf
De aard en ernst van de gepleegde feiten rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Bij het bepalen van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank gelet op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding bestaat om bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest, passend en geboden is.
Vrijheidsbeperkende maatregel (artikel 38v Sr)
Daarnaast ziet de rechtbank ter beveiliging van aangeefster aanleiding om op
grond van artikel 38v Sr een vrijheidsbeperkende maatregel aan de verdachte op te leggen
voor de duur van twee jaar, inhoudende een contactverbod. Voor iedere keer dat verdachte deze maatregel overtreedt, zal vervangende hechtenis worden opgelegd voor de duur van één week, met een maximum van zes maanden. De rechtbank beveelt dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar is, aangezien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte zich belastend jegens aangeefster zal gedragen.

7.7. Vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij]

De benadeelde partij [benadeelde partij] vordert, na vermindering van de vordering ter terechtzitting, een bedrag van € 3.317,62 aan vergoeding van materiële schade en € 10.000,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De materiële schade bestaat uit de volgende onderdelen:
Verblijf in het ziekenhuis (zeven dagen): € 245,-;
Kosten verblijf (geheime) opvanglocatie: € 1.822,62;
Toekomstige verhuiskosten: € 1.250,-.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden
toegewezen.
De verdediging heeft verzocht de benadeelde partij ten aanzien van de posten 1 en 2 in het materiële deel van haar vordering niet-ontvankelijk te verklaren, omdat deze onvoldoende is onderbouwd. Ten aanzien van post 3 hebben zij eveneens verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering te verklaren, omdat onvoldoende vaststaat dat deze schade zich daadwerkelijk zal voordoen. De verdediging heeft primair verzocht het immateriële deel af te wijzen, omdat niet voldaan is aan de stelplicht. Subsidiair hebben zij verzocht dit deel te matigen.
7.1.
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De vordering tot vergoeding materiële schade is ten aanzien van de posten 1 en 2 voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat [benadeelde partij] rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezenverklaarde feit. Uit het forensisch medisch onderzoek blijkt dat zij zeven dagen in het ziekenhuis is opgenomen. Daarnaast is voldoende onderbouwd dat zij op advies van de politie gebruik heeft gemaakt van een geheime opvanglocatie. De rechtbank zal [benadeelde partij] ten aanzien van de post toekomstige verhuiskosten niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering, omdat deze onvoldoende is onderbouwd, terwijl door of namens verdachte de omvang ervan gemotiveerd is betwist. Het is voor de rechtbank op basis van de stukken die ter onderbouwing zijn aangeleverd niet vast te stellen op welk bedrag deze schade moet worden begroot. Het in de gelegenheid stellen van [benadeelde partij] om deze schadepost alsnog nader te onderbouwen levert een onevenredige belasting van het strafgeding op.
De rechtbank zal de vordering ten aanzien van het materiële deel toewijzen tot € 2.067,62, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.
Immateriële schade
Het staat vast dat [benadeelde partij] door het bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek heeft [benadeelde partij] recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade, aangezien zij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen en op andere wijze in haar persoon is aangetast. [benadeelde partij] is in het bijzijn van haar kinderen met een mes in haar rug gestoken. Ze is via het balkon naar haar buurman gevlucht en verblijft sinds het incident op een (geheime) opvanglocatie. Zij was doodsbang dat haar kinderen – die zij tijdens haar vlucht bij verdachte heeft moeten achterlaten – ook zouden worden aangevallen. Op grond van de bedragen die in soortgelijke zaken worden toegekend, zoals ook blijkt uit de zogenoemde Rotterdamse schaal, in samenhang bezien met de feiten en omstandigheden die uit het dossier volgen, is de rechtbank van oordeel dat de gevraagde vergoeding billijk is. De rechtbank wijst de gevorderde immateriële schadevergoeding van € 10.000 daarom geheel toe, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.
Schadevergoedingsmaatregel
In het belang van [benadeelde partij] wordt als extra waarborg voor betaling de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

8.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 38v, 38w, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

9.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4.4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Poging tot doodslag.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Straf
Veroordeelt verdachte
tot een gevangenisstrafvan
24 (vierentwintig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering.
Maatregel
Legt aan de veroordeelde op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid
inhoudende een contactverbod voor de duur van twee jaren.
Het contactverbod houdt in dat de veroordeelde op geen enkele wijze - direct of indirect
- contact zal opnemen, zoeken of hebben met [benadeelde partij], geboren op [geboortedag 2] 1979.
Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van
1 (één) weekvoor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van
6 (zes) maanden.
Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde
maatregel niet op.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] toe tot een bedrag van € 2.067,62 (tweeduizend zevenenzestig euro en tweeënzestig cent) aan vergoeding van materiële schade en € 10.000,- (tienduizend euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 25 september 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij] voornoemd.
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij] aan de Staat € 12.067,62 (twaalfduizend zevenenzestig euro en tweeënzestig cent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 25 september 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 85 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. A.Ş. Doğan, voorzitter,
mrs. B. Vogel en C. Wildeman, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. M.J.D. Hartman en mr. J. Muller MSc, griffiers,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 16 april 2026.
[…]
5.3
[…]

8.[…]