Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4612

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
11 mei 2026
Zaaknummer
11818419 \ CV EXPL 25-10236
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Richtlijn 93/13/EGDrinkwaterwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling drinkwaterfacturen en toetsing consumentenrecht bij Waternet

Waternet, het Amsterdamse drinkwaterbedrijf, vordert betaling van openstaande drinkwaterfacturen van een consument die betwist dat hij de volledige periode verantwoordelijk is voor de kosten. De consument stelt pas vanaf 1 september 2023 op het verbruiksadres te wonen en heeft een betalingsregeling getroffen die volgens Waternet niet volledig is nagekomen.

De rechtbank stelt vast dat tussen partijen een overeenkomst bestaat en dat de ingangsdatum van de overeenkomst 12 september 2022 is, gebaseerd op inschrijving in het BRP. Ambtshalve toetst de rechtbank de overeenkomst aan het consumentenrecht, met name de Richtlijn 93/13/EG over oneerlijke bedingen.

De rechtbank oordeelt dat het prijsbeding niet oneerlijk is vanwege de wettelijke regulering van drinkwatertarieven. Wel acht zij het beding over buitengerechtelijke kosten oneerlijk en vermindert de vordering met €44,30 aan onterecht in rekening gebrachte kosten. Na verrekening van betalingen resteert een bedrag van €65,26 dat wordt toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente.

De proceskosten worden gecompenseerd omdat onduidelijkheid over openstaande facturen en onjuiste stellingen van Waternet het geschil hebben bemoeilijkt. De veroordeling wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Uitkomst: Consument wordt veroordeeld tot betaling van €65,26 plus wettelijke rente, proceskosten worden gecompenseerd.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11818419 \ CV EXPL 25-10236
Vonnis van 16 april 2026
in de zaak van
STICHTING WATERNET,
gevestigd te Amsterdam,
eisende partij,
hierna te noemen: Waternet,
gemachtigde: Gerechtsdeurwaarderskantoor H.J. Jansen B.V.,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 23 juli 2025, met producties,
- het proces-verbaal van mondeling antwoord,
- het instructievonnis van 26 augustus 2025, waarbij een mondelinge behandeling is gelast,
- de akte uitlating van Waternet, met producties,
- de dagbepaling van de mondelinge behandeling.
1.2.
De mondelinge behandeling is gehouden op 19 maart 2026. Waternet is verschenen bij [naam] , namens de gemachtigde. [gedaagde] is niet verschenen, ondanks dat hij daartoe behoorlijk is opgeroepen. Waternet heeft haar vordering nader toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Waternet is het Amsterdamse drinkwaterbedrijf. Waternet is krachtens de Drinkwaterwet exclusief belast met het leveren van drinkwater door leidingen in de gemeente Amsterdam en in een deel van de provincies Utrecht en Noord-Holland.
2.2.
Tussen Waternet en [gedaagde] bestaat een overeenkomst tot levering van drinkwater ten behoeve van het verbruiksadres [adres] .
2.3.
Op de overeenkomst zijn de algemene voorwaarden en de tariefbepalingen van Waternet van toepassing.

3.Het geschil

3.1.
Waternet vordert, na vermindering van haar eis tijdens de mondelinge behandeling, veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 65,26 aan hoofdsom, vermeerderd met wettelijke rente en proceskosten.
3.2.
Waternet stelt dat [gedaagde] meerdere termijnfacturen met betrekking tot drinkwater niet (volledig) heeft betaald, ondanks daartoe te zijn aangeschreven. Met [gedaagde] is een betalingsregeling getroffen, maar deze is niet volledig nagekomen.
3.3.
[gedaagde] voert verweer. Hij is het niet eens met de vordering. [gedaagde] voert aan dat hij pas op 1 september 2023 op het verbruiksadres is komen wonen, zodat hij de facturen die dateren van vóór die datum niet verschuldigd kan zijn. De schuld bij Waternet is afbetaald met de betalingsregeling. [gedaagde] begrijpt niets van deze vordering. [gedaagde] heeft meerdere betalingen gedaan, op 9 februari 2024 en 23 februari 2024.
3.4.
Op de (overige) stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Ondanks dat Waternet stelt niet in staat te zijn een schriftelijke (bevestiging van de) overeenkomst in het geding te brengen, staat voldoende vast dat tussen partijen een overeenkomst bestaat. Daarbij is van belang dat [gedaagde] erkent dat hij zich bij Waternet telefonisch heeft aangemeld en hij ook meerdere betalingen aan Waternet heeft verricht.
4.2.
In geschil is de ingangsdatum van de overeenkomst. Waternet stelt dat [gedaagde] sinds 12 september 2022 staat ingeschreven op het verbruiksadres. [gedaagde] betwist dat. Waternet heeft vervolgens een uittreksel uit het BRP [1] overgelegd, waaruit blijkt dat [gedaagde] vanaf 12 september 2022 op het verbruiksadres staat ingeschreven. [gedaagde] heeft daar niet meer op gereageerd. Daarom wordt 12 september 2022 als ingangsdatum aangehouden.
4.3.
Omdat [gedaagde] een consument is, moet ambtshalve worden getoetst aan het consumentenrecht. Dat moet ook als dat door partijen niet aan de orde is gesteld. Bedingen in de overeenkomst waarop Waternet zich beroept of kan beroepen moeten worden getoetst aan Richtlijn 93/13/EG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn).
4.4.
De gevorderde hoofdsom is gebaseerd op een beding over de prijs. Dat beding ziet op het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst. Voor zover het beding over de prijs niet duidelijk en begrijpelijk is geformuleerd en zou moeten worden getoetst op oneerlijkheid in de zin van de richtlijn, kan dat niet leiden tot het oordeel dat het prijsbeding oneerlijk is. De consument heeft namelijk geen keuze in waterleveranciers en de tarieven voor het water zijn op grond van de Drinkwaterwet kostendekkend, transparant en niet-discriminerend.
4.5.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter Waternet erop gewezen dat uit de aanmaningen volgt dat in totaal een bedrag van € 44,30 aan buitengerechtelijke- en informatiekosten bij [gedaagde] in rekening is gebracht. Nu informatiekosten worden geacht te zijn begrepen in de buitengerechtelijke kosten en het beding in de algemene voorwaarden dat Waternet ten grondslag had kunnen leggen aan de buitengerechtelijke kosten oneerlijk is, wat Waternet ter zitting ook heeft beaamd, bestond daarvoor geen rechtsgrond. Om deze reden heeft Waternet haar vordering met dit bedrag verminderd.
4.6.
Waternet heeft de vordering ook verminderd met een betaling door [gedaagde] van € 56,80 (factuur [nummer 1] ten bedrage van € 56,80). Gelet op het facturenoverzicht, staan dan nog twee facturen van € 54,78 open (facturen [nummer 2] en [nummer 3] ), in totaal € 109,56. Als daar voornoemd bedrag van € 44,30 aan buitengerechtelijke kosten vanaf wordt gehaald, resteert een bedrag van € 65,26.
4.7.
Het voorgaande leidt tot toewijzing van de verminderde hoofdsom van € 65,26.
4.8.
Het rentebeding in de algemene voorwaarden dat aan de vordering ten grondslag zou kunnen worden gelegd is door de kantonrechter getoetst en niet oneerlijk bevonden, omdat het verwijst naar en aansluit bij de wettelijke rente. De over de hoofdsom gevorderde wettelijke rente vanaf de datum van de dagvaarding wordt daarom toegewezen.
4.9.
De kantonrechter ziet aanleiding de proceskosten te compenseren. Dat betekent dat partijen ieder hun eigen kosten dragen. In dat verband wordt van belang geacht dat in de aanmaningen al betaalde facturen steeds terugkomen. Daardoor is het onoverzichtelijk welke facturen nog openstaan. Hoewel er daarna een nieuwe achterstand is ontstaan heeft Waternet ook onterecht in de dagvaarding gesteld dat de betalingsregeling die zag op een bedrag van € 216,98 niet volledig was afbetaald. Het verweer van [gedaagde] dat hij niet veel van begrijpt van de vordering, of dat hij dacht dat de vordering al betaald was met de betalingsregeling, is dan ook niet onbegrijpelijk. Daar komt bij dat Waternet, in strijd met wat zij in de dagvaarding stelt, toch buitengerechtelijke kosten heeft gevorderd, namelijk als onderdeel van de hoofdsom. Pas na hierop te zijn gewezen door de kantonrechter heeft Waternet haar vordering verminderd. Onder deze omstandigheden wordt een compensatie van de proceskosten passend geacht.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan Waternet te betalen een bedrag van € 65,26 aan hoofdsom, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 22 juli 2025 tot de dag van de voldoening,
5.2.
compenseert de proceskosten en bepaalt dat partijen ieder hun eigen kosten dragen,
5.3.
verklaart de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.F. Kuiken en in aanwezigheid van mr. S. Homringhausen, de griffier, in het openbaar uitgesproken op 16 april 2026.
991

Voetnoten

1.Basisregister Personen.