Eiseres, een alleenstaande vrouw met psychische klachten, vroeg een urgentieverklaring aan voor passende woonruimte. Het college wees deze aanvraag af op grond van de algemene weigeringsgrond wegens inwoning bij derden, zoals bepaald in artikel 2.10.5 van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2024 (Hvv).
Eiseres voerde aan dat zij onder valse voorwendselen naar Nederland was gekomen en dat de weigeringsgrond niet op haar van toepassing zou zijn, ook niet in een hypothetische situatie van een koop- of huurwoning. De rechtbank oordeelde echter dat het college terecht de algemene weigeringsgrond toepaste, omdat eiseres feitelijk inwoonde bij haar ex-schoonmoeder zonder eigen adequate woonruimte.
De medische gronden voor urgentie werden niet beoordeeld omdat de algemene weigeringsgrond voorgaat. De hardheidsclausule, die in schrijnende situaties een uitzondering kan maken, werd niet toegepast omdat het dossier geen actuele aanwijzingen bevatte voor een acuut levensbedreigend probleem. Het beroep werd ongegrond verklaard en eiseres kreeg geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.