Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4483

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
8 mei 2026
Publicatiedatum
7 mei 2026
Zaaknummer
AMS 23/5347
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring beroep wegens niet tijdig betalen griffierecht ongegrond verklaard

Opposant had beroep ingesteld tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, maar de rechtbank verklaarde dit beroep op 4 december 2025 kennelijk niet-ontvankelijk wegens het niet tijdig betalen van het griffierecht van €184.

Tegen deze niet-ontvankelijkverklaring stelde opposant verzet in en voerde aan dat zijn ernstige medische klachten in september en oktober 2023 hem verhinderden het griffierecht tijdig te voldoen. Ter onderbouwing overlegde hij een verklaring van zijn huisarts, gedateerd januari 2026.

De rechtbank oordeelt dat deze verklaring geen nieuwe feiten bevat die aantonen dat opposant in de relevante periode niet in staat was het griffierecht te betalen. De medische verklaring dateert immers van na de termijn waarbinnen het griffierecht voldaan had moeten worden.

Daarom is het verzet ongegrond en blijft de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep in stand. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wegens niet tijdige betaling van het griffierecht is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
Zaaknummer: AMS 23/5347 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 mei 2026 op het verzet van

[opposant], uit [plaats] , opposant [1] ,
tegen de uitspraak van de rechtbank van 4 december 2025 in het geding tussen
opposant
en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder

(gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] ).

Inleiding

1.1.
Deze uitspraak op het verzet van opposant gaat over de uitspraak van de rechtbank van 4 december 2025 waarin de rechtbank het beroep van opposant kennelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard.
1.2.
De rechtbank heeft het verzet op 17 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: opposant en de gemachtigden van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

2.1.
De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 4 december 2025 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel [2] is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
2.2.
De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
De uitspraak van 4 december 2025
3. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat opposant het griffierecht niet op tijd heeft betaald.
4. Op grond van artikel 8:41, eerste lid, van de Awb wordt van de indiener van het beroepschrift door de griffier een griffierecht geheven. Ingevolge artikel 8:41, zesde lid, van de Awb wordt een beroep niet-ontvankelijk verklaard indien storting of bijschrijving van het griffierecht niet heeft plaatsgevonden binnen vier weken na de dag van verzending van de mededeling waarin de indiener van het beroepschrift is gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat eiser in verzuim is geweest.
5. In deze zaak is het griffierecht vastgesteld op € 184,-. Vaststaat dat opposant het griffierecht niet tijdig heeft voldaan. Opposant is op 21 september 2023 in de gelegenheid gesteld op het griffierecht te voldoen. Vervolgens is opposant op 20 oktober 2023 middels een aangetekend verzonden brief (herinnering) in de gelegenheid gesteld om alsnog het griffierecht te voldoen binnen vier weken na dagtekening van die brief. Daarbij wordt opgemerkt dat opposant is gewezen op het feit dat, wanneer het griffierecht niet of niet-tijdig wordt bijgeschreven op de rekening van de rechtbank, hij het risico loopt dat zijn beroepschrift niet-inhoudelijk behandeld wordt. Dit betekent dat de rechtbank het beroep in principe niet-ontvankelijk moet verklaren en niet in behandeling nemen. Dit is alleen anders wanneer opposant een goede reden heeft voor het niet tijdig betalen van het griffierecht. De rechtbank heeft opposant per brief van 6 december 2023 gevraagd naar de reden van niet betalen, maar hier heeft opposant niet op gereageerd.
6. Opposant voert in verzet aan dat het niet tijdig voldoen van het griffierecht niet aan hem te wijten is en dient te worden aangemerkt als verontschuldigbaar verzuim. In de periode waarin het griffierecht voldaan had moeten worden, kampte opposant met ernstige gezondheidsproblemen die zijn dagelijks functioneren en administratieve zelfredzaamheid aantoonbaar beperkten. Het betrof ernstige vermoeidheid als gevolg van ijzergebrek en ADHD. Deze klachten hadden directe invloed op het vermogen van opposant om post te verwerken en tijdig administratieve handelingen te verrichten. Ter onderbouwing heeft opposant een schriftelijke verklaring van zijn huisarts overgelegd, gedateerd 6 januari 2026, waarin wordt bevestigd dat deze klachten mogelijk een belangrijke rol hebben gespeeld bij het te laat inleveren van stukken.
7. De rechtbank is van oordeel dat in verzet niet is gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat de uitspraak van 4 december 2025 niet juist is. Opposant heeft zijn medische klachten weliswaar onderbouwd met een verklaring van de huisarts, maar deze verklaring dateert van 6 januari 2026. Hieruit blijkt dus niet dat opposant in september/oktober 2023 niet in staat was om het griffierecht te betalen vanwege zijn medische klachten. Het verzet is dan ook ongegrond.

Conclusie en gevolgen

8. De grond van het verzet slaagt niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 4 december 2025. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. van Haeften, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.C.M. Schilder, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen in de bodemzaak op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Met opposant wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift.
2.Dit volgt uit artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).