Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4480

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
7 mei 2026
Publicatiedatum
7 mei 2026
Zaaknummer
C/13/787319 / KG ZA 26-362
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 Examenreglement vmbo, havo, vwo 2025-2026Art. 2.55 lid 2 WVO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering toelating leerling tot centraal eindexamen wegens onvolledig PTA

Een 18-jarige leerling van de vijfde klas HAVO aan een school onderdeel van Stichting [gedaagde] werd uitgesloten van het centraal eindexamen omdat hij zijn Programma van Toetsing en Afsluiting (PTA) niet volledig had afgerond binnen de gestelde deadlines.

De leerling had nog een verplichte presentatie voor het vak Nederlands die hij wegens ziekte niet kon inhalen binnen de termijn. De school bood meerdere herkansingsmogelijkheden, maar organisatorische redenen maakten verdere uitstel onmogelijk. De leerling stelde dat de uitsluiting onterecht was, niet proportioneel en zonder hoor en wederhoor genomen.

De voorzieningenrechter oordeelde dat de uitsluiting gebaseerd was op het examenreglement en de wettelijke verplichting dat het schoolexamen afgerond moet zijn voor deelname aan het centraal examen. De school had voldoende zorgplicht betracht en de leerling voldeed niet aan de voorwaarden. De vordering tot toelating werd afgewezen en de leerling werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De vordering tot toelating tot het centraal examen wordt afgewezen omdat de leerling niet voldoet aan de wettelijke eisen.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht, voorzieningenrechter
Zaaknummer: C/13/787319 / KG ZA 26-362 EAM/MV
Vonnis in kort geding van 7 mei 2026
in de zaak van
[eiser],
te [woonplaats] ,
eisende partij bij dagvaarding van 6 mei 2026,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaten: mr. R.J.C. Bindels en M. den Hertog,
tegen
STICHTING [gedaagde],
te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. I.A. Hoen.

1.De procedure

Tijdens de mondelinge behandeling van dit kort geding op 7 mei 2026 heeft [eiser] de dagvaarding toegelicht. [gedaagde] heeft verweer gevoerd. Beide partijen hebben producties en een pleitnota in het geding gebracht.
Bij de mondelinge behandeling waren aanwezig:
[eiser] en zijn moeder met mr. Den Hertog;
[naam] , algemeen schoolleider van [naam school] , met mr. Hoen.
Na verder debat is vonnis bepaald op 7 mei 2026. Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft de voorzieningenrechter reeds aangekondigd dat de vorderingen van [eiser] zullen worden afgewezen.

2.De feiten

2.1.
[eiser] is 18 jaar oud en leerling van de vijfde klas van de HAVO aan [naam school] , onderdeel van [gedaagde] .
2.2.
Bij brief van 10 april 2026 heeft [gedaagde] [eiser] en zijn ouders bericht dat hij niet mag deelnemen aan het centraal eindexamen. In de brief staat onder meer:
Ondanks alle extra kansen voor diverse vakken is het je niet gelukt om je PTA af te ronden.(…)Helaas is je PTA onvolledig en is de deadline verstreken,
Op grond daarvan is besloten om je terug te trekken voor het examen. Zie daarvoor artikel 6 - Examenreglement vmbo, havo, vwo 2025-2026, te vinden op de website van de school.
2.3.
[eiser] heeft tegen deze beslissing bezwaar ingediend bij de Commissie van beroep examenzaken. In dat kader heeft op 4 mei 2026 een gesprek plaatsgevonden. Op diezelfde dag is het bezwaar afgewezen. De Commissie heeft onder meer het volgende overwogen:
De leden van de commissie van beroep examenzaken constateren dat de school de
procedures goed heeft doorlopen en zien geen reden om het besluit van de directeur te
herroepen.
De leden van de commissie van beroep examenzaken vinden dat het schoolteam uitvoerig
heeft gecommuniceerd met zowel de leerling als de ouders, zowel schriftelijk als mondeling,
ook over het feit dat een onvolledig PTA kan leiden tot uitsluiting van het examen.
Het schoolteam heeft aan de leerling meerdere kansen geboden om hem te helpen met de
PTA-resultaten. Ook is voor het onderdeel spreekvaardigheid bij Nederlands, ‘Brandende
kwesties’, meermalen gelegenheid geboden tot herkansen.
2.4.
Het centraal eindexamen vangt aan op 8 mei 2026.
2.5.
Artikel 6 van Pro het Examenreglement van [gedaagde] luidt – voor zover van belang – als volgt:
Artikel 6 Onregelmatigheden Pro of afwezigheid
1 In het geval zich rondom het eindexamen onvoorziene omstandigheden of
onregelmatigheden die niet te wijten zijn aan de leerling, voordoen, beslist de
directeur/rector hoe hiermee om te gaan. De directeur/rector kan zich hierbij laten adviseren door de examencommissie. In voorkomende gevallen is overleg met of melding aan de inspectie verplicht.
2 Indien een kandidaat zich ten aanzien van enig deel van het examen aan enige
onregelmatigheid schuldig maakt of heeft gemaakt, kan de directeur/rector maatregelen
nemen.
3 De maatregelen bedoeld in het tweede lid, die de directeur/rector jegens een
examenkandidaat kan nemen, zijn:
a het toekennen van het cijfer 1 voor een toets van het schoolexamen of het centraal
examen;
b het ontzeggen van de deelname of de verdere deelname aan een of meer toetsen van
het schoolexamen of het centraal examen;
c het ongeldig verklaren van een of meer toetsen van het al afgelegde deel van het
schoolexamen of het centraal examen; of
d het bepalen dat het diploma en de cijferlijst alleen kunnen worden uitgereikt na een
hernieuwd examen in door de directeur/rector aan te wijzen onderdelen.(…)

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
a. [gedaagde] te veroordelen om [eiser] per 8 mei 2026, althans op de kortst mogelijke termijn, toe te laten tot het Centraal Examen Havo 2026, op straffe van dwangsommen;
b. althans een zodanige beslissing te nemen die de voorzieningenrechter geraden acht;
c. met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van dit geding.
3.2.
[eiser] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Op 30 maart 2026 heeft de moeder van [eiser] van de examencoördinator te horen gekregen dat nog vier vakken openstonden in het PTA. [eiser] mocht deze vakken tot en met 2 april 2026 inhalen; dit was de deadline om de cijfers in te leveren. [eiser] heeft dit tijdig gedaan, met uitzondering van het vak Nederlands. Met de docent Nederlands heeft hij afgesproken op 9 april 2026 nog een verplichte presentatie te houden. Vanwege ziekte lukte het [eiser] echter niet om die dag te verschijnen. Die ziekmelding is geaccepteerd en [eiser] ging er vanuit dat hij de presentatie later nog mocht inhalen, maar reeds op 10 april 2026 ontving hij het bericht van uitsluiting, omdat zijn PTA onvolledig zou zijn. Dit besluit is genomen zonder [eiser] te horen en dus in strijd met het elementaire beginsel van hoor en wederhoor. In artikel 6 lid 2 van Pro het Examenreglement is bepaald dat de directeur maatregelen kan nemen als een leerling zich schuldig maakt aan een onregelmatigheid. Dit veronderstelt schuld aan de zijde van de leerling en daarvan is in dit geval geen sprake. Volstrekt onduidelijk is aan welke onregelmatigheid [eiser] zich schuldig zou hebben gemaakt. De beslissing is daarnaast niet proportioneel (uitsluiting is de zwaarst mogelijke sanctie) en niet deugdelijk gemotiveerd. De slotsom is dan ook dat de beslissing van de directeur gezien de inhoud en de wijze van totstandkoming naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Hierbij is ook van belang dat bij de school bekend was dat [eiser] lichamelijke en mentale problemen heeft, waaronder ADHD. Dit is van invloed op de zorgplicht van de school.
3.3.
[gedaagde] heeft verweer gevoerd.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De beslissing [eiser] uit te sluiten van het centraal examen is vernietigbaar indien gebondenheid daaraan in verband met de inhoud of de wijze van totstandkoming van
de beslissing in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid
onaanvaardbaar zou zijn. Dit betekent dat de voorzieningenrechter de beslissing slechts marginaal en niet in volle omvang kan toetsen.
4.2.
[gedaagde] heeft voorshands terecht aangevoerd dat de beslissing om [eiser] uit te sluiten van het centraal examen is gebaseerd op artikel 6 lid 1 van Pro het Examenreglement en niet op artikel 6 lid Pro 2. De beslissing is dus geen maatregel of sanctie vanwege een “onregelmatigheid” maar is gebaseerd op de (wettelijke) regel dat een leerling slechts aan het centraal examen mag deelnemen indien het schoolexamen (Programma van Toetsing en Afsluiting, PTA) is afgerond. Het relevante wettelijke kader is artikel 2.55 lid 2 WVO dat kort gezegd bepaalt dat het schoolexamen moet zijn afgesloten voor de aanvang van het centraal examen.
4.3.
[gedaagde] heeft eveneens voldoende aannemelijk gemaakt dat in het geval van [eiser] het PTA niet volledig was afgerond en dat de daarvoor geldende termijnen waren verstreken. Die termijn liep immers af op 2 april 2026. Aan [eiser] was nota bene nog de mogelijkheid gegeven om na afloop van die termijn (op 9 april 2026) zijn presentatie voor het vak Nederlands te geven, maar toen hij zich op die dag ziek meldde was het voor [gedaagde] onmogelijk om [eiser] , gezien de organisatorische uitvoerbaarheid van het examenproces, aanvullende inhaal- of herkansingsmogelijkheden te bieden. Daarbij is van belang dat op de mondelinge behandeling van dit kort geding tevens is gebleken dat het Handelingsdeel Nederlands met een onvoldoende is afgerond en dat hiervoor tenminste een voldoende is vereist om deel te mogen nemen aan het centraal examen. Ook hier geldt dat herkansing of herstel inmiddels niet meer mogelijk is voor aanvang van het centraal examen. Dat mogelijk onvoldoende duidelijk is gecommuniceerd vanuit de school richting [eiser] dat de onvoldoende voor het Handelingsdeel Nederlands in de weg stond aan deelname aan het centraal examen, neemt niet weg dat [eiser] niet aan deze voorwaarde voldoet.
4.4.
De conclusie tot zover is dat [eiser] niet voldoet aan de (wettelijk gestelde) voorwaarden om deel te mogen nemen aan het centraal examen en dat van [gedaagde] vanwege het verstrijken van de deadlines en (dus) om organisatorische redenen niet gevergd kan worden dat zij [eiser] nog inhaal- of herkansingsmogelijkheden biedt. Dit staat reeds aan toewijzing van de vorderingen in de weg.
4.5.
Daarbij komt dat voorshands niet aannemelijk is dat [gedaagde] haar zorgplicht heeft geschonden. [eiser] , die veelvuldig en langdurig (ook ongeoorloofd) absent is geweest, is intensief begeleid door de school en is er herhaaldelijk op gewezen (en voor gewaarschuwd) dat alle onderdelen voor het PTA moesten zijn afgerond om deel te kunnen nemen aan het centraal examen. Voor de presentatie Nederlands die nu het struikelblok vormt heeft hij meerdere keren de kans gehad.
4.6.
Het verwijt van [eiser] dat [gedaagde] geen wederhoor heeft toegepast maakt het voorgaande niet anders. Het is de vraag of de verplichting tot wederhoor (opgenomen in artikel 6 lid 7 van Pro het Examenreglement) ook geldt in de situatie dat artikel 6 lid 1 van Pro toepassing is. Daarnaast geldt dat [eiser] wel is gehoord door de Commissie van beroep examenzaken.
4.7.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- griffierecht
735,00
- salaris advocaat
1.177,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.101,00

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
weigert de gevraagde voorzieningen,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Messer, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M. Veraart, en in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2026.