Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4472

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
7 mei 2026
Zaaknummer
13/087036-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 37a SrArt. 37b SrArt. 36f SrArt. 67a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenvonnis bedreiging en vernieling met verminderd toerekeningsvatbaarheid en schorsing onderzoek

De rechtbank Amsterdam heeft op 11 februari 2026 een tussenvonnis gewezen in een strafzaak tegen verdachte die werd beschuldigd van bedreiging van zijn ex-partner en vernieling van een kast in een zorgambulance. De bedreiging vond plaats tussen 3 en 20 maart 2025, waarbij verdachte dreigde zijn ex-partner te vermoorden. De vernieling vond plaats op 3 maart 2025 tijdens een paniekreactie in een ambulance.

De rechtbank achtte beide feiten bewezen op basis van verklaringen van aspiranten van de politie en aangifte van de benadeelde partij. Diverse pro Justitia rapporten van psychologen en psychiaters concludeerden dat verdachte leed aan een autismespectrumstoornis, een middelengeïnduceerde psychotische stoornis en andere psychische aandoeningen, beïnvloed door crystal meth gebruik. Hierdoor werd de vernieling volledig niet-toerekeningsvatbaar geacht, terwijl de bedreiging in sterk verminderde mate aan verdachte kon worden toegerekend.

De officier van justitie vorderde een tbs-maatregel met dwangverpleging, terwijl de verdediging pleitte voor een voorwaardelijk strafdeel met bijzondere voorwaarden. De rechtbank oordeelde dat een tbs-maatregel met voorwaarden passend is, maar dat nader reclasseringsonderzoek nodig is om de voorwaarden te bepalen en de bereidheid van verdachte te beoordelen. Daarom werd het onderzoek heropend en geschorst voor onbepaalde tijd, met een termijn van drie maanden voor hervatting.

De benadeelde partij kreeg een schadevergoeding van €1.231,90 toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente. De voorlopige hechtenis van verdachte blijft gehandhaafd vanwege het recidiverisico en het strafvorderlijk belang. De rechtbank gaf opdracht tot nader reclasseringsonderzoek en bepaalde verdere procedurele stappen.

Uitkomst: Vernieling niet strafbaar wegens psychose, bedreiging verminderd toerekeningsvatbaar, onderzoek geschorst voor reclasseringsonderzoek, voorlopige hechtenis gehandhaafd.

Uitspraak

tussenvonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/087036-25
Datum uitspraak: 11 februari 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1988,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] ,
thans gedetineerd te: [detentieadres] .

1.Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 28 januari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de (ter zitting gewijzigde) vordering van de officier van justitie, mr. M.S. Bond, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. J.C.R. Gijsen, naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is na wijziging ter zitting ten laste gelegd dat:
feit 1
hij in of omstreeks de periode van 3 maart 2025 tot en met 20 maart 2025 in Amsterdam en/of Amstelveen in elk geval in Nederland, ten overstaan van [aspirant 1] en/of [aspirant 2] , aspiranten van de Nationale Politie, Eenheid Amsterdam, slachtoffer [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk ten overstaan van voornoemde aspiranten van de Nationale Politie, Eenheid Amsterdam, de volgende woorden geuit:
"Als ik weer thuis ben uit de kliniek dan ga ik hem vermoorden", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking,
van welke bedreiging(en)/dreigende woorden voornoemd slachtoffer [slachtoffer] kennis heeft genomen (door tussenkomst van de politie);
feit 2
hij op of omstreeks 3 maart 2025 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een kast van een zorgambulance, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde partij] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3.Waardering van het bewijs

3.1.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezen verklaring van de tenlastegelegde feiten.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit. [1]
3.3.1
Feit 1
Op 3 maart 2025 hebben verbalisanten [aspirant 1] en [aspirant 2] verdachte horen zeggen “
als ik weer thuis ben uit de kliniek dan ga ik hem vermoorden”. Deze uiting was gericht aan zijn buurman, [slachtoffer] (hierna: aangever). [2] Op 20 maart 2025 hebben verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] aan aangever de uiting van verdachte kenbaar gemaakt; aangever heeft vervolgens aangifte gedaan van bedreiging door verdachte. [3]
De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan bedreiging van aangever met enig misdrijf tegen het leven gericht.
3.3.2
Feit 2
Ter terechtzitting van 28 januari 2026 heeft verdachte verklaard dat hij op 3 maart 2025 uit de zorgambulance wilde ontsnappen en dat hij daarbij iets had afgebroken. [benadeelde partij] heeft aangifte gedaan van vernieling van een kast in de ambulance door verdachte. [4]
De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan vernieling van een kast in de ambulance.

4.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 3 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:
feit 1:
in de periode van 3 maart 2025 tot en met 20 maart 2025 in Amsterdam en/of Amstelveen, ten overstaan van [aspirant 1] en [aspirant 2] , aspiranten van de Nationale Politie, Eenheid Amsterdam, slachtoffer [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk ten overstaan van voornoemde aspiranten van de Nationale Politie, Eenheid Amsterdam, de volgende woorden geuit:
"Als ik weer thuis ben uit de kliniek dan ga ik hem vermoorden",
van welke bedreiging voornoemd slachtoffer [slachtoffer] kennis heeft genomen (door tussenkomst van de politie);
feit 2
op 3 maart 2025 te Amsterdam, opzettelijk en wederrechtelijk een kast van een zorgambulance, heeft vernield.

5.De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6.De strafbaarheid van verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op het pro Justitia rapport van 25 augustus 2025, opgesteld door L. Pommée, klinisch psycholoog en F. van Huis, GZ-psycholoog. De
psychologenkomen tot de conclusie dat er bij verdachte sprake is van een autismespectrumstoornis, stoornissen in het gebruik van een amfetamineachtig middel (crystal meth) en cannabis, en een andere gespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis, welke aanwezig waren en verdachte beïnvloedde ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde. Verdachte werd op 3 maart 2025 opgenomen met een crisismaatregel vanwege een psychotisch toestandsbeeld, aangewakkerd door crystal meth gebruik. Tjdens vervoer in de ambulance werd verdachte wakker en raakte hij in paniek, omdat hij dacht dat hij werd ontvoerd. Toen verdachte uit de ambulance probeerde te breken heeft hij een kast vernield. Zijn acties waren logisch binnen een psychotisch toestandsbeeld. De psychologen adviseren de vernieling in zijn geheel niet aan verdachte toe te rekenen. Ten aanzien van de bedreiging werd het gedrag van verdachte gestuurd vanuit zowel langdurige frustraties binnen zijn partnerrelatie als het psychotisch toestandsbeeld, aangewakkerd door zijn stoornis in het gebruik van crystal meth. Zijn autismespectrumstoornis beperken hem in het voldoende aanpassen aan, en constructief oplossen van conflicten. Het is onduidelijk in hoeverre verdachte in deze psychotische toestand de conflicten met zijn partner en frustraties hierover nog heeft kunnen onderscheiden van paranoïde interpretaties van zijn situatie. Niet met zekerheid kan gesteld worden of hij nog in enige mate sturing heeft kunnen geven aan zijn handelen of dat deze volledig aangestuurd werd vanuit het toestandsbeeld. De psychologen adviseren daarom de bedreiging in ten minste sterk verminderde mate toe te rekenen.
Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op het pro Justitia rapport van 27 augustus 2025, opgesteld door M.H. Diawara, psychiater. De
psychiaterkomt tot de conclusie dat bij verdachte sprake is van een autismespectrumstoornis en een middelen geïnduceerde psychotische stoornis op basis van een ernstige verslavingsstoornis, welke aanwezig waren en verdachte beïnvloedde ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde. Verdachte verkeerde in een paranoïde psychose, veroorzaakt door chronisch stimulantengebruik. Gelet op de psychische toestand waarin verdachte verkeerde, een door wanen gedomineerde toestand waarin realiteitsbesef en impulscontrole ernstig waren aangetast, kan niet worden gesteld dat verdachte volledig verantwoordelijk kan worden gehouden voor zijn daden. Omdat verdachte zichzelf in deze toestand had gebracht, acht de psychiater verdachte niet volledig ontoerekeningsvatbaar. De psychiater adviseert om beide feiten in sterk verminderde mate aan verdachte toe te rekenen.
Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op het pro Justitia rapport van 15 januari 2026, opgesteld door P. van Vliet, GZ-psycholoog. De
psycholoogconcludeert dat bij verdachte sprake is van een stoornis in het autismespectrum, een antisociale persoonlijkheidsstoornis, een ernstige stoornis in het gebruik van een amfetamine-achtig middel (crystal meth), een psychotische stoornis door een middel (eveneens crystal meth), alsmede een matige stoornis in het gebruik van alcohol en cannabis, welke aanwezig waren en verdachte beïnvloedde ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde. Toen verdachte ontwaakte in de ambulance vreesde hij, conform de aard van de psychotische belevingen waarvoor hij gedwongen was opgenomen, dat hij ontvoerd werd met als oogmerk vermoord te worden. In paniek trachtte verdachte te ontsnappen, waarbij hij een kastdeur van de ambulance beschadigde. Daarnaast is bekend dat de inhoud van de psychose waarvoor verdachte gedwongen werd opgenomen een reële basis in zich draagt. Ten aanzien van de vernieling acht de psycholoog verdachte volledig ontoerekenbaar. Verdachte heeft vaker bedreigingen geuit in boosheid en irritatie en hij had op basis van het verleden kunnen weten dat men dergelijke dingen niet zegt. De psycholoog acht verdachte dan ook – zeker gezien de context waarbinnen de uitspraak plaatsvond – verminderd toerekenbaar ten aanzien van de bedreiging.
De rechtbank heeft ook acht geslagen op het pro Justitia rapport van 15 januari 2026, opgesteld door J. Marx, psychiater. De
psychiaterconcludeert dat bij verdachte sprake is van een autismespectrumstoornis, problematisch middelengebruik (crystal meth, amfetamine, cannabis en alcohol) en een antisociale persoonlijkheidsstoornis, welke aanwezig waren en verdachte beïnvloedde ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde. Vanuit een gestuwde psychotische gedachtegang, aangewakkerd door stimulantia gebruik in de periode daaraan voorafgaand, dacht verdachte dat hij werd ontvoerd. Verdachte raakte in paniek en in zijn poging aan zijn ‘ontvoerders’ te ontsnappen vernielde hij een onderdeel van de ambulance. De psychiater is van mening dat verdachte geen sturing had over zijn gedrag en adviseert verdachte ten aanzien van de vernieling volledig ontoerekenbaar te achten. Ten tijde van de bedreiging was van desoriëntatie geen sprake meer. Hoewel sprake was van een emotioneel en mogelijk deels verward toestandsbeeld, worden de uitspraken ook gezien als uitwerking van het stimulantia gebruik. De psychiater adviseert de bedreiging in een verminderde mate toe te rekenen.
De officier van justitie en de raadsman hebben bovenstaande conclusies, met uitzondering van de conclusie van psychiater Diawara over de toerekenbaarheid van de vernieling aan verdachte, niet betwist.
De rechtbank neemt, met uitzondering van de conclusie van Diawara over de toerekenbaarheid van de vernieling aan verdachte, de conclusies van de rapporteurs over en volgt de adviezen. De rechtbank gaat op basis van de conclusies van de psychologen en psychiater Marx ervan uit dat de vernieling is gepleegd onder invloed van drugs, maar ook van meerdere stoornissen. Dit betekent dat verdachte ten aanzien van de vernieling (feit 2) niet strafbaar is, omdat dit feit hem wegens de ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens in het geheel niet kan worden toegerekend. Verdachte zal voor dit feit worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Ten aanzien van de bedreiging (feit 1) acht de rechtbank verdachte verminderd toerekeningsvatbaar.

7.Op te leggen maatregelen

7.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte een gemaximeerde maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs-maatregel) met dwang wordt opgelegd.
7.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat een tbs-maatregel gezien moet worden als een ultimum remedium en volstaan kan worden met een voorwaardelijk strafdeel met bijzondere voorwaarden.
7.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen maatregel gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gezien de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek op de zitting is gebleken. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende overwogen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt een bedreiging en vernieling. Dit zijn vervelende feiten waarmee verdachte overlast en angst bij zijn ex-partner heeft veroorzaakt.
Pro Justitia-rapportages
PsychologenPommée en Van Huis stellen dat vanuit het hoge aantal risicofactoren en het beperkte aantal beschermende factoren het risico op gewelddadige recidive hoog is indien verdachte niet behandeld wordt voor zijn stoornissen. Verdachte heeft een voorgeschiedenis met moeizaam verlopen behandelingen en toezicht, gekenmerkt door aanhoudend gebruik van middelen en conflicten. Het hoge en structurele recidiverisico, de verwevenheid van de moeilijk te beïnvloeden stoornissen in combinatie met beperkt ziekte-inzicht en motivatie vragen om forensische expertise, beveiliging en langdurige juridische begrenzing. De psychologen zien bijzondere voorwaarden in het kader van een voorwaardelijk strafdeel of een tbs-maatregel met voorwaarden als niet toereikend. Ook na stabilisatie wordt niet verwacht dat verdachte zich duurzaam aan voorwaarden zal houden, met name de noodzakelijke abstinentie zal voor verdachte moeilijk zijn zelfstandig te bereiken en behouden. Ondanks de juridisch geringe ernst van de tenlastegelegde feiten, resteert er gedragsdeskundig alleen een tbs-maatregel met bevel tot verpleging om voldoende garanties te bieden voor een adequate behandelstructuur en risico reductie.
PsychiaterDiawara stelt dat het risico op recidive zonder interventie hoog is. Verdachte heeft een ernstige verslaving en een psychische stoornis die in het verleden al vaker hebben geleid tot gewelddadig gedrag. Zijn patroon laat zien dat zodra de structurerende kaders wegvallen en hij terugvalt in drugsgebruik, de kans op vergelijkbaar of ernstiger grensoverschrijdend gedrag aanzienlijk is. Gezien de beperkte bereidheid van verdachte tot vrijwillige therapie in het verleden acht de psychiater een gedwongen kader noodzakelijk en adviseert een tbs-maatregel met dwangverpleging om het recidiverisico te beperken.
PsycholoogVan Vliet stelt dat, om het recidiverisico in te perken, gefocust moet worden op het terugdringen van het middelengebruik van verdachte. Uit de biografie komt naar voren dat het verdachte niet lukt om gedurende langere tijd zelfstandig en vrijwillig middelenvrij te functioneren. Een gedwongen behandeling ligt voor de hand om het risico op voortijdige beëindiging of uitval weg te nemen. De psycholoog is van mening dat een tbs-maatregel niet aan de orde is, omdat dit gezien moet worden als een ultimum remedium en verdachte op dit moment redelijk gemotiveerd is om aan zijn middelenmisbruik te blijven werken. De psycholoog adviseert een langdurige opname in een forensische verslavingskliniek als onderdeel van bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijk strafdeel. Daarnaast kan de rechtbank overwegen een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (GVM) op te leggen.
PsychiaterMarx stelt dat het belangrijk is dat verdachte een behandeling ondergaat die gericht is op de abstinentie van middelen. Een behandeling in een (forensische) verslavingskliniek is aangewezen. Dit kan daarna worden voortgezet middels een ambulante behandeling. Verdachte heeft herhaaldelijk aangegeven gemotiveerd te zijn voor behandeling. De psychiater adviseert om bijzondere voorwaarden op te leggen bij een voorwaardelijke straf en eventueel oplegging van een GVM.
Diawara, Van Vliet en Marx hebben hun advies ter terechtzitting bevestigd.
tbs-maatregel met voorwaarden?
De rechtbank overweegt dat verdachte, gelet op de conclusies en adviezen in de hiervoor genoemde rapportages gebaat is bij een intensief en langdurig behandeltraject. De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag binnen welk kader dat behandeltraject moet plaatsvinden.
De rechtbank stelt vast dat verdachte op verschillende gebieden hulp nodig heeft. De rechtbank is van oordeel dat die hulp en de bestendigheid daarvan minder te verwezenlijken is door bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijk strafdeel. Dit kader is naar het oordeel van de rechtbank niet passend, omdat forensische waarborgen ontbreken. De rechtbank vindt die voorwaarden wel noodzakelijk, omdat zij niet overtuigd is dat verdachte zijn intrinsieke motivatie kan behouden.
De rechtbank stelt vast dat aan de wettelijke eisen die worden gesteld aan oplegging van de tbs-maatregel met voorwaarden is voldaan. Bij verdachte bestond tijdens het begaan van de bewezen geachte feiten een ziekelijke stoornis van de geestvermogens. Feit 1 is een misdrijf genoemd in artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht, en de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen vereist het opleggen van deze maatregel.
De rechtbank heeft daarnaast overwogen of een bevel als bedoeld in artikel 37b van het Wetboek van Strafrecht moet worden gegeven, of dat kan worden volstaan met het stellen van voorwaarden. Vanwege de ernst van het bewezenverklaarde en de thans meewerkende houding van verdachte is de rechtbank van oordeel dat kan worden volstaan met het stellen van (nader te bepalen) voorwaarden. Door het opleggen van de tbs-maatregel met voorwaarden kan verdachte vanuit zijn huidige motivatie starten met de behandeling, terwijl tegelijkertijd de druk van een tbs-maatregel met dwangverpleging in beeld blijft. Indien verdachte zich niet aan de voorwaarden houdt, kan immers alsnog een bevel tot dwangverpleging volgen.
De rechtbank overweegt dat zij, gezien het bovenstaande, nog niet volledig voorgelicht is over alle bestaande mogelijkheden van afdoening. De rechtbank stelt vast dat er geen rapport van de reclassering voorhanden is waarin de reclassering de rechtbank adviseert over de te stellen voorwaarden bij een tbs-maatregel met voorwaarden. De rechtbank vindt het dan ook noodzakelijk dat de reclassering nader onderzoek zal verrichten en zal adviseren over de te stellen voorwaarden in het kader van een tbs-maatregel met voorwaarden en of verdachte bereid is en, naar verwachting, in staat om zich aan die voorwaarden te houden. De rechtbank zal in afwachting van het onderzoek van de reclassering het onderzoek heropenen en schorsen.

8.Vordering benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde partij] vordert € 1.231,90 aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder feit 2 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De (hoogte van de) vordering is niet betwist. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd, te weten 3 maart 2025.
Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op heden begroot op nihil.
In het belang van [benadeelde partij] wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

9.Voorlopige hechtenis

Nu het onderzoek heropend wordt, zal de rechtbank ambtshalve beslissen of de voorlopige hechtenis nog langer moet voortduren.
De ernstige bezwaren bestaan voor de bedreiging en vernieling, omdat de rechtbank komt tot een bewezenverklaring. De grond die tot het bevel tot voorlopige hechtenis heeft geleid is nog aanwezig. Een geval als bedoeld in artikel 67a lid 3 van het Wetboek van Strafvordering doet zich nog niet voor, gelet op de reële mogelijkheid dat aan de verdachte een maatregel van terbeschikkingstelling zal worden opgelegd. De rechtbank ziet daarom geen redenen de voorlopige hechtenis op te heffen.
De rechtbank ziet ambtshalve evenmin redenen over te gaan tot het schorsen van de voorlopige hechtenis. De rechtbank ziet niet hoe het recidiverisico kan worden ingeperkt. Dat betekent dat het strafvorderlijk belang op dit moment zwaarder weegt dan het persoonlijk belang van de verdachte bij een schorsing.

10.Beslissing

Heropent en schorsthet onderzoek ter terechtzitting voor
onbepaalde tijd,met dien verstande dat het onderzoek moet zijn hervat binnen drie maanden.
De rechtbank:
- draagt de officier van justitie op de reclassering te laten rapporteren omtrent de te stellen voorwaarden in het kader van een tbs-maatregel met voorwaarden;
- stelt de stukken in handen van de officier van justitie;
- beveelt de oproeping van verdachte tegen een nader te bepalen dag en tijdstip met tijdige kennisgeving daarvan aan de raadsman van verdachte;
- beveelt de oproeping van de betreffende deskundigen tegen een nader te bepalen dag en tijdstip;
- beveelt dat de benadeelde partijen de dag en het tijdstip van de volgende zitting schriftelijk worden meegedeeld;
- beveelt de oproeping van een tolk voor de Engelse taal (voor benadeelde partij [slachtoffer] ) tegen een nader te bepalen dag en tijdstip.
Dit vonnis is gewezen door
mr. R.A. Overbosch, voorzitter,
mrs. M.C.H. Broesterhuizen en C.J.M. in 't Veld-Vernooij, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. K.M.S. Kamp, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 11 februari 2026.

Voetnoten

1.Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.
2.Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2025051826-3, p. 6.
3.Proces-verbaal van aangifte met nummer PL1300-2025066129-6 p. 23.
4.Proces-verbaal van aangifte met nummer PL1300-2025056339-2 p. 18.