Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4468

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
23 april 2026
Publicatiedatum
7 mei 2026
Zaaknummer
13/006806-26
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 63 SrArt. 312 SrArt. 6:106 lid 1 BWArt. 4 Penitentiaire beginselenwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling tot gevangenisstraf voor diefstal met geweld op de Dam in Amsterdam

Op 6 januari 2026 heeft verdachte op de Dam in Amsterdam een tas weggenomen van het slachtoffer, die daar met tassen stond te wachten. Toen het slachtoffer de tas terugpakte ontstond een worsteling waarbij verdachte het slachtoffer sloeg, onder meer met een glazen fles, wat letsel veroorzaakte. Verdachte werd op 7 januari 2026 aangehouden.

Tijdens de terechtzitting op 9 april 2026 heeft verdachte toegegeven de tas te hebben gepakt, maar ontkende hij het slachtoffer te hebben geslagen. Camerabeelden toonden echter aan dat verdachte meerdere malen met een voorwerp sloeg, wat overeenkomt met het letsel van het slachtoffer. De rechtbank achtte de tenlastelegging bewezen.

De officier van justitie eiste twaalf maanden gevangenisstraf, waarvan vier voorwaardelijk. De rechtbank legde een gevangenisstraf van tien maanden op zonder voorwaardelijk deel, mede vanwege de ernst van het feit en het strafblad van verdachte. Daarnaast werd een schadevergoeding van €1.375 toegekend aan het slachtoffer, vermeerderd met wettelijke rente, en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot tien maanden gevangenisstraf en een schadevergoeding van €1.375 aan het slachtoffer.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/006806-26
Datum uitspraak: 23 april 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [land van herkomst] ) op [geboortedag] 2001,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
momenteel gedetineerd in [naam PI] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 9 april 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
(mr. J.H. de Krijger) en van wat verdachte en zijn raadsvrouw (mr. H.A.F.C. Tack) naar voren hebben gebracht.
De rechtbank heeft eveneens kennisgenomen van de vordering van de benadeelde partij,
[aangever] . De benadeelde partij was zelf niet aanwezig ter zitting, maar werd daar vertegenwoordigd door mevrouw [naam] van Slachtofferhulp Nederland.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 6 januari 2026 in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan een diefstal met geweld. Deze gedraging is subsidiair ten laste gelegd als een poging tot diefstal met geweld.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in de bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3.Waardering van het bewijs

Inleiding [1]
Uit de aangifte van [aangever] (hierna: aangever) volgt dat hij zich op
6 januari 2026 op de Dam in Amsterdam bevond. Hij was met tassen ter hoogte van de H&M, aan het wachten op zijn ouders die daar op dat moment binnen waren. Op enig moment zag hij dat één van de tassen werd gepakt door een man en dat de man vervolgens met de tas wegliep. Aangever verklaart achter de man te zijn aangelopen en te hebben gezegd dat hij de tas terug moest geven. Toen aangever de tas vastpakte probeerde de man hem te tackelen en werd hij door de man geslagen. Aangever verklaart verder dat de man daarna een glazen fles pakte, waarmee de man aangever op zijn achterhoofd sloeg. Aangever verklaarde pijn te hebben aan zijn lip en achterhoofd. [2] Van het letsel van aangever bevinden zich foto’s in het dossier. Daarop is te zien dat aangever letsel heeft op zijn hoofd en lip. [3] De ter plaatse gekomen verbalisanten verklaren over een snee op het achterhoofd van aangever. [4]
De politie heeft verdachte op 7 januari 2026 aangehouden op basis van het van hem beschikbare signalement. [5] Verdachte heeft, onder andere na het ter zitting bekijken van de camerabeelden, verklaard dat hij inderdaad degene is die de tas heeft gepakt. Verdachte wilde kijken of er wellicht iets waardevols in de tas zat. Vervolgens is er ‘getouwtrek’ ontstaan met onder andere de aangever die de tas uit de handen van verdachte wilde pakken. Nadat aangever de tas had teruggepakt heeft verdachte opnieuw geprobeerd de tas uit zijn handen te pakken. Verdachte ontkent aangever geslagen te hebben. Hij zou wel een fles hebben laten vallen, die vervolgens in stukken brak. Iemand anders zou vervolgens met een stuk glas geslagen hebben. [6]
Van het incident zijn camerabeelden beschikbaar. Deze beelden zijn door de politie beschreven. Te zien is dat verdachte naar een aantal tassen loopt die voor de H&M staan. Bij de tassen bevindt zich aangever op een fatbike. Verdachte pakt één van de tassen van de grond. Aangever stapt daarop van zijn fatbike en pakt verdachte vast aan zijn arm. Verdachte trekt zijn arm met de tas eraan los en loopt weg. Aangever probeert verdachte meerdere keren vast te pakken. Op een gegeven moment zet verdachte de tas neer. Aangever pakt daarop de tas en loopt weg bij verdachte. Verdachte loopt vervolgens op aangever af. Hij heeft op dat moment een voorwerp in zijn hand. Verdachte heft zijn hand op en maakt een slaande beweging richting het hoofd van aangever. Vervolgens heft verdachte nogmaals zijn hand en maakt opnieuw een slaande beweging naar hoofd van aangever. Aangever grijpt hierop meteen met zijn hand naar zijn achterhoofd. Vervolgens ontstaat een korte worsteling waarbij verdachte aangever vasthoudt. Aangever probeert zich los te maken en weg te lopen. Tijdens de worsteling laat aangever de tas op de grond vallen. Verdachte pakt de tas vervolgens weer op en loopt ermee weg. Met een aantal te hulp geschoten omstanders loopt aangever opnieuw achter verdachte aan. Uiteindelijk laat verdachte de tas staan en loopt hij weg, waarop aangever de tas weer pakt. [7]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair aan verdachte ten laste gelegde feit.
Het standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit voor het aan verdachte ten laste gelegde. Verdachte was in de veronderstelling dat de tas aan niemand toebehoorde en dat hij na het pakken van die tas door iemand werd aangevallen die de tas van hem wilde afnemen. Verdachte heeft zich enkel tegen die aanval verdedigd.
Indien de rechtbank komt tot een bewezenverklaring heeft de raadsvrouw verzocht om verdachte vrij te spreken van het deel van de tenlastelegging dat ziet op het slaan met een fles, nu het dossier op dit punt geen ondersteuning voor de verklaring van aangever biedt.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht het primair aan verdachte ten laste gelegde bewezen. Op het moment dat verdachte de tas pakte en ermee wegliep heeft hij zich als heer en meester over die tas gedragen. Daarmee was er op dat moment sprake van een voltooide diefstal. De rechtbank volgt de raadsvrouw niet in haar verweer dat verdachte er vanuit mocht gaan dat de tas aan niemand toebehoorde. Blijkens de camerabeelden bevonden zich op het moment van het wegnemen van de tas meerdere mensen in de buurt van die tas. Verdachte had er onder die omstandigheden niet vanuit mogen gaan dat de tas aan niemand toebehoorde, al helemaal niet omdat hij vrijwel direct na het pakken werd aangesproken door aangever dat hij de tas terug moest geven.
De rechtbank acht eveneens bewezen dat verdachte zich na betrapping op heterdaad heeft bediend van geweld tegen aangever om het bezit van de gestolen tas te verzekeren. De rechtbank acht in dat kader bewezen dat verdachte aangever in zijn gezicht heeft geslagen, hem vervolgens met een glazen fles op zijn hoofd heeft geslagen en hem heeft vastgepakt en vastgehouden. Op de camerabeelden is te zien dat verdachte een voorwerp in zijn handen heeft en daarmee slaande bewegingen richting het hoofd van aangever maakt. Daarnaast correspondeert het letsel van aangever (aan zijn lip en op zijn hoofd) met het slaan met een glazen fles in het gezicht en op het hoofd. Bovendien heeft ook verdachte het over een (kapotte) glazen fles, waar iemand anders mee zou hebben geslagen. Er is op de camerabeelden echter geen ander persoon te zien die geweld uitoefent jegens aangever dan verdachte. De rechtbank stelt vast dat verdachte degene is geweest die met deze glazen fles op het hoofd van aangever heeft geslagen.

4.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van het voorgaande en de in de voetnoten vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:
op 6 januari 2026 te Amsterdam een tas die aan [aangever] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, welke diefstal werd gevolgd van geweld tegen [aangever] , gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- die [aangever] in het gezicht te slaan en
- die [aangever] met een glazen fles op het hoofd te slaan en
- die [aangever] vast te pakken en vast te houden.

5.De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7.Motivering van de straffen en maatregelen

De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden met aftrek van voorarrest, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat bij bewezenverklaring kan worden volstaan met een deels voorwaardelijke straf, waarbij het onvoorwaardelijke deel niet langer is dan de duur van het voorarrest.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder de ernst van het feit en het strafblad van verdachte laten meewegen. Verdachte heeft zich niet alleen schuldig gemaakt aan diefstal van een tas bij een veertienjarig slachtoffer, maar heeft er daarnaast ook blijk van gegeven dat hij geweld daarbij niet schuwt. Het slaan met een glazen fles op het hoofd van het slachtoffer had ernstiger letsel tot gevolg kunnen hebben. Blijkens zijn documentatie is verdachte de afgelopen twee jaar meermalen veroordeeld voor gewelds- en vermogensfeiten en heeft hij daar gevangenisstraffen voor opgelegd gekregen. Hier houdt de rechtbank in strafverzwarende zin rekening mee.
De reclassering heeft in het kader van de onderhavige zaak met verdachte gesproken. Uit het rapport van 17 maart 2026 blijkt dat verdachte beperkt openheid van zaken heeft willen geven over zijn persoonlijke omstandigheden. Om die reden heeft de reclassering niet kunnen adviseren over eventuele interventies en/of toezicht, ondanks dat zij wel zorgen ziet gelet op de documentatie van verdachte en instabiliteit op verschillende leefgebieden.
Alles afwegende ziet de rechtbank geen reden om af te wijken van het oriëntatiepunt van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht voor een straatroof terwijl sprake is van veelvuldige recidive, te weten een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden. De rechtbank ziet geen toegevoegde waarde in het opleggen van een voorwaardelijk strafdeel.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van Pro de Penitentiaire beginselenwet.

8.Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De vordering
De benadeelde partij [aangever] vordert € 1.375,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Ook verzoekt de benadeelde partij om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek tot schadevergoeding in zijn geheel kan worden toegewezen.
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat in geval van bewezenverklaring een bedrag van € 750,- kan worden toegewezen.
Oordeel van de rechtbank
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen.
De rechtbank zal het gevorderde bedrag in zijn geheel toewijzen. De vordering is goed onderbouwd en het gevorderde bedrag alleszins redelijk. Het bedrag past daarnaast binnen de bandbreedte zoals genoemd in de Rotterdamse Schaal (hoofdstuk 13, onder b). Voor de door de raadsvrouw voorgestelde matiging ziet de rechtbank geen aanleiding. De rechtbank zal het toe te wijzen bedrag vermeerderen met de wettelijke rente en zal daarnaast de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 63 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

10.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
diefstal, gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heter daad, aan zichzelf het bezit van het gestolene te verzekeren
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van
10 (tien) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij:
Wijst de vordering van de benadeelde partij [aangever] volledig toe tot een bedrag van
€ 1.375,- (dertienhonderdvijfenzeventig euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (6 januari 2026) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [aangever] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [aangever] aan de Staat € 1.375,- (dertienhonderdvijfenzeventig euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (6 januari 2026) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 13 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. C.C.J. Maas-van Es, voorzitter,
mrs. B. van Galen en G. Oldekamp, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. L.J.F. Ceelie, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 april 2026.
[..]

Voetnoten

1.Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.
2.Proces-verbaal van aangifte met nummer 260106-2040-391, doorgenummerde pagina 5.
3.Bijlagen bij proces-verbaal van aangifte met nummer 260106-2040-391, doorgenummerde pagina’s 7 en 8.
4.Proces-verbaal van bevindingen met nummer 260106-2040-545, doorgenummerde pagina 9.
5.Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2026004255-7, doorgenummerde pagina 11.
6.De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 9 april 2026.
7.Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2026004255-11, doorgenummerde pagina’s 21 en 22.