Opposant stelde beroep in tegen het besluit van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) om een IVA-uitkering toe te kennen met ingang van 8 december 2021. De rechtbank had het beroep eerder niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening. Opposant stelde verzet in tegen deze uitspraak, dat de rechtbank gegrond verklaarde vanwege verschoonbare termijnoverschrijding door persoonlijke en medische omstandigheden, waaronder het ontbreken van een sociaal netwerk en het overlijden van de moeder.
De rechtbank oordeelde ook dat het beroepschrift te laat was ingediend, maar dat deze termijnoverschrijding eveneens verschoonbaar was vanwege de omstandigheden en het mentorschap van opposant. Hierdoor verviel de eerdere buitenzittingsuitspraak en werd het beroep inhoudelijk behandeld.
Inhoudelijk stond alleen de vraag centraal of de IVA-uitkering eerder dan 8 december 2021 had moeten ingaan. De rechtbank volgde het UWV dat op die datum pas sprake was van duurzame arbeidsongeschiktheid, mede omdat er toen nog een reële verwachting was dat de belastbaarheid kon verbeteren door een ACT-therapie die toen al liep.
De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond is en dat het UWV terecht de uitkering niet eerder liet ingaan. Er werd geen vergoeding van het griffierecht toegekend. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep.