Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4432

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
7 mei 2026
Publicatiedatum
7 mei 2026
Zaaknummer
13/059864-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor mishandeling en bedreiging met mes binnen familieconflict

Op 14 en 18 december 2024 mishandelde verdachte zijn zus en broer in Amsterdam-Zuidoost. Op 14 december sloeg hij zijn zus in het gezicht. Op 18 december maakte hij met een mes stekende bewegingen richting zijn zus en raakte in een worsteling met zijn broer en zus, waarbij beiden snijwonden opliepen. Tevens bedreigde hij zijn zus met de woorden 'ik steek je dood'.

De rechtbank sprak verdachte vrij van het primair ten laste gelegde op 18 december wegens onvoldoende bewijs van opzet op zwaar letsel, maar achtte het subsidiair ten laste gelegde bewezen. De mishandelingen en bedreiging werden bewezen verklaard op basis van verklaringen van slachtoffers, politie en verdachte zelf.

De rechtbank hield rekening met een langdurig familieconflict over mantelzorg, de ernst van de feiten en het feit dat verdachte geen strafblad heeft. Gezien de omstandigheden legde de rechtbank een geheel voorwaardelijke taakstraf van 120 uur met een proeftijd van één jaar op. Het mes werd verbeurd verklaard.

De straf weerspiegelt de ernst van de mishandelingen en bedreiging, maar ook de context van het conflict en de afwezigheid van recidive. De taakstraf is gekoppeld aan een proeftijd en vervangende hechtenis bij niet-naleving.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 120 uur geheel voorwaardelijke taakstraf en verbeurdverklaring van het mes.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/059864-25
Datum uitspraak: 7 mei 2026
Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1971,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] , [woonplaats] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit verkort vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 23 april 2026. De procedure is bij verstek gewezen.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. J.C. Gribling.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
Feit 1:
hij op of omstreeks 14 december 2024 te Amsterdam, althans in Nederland, [slachtoffer 1] heeft mishandeld door (met kracht) te slaan en/of te stompen in/tegen het gezicht en/of (linker)oog van voornoemde [slachtoffer 1] ;
Feit 2:
hij op of omstreeks 18 december 2024 te Amsterdam, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met een mes een of meer stekende en/of snijdende bewegingen heeft gemaakt in de richting van het lichaam van voornoemde [slachtoffer 1] en/of in tegenwoordigheid en/of op korte afstand van voornoemde [slachtoffer 2] en/of in worsteling en/of gevecht is geraakt met voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] (zulks terwijl hij, verdachte voormelde mes vasthield en/of daarmee dreigde), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 18 december 2024 te Amsterdam, althans in Nederland, [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft mishandeld, door met een mes een of meer stekende en/of snijdende bewegingen te maken in de richting van het lichaam van voornoemde [slachtoffer 1] en/of in tegenwoordigheid en/of op korte afstand van voornoemde [slachtoffer 2] en/of in worsteling en/of gevecht is geraakt met voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] (zulks terwijl hij, verdachte voormelde mes vasthield en/of daarmee dreigde);
Feit 3:
hij op of omstreeks 18 december 2024 te Amsterdam, althans in Nederland, [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door
- een mes te tonen en/of voor te houden aan en/of te richten op het lichaam van voornoemde [slachtoffer 1] en/of in tegenwoordigheid van die [slachtoffer 2] en/of
- tegen voornoemde [slachtoffer 1] en/of in tegenwoordigheid van die [slachtoffer 2] te zeggen; "Ik maak je dood", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking.

3.Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte:
Feit 1:
op 14 december 2024 te Amsterdam [slachtoffer 1] heeft mishandeld door te slaan in het gezicht van voornoemde [slachtoffer 1] ;
Feit 2:
op 18 december 2024 te Amsterdam [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft mishandeld, door met een mes stekende bewegingen te maken in de richting van het lichaam van voornoemde [slachtoffer 1] en in tegenwoordigheid van voornoemde [slachtoffer 2] en in worsteling is geraakt met voornoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zulks terwijl hij, verdachte het voormelde mes vasthield;
Feit 3:
op 18 december 2024 te Amsterdam [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door
- een mes te tonen en voor te houden aan en te richten op het lichaam van voornoemde [slachtoffer 1] en in tegenwoordigheid van die [slachtoffer 2] en
- tegen voornoemde [slachtoffer 1] en in tegenwoordigheid van die [slachtoffer 2] te zeggen; "Ik maak je dood".
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

4.Waardering van het bewijs

4.1
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat feit 1, feit 2 subsidiair en feit 3 bewezen kunnen worden verklaard. Verdachte moet worden vrijgesproken van het onder feit 2 primair ten laste gelegde, omdat niet kan worden vastgesteld dat sprake was van een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel voor [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] .
4.2
Het oordeel van de rechtbank
4.2.1
Vrijspraak van het onder feit 2 primair ten laste gelegde
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het onder feit 2 primair ten laste gelegde niet kan worden bewezen. Uit het dossier kan niet worden afgeleid dat verdachte vol opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] . De rechtbank kan ook niet vaststellen dat sprake was van voorwaardelijk opzet daartoe, nu het dossier onvoldoende informatie bevat om te kunnen vaststellen of sprake was van een aanmerkelijke kans dat bij één of beide aangevers zwaar lichamelijk letsel zou ontstaan door de handelingen van verdachte. Verdachte wordt dan ook van het primair ten laste gelegde vrijgesproken.
4.2.2
Het oordeel over het onder feit 2 subsidiair ten laste gelegde
De rechtbank komt wel tot een bewezenverklaring van het onder feit 2 subsidiair ten laste gelegde, op grond van de aangifte van [slachtoffer 1] , de aangifte van [slachtoffer 2] , de verklaring van verdachte afgelegd bij de politie en de bevindingen van de verbalisanten die ter plaatse kwamen. Uit deze bewijsmiddelen blijkt dat verdachte naar de keukenlade is toegelopen, daar een mes uit heeft gepakt en dit mes dreigend voor zich heeft gehouden terwijl hij stekende bewegingen maakte naar [slachtoffer 1] . Daarop is een worsteling ontstaan tussen verdachte en [slachtoffer 2] , die het mes van verdachte heeft afgepakt door dit mes bij het lemmet vast te pakken. Ook [slachtoffer 1] is bij de worsteling betrokken geraakt en heeft daarbij geprobeerd verdachte de woning uit te krijgen. Bij deze worsteling hebben zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] snijwonden opgelopen aan hun handen, wat is waargenomen door de verbalisanten die ter plaatse waren gekomen. Door op deze manier te handelen heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij letsel zou toebrengen bij [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] doordat hij kon voorzien dat zij zouden proberen het mes van hem af te pakken.
4.2.3
Het oordeel over het onder feit 3 ten laste gelegde
De rechtbank acht ook bewezen dat verdachte tijdens de mishandeling op 18 december 2024 de woorden ‘ik steek je dood’ heeft geroepen naar [slachtoffer 1] , terwijl hij het mes vast had. Het bewijs hiervoor ziet de rechtbank in de verklaring van [slachtoffer 2] en de verklaring die [slachtoffer 1] ter plaatse aan de aanwezige verbalisanten heeft afgelegd. Zij hebben beiden verklaard dat verdachte deze woorden, dan wel woorden van gelijke strekking heeft geuit.
4.2.4
Het oordeel over het onder feit 1 ten laste gelegde
Ten slotte acht de rechtbank bewezen dat verdachte ook op 14 december 2024 [slachtoffer 1] heeft mishandeld door haar in het gezicht te slaan, op grond van de aangifte van [slachtoffer 1] , de letselfoto van haar gezicht waarop een verdikking onder het linkeroog is te zien en de bekennende verklaring van verdachte.

5.Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

6.De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8.Motivering van de straffen

8.1
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar onder 1, 2 subsidiair en 3 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier weken, met een proeftijd van twee jaren. Het inbeslaggenomen mes dient te worden verbeurdverklaard.
8.2
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee mishandelingen tegen zijn zus en één mishandeling tegen zijn broer en heeft hen daarbij ook bedreigd. Dat zijn ernstige feiten, waarbij de slachtoffers letsel hebben opgelopen en hen angst is aangejaagd. De rechtbank houdt er rekening mee dat een langslepend conflict over de intensieve mantelzorg voor een neefje van verdachte (tevens de zoon van [slachtoffer 1] ) de aanleiding is geweest voor de feiten. De rechtbank heeft de indruk dat onder langdurige druk de emoties hoog zijn opgelopen, waardoor verdachte tot het plegen van deze feiten is gekomen. Ook houdt de rechtbank er rekening mee dat verdachte geen contact meer lijkt te hebben met de slachtoffers, waardoor zij de kans op herhaling nihil acht. Gelet op deze omstandigheden acht de rechtbank oplegging van een (voorwaardelijke) gevangenisstraf, zoals gevorderd door de officier van justitie, niet opportuun. De rechtbank is van oordeel dat de ernst van de feiten met zich brengt dat een geheel voorwaardelijke taakstraf passend en geboden is.
Eendaadse samenloop
De rechtbank is van oordeel dat met betrekking tot feit 2 subsidiair en feit 3 sprake is van eendaadse samenloop omdat verdachte de tenlastegelegde bedreigingen heeft geuit op nagenoeg hetzelfde moment dat hij zich ook schuldig maakte aan de mishandeling. De rechtbank neemt dat in aanmerking bij het bepalen van de straf.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 28 januari 2026. Hieruit blijkt dat verdachte in de afgelopen vijf jaren niet is veroordeeld voor enig strafbar feit.
Strafoplegging
Alles afwegende, legt de rechtbank aan verdachte op een geheel voorwaardelijke taakstraf van 120 uren met een proeftijd van één jaar.
Beslag
Het inbeslaggenomen goed, te weten: één (afgebroken) mes (goednummers: G6595839 en G6595832), wordt verbeurdverklaard nu daarmee het onder feit 2 subsidiair en feit 3 bewezen verklaarde is begaan.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a, 55, 57, 285 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

10.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het onder feit 2 primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het onder feit 1, feit 2 subsidiair en feit 3 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Ten aanzien van feit 1:
mishandeling;
Ten aanzien van feit 2 subsidiair en feit 3:
eendaadse samenloop van:
mishandeling, meermalen gepleegd;
en
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot
een taakstraf van 120 (honderdtwintig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 (zestig) dagen.
Bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.
Stelt daarbij
een proeftijd van 1 (één) jaarvast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Verklaart verbeurd: één (afgebroken) mes (goednummers: G6595839 en G6595832).
Dit vonnis is gewezen door
mr. A.M. Timorason, voorzitter,
mr. A.M. Grüschke en mr. J.V.L. van Well, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. Ç.H. Dede, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 7 mei 2026.