Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4419

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
4 mei 2026
Publicatiedatum
6 mei 2026
Zaaknummer
12071219
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:629 lid 1 BWArt. 7:629 lid 3 BWArt. 7:629a lid 6 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing loonvordering zieke werknemer wegens niet-naleving verzuimprotocol en onvoldoende re-integratie

Een werknemer, sinds oktober 2021 in dienst bij D-Pers B.V., meldde zich ziek terwijl zij in Israël verbleef vanwege familieomstandigheden. Ondanks verzoeken van de werkgever en bedrijfsarts om medewerking te verlenen aan re-integratie en het ondergaan van een belastbaarheidsonderzoek, bleef zij voornamelijk in het buitenland en gaf zij onvoldoende invulling aan haar re-integratieverplichtingen.

De werkgever legde daarom een loonstop op vanaf juni 2025, nadat de werknemer niet voldeed aan het verzuimprotocol en adviezen van de bedrijfsarts negeerde. De werknemer stelde dat zij niet naar Nederland kon reizen en dat de loonstop onterecht was, maar kon dit onvoldoende onderbouwen.

De bedrijfsarts en externe deskundigen concludeerden dat de re-integratie-inspanningen onvoldoende waren en dat de werknemer gemiddeld 20 uur per week zou kunnen werken. Het UWV bevestigde dat de re-integratie onvoldoende was geweest. De kantonrechter oordeelde dat de loonstop terecht was opgelegd en wees de vordering van de werknemer af, waarbij de proceskosten werden gecompenseerd.

Uitkomst: De loonvordering van de werknemer wordt afgewezen omdat zij onvoldoende meewerkte aan re-integratie en het verzuimprotocol niet naleefde.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 12071219 \ KK EXPL 26-53
Vonnis in kort geding van 4 mei 2026
in de zaak van
[eiser],
wonend te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. N. Bakker,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
D-Pers B.V.,
gevestigd te Alphen aan de Rijn,
verwerende partij
hierna te noemen: D-Pers,
gemachtigde: mr. W.J. de Boer.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties,
- de nadere producties tot en met 46 van [eiser] ,
- de producties tot en met 20 van D-Pers.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 20 april 2026. [eiser] was daarbij in persoon aanwezig met haar gemachtigde. Namens D-Pers was aanwezig mevrouw [naam] ( [functie 1] ) met de gemachtigde. Beide partijen hebben vragen van de kantonrechter beantwoord en hun standpunt nader toegelicht, mede aan de hand van spreekaantekeningen. Daarna is een datum voor vonnis bepaald.

2.De uitgangspunten

2.1.
[eiser] is sinds 4 oktober 2021 werkzaam voor D-pers als [functie 2] .
2.2.
In het verzuimprotocol van D-pers is onder meer het volgende bepaald: “(…) Als je ziek wordt in het buitenland, meld je dan zo snel mogelijk ziek bij jouw leidinggevende. Het is daarbij belangrijk dat je aangeeft op welk vakantieadres je verblijft. Als het jou niet lukt om op tijd terug te keren naar huis om je werkzaamheden te hervatten, is het belangrijk dat je daar waar je verblijft naar een medisch specialist gaat en een medische verklaring opvraagt. Deze medische verklaring moet aan de volgende punten voldoen:
  • Het moet opgesteld zijn in het Engels;
  • Het geeft een beschrijving van de aard en verwachte duur van de ziekte;
  • Het geeft een oordeel of je in staat bent om (passende) arbeid te verrichten;
  • Het geeft een oordeel of je in staat bent om te reizen.
Indien er behandeling plaatsvindt in het buitenland dien je medische stukken mee te nemen die de bevindingen en behandeling in het Engels beschrijven. Zodra je weer kunt reizen, verwachten wij dat je naar huis komt. Als je weer thuis bent, moet je ervoor zorgen dat de verzuimconsultant van de arbodienst de medische verklaring en eventuele medische stukken over de behandeling ontvangt. (…).”
2.3.
[eiser] heeft voor de periode van 1 tot en met 29 september 2024 onbetaald verlof gekregen om de bruiloft van haar zuster in Israël bij te wonen. Tijdens de bruiloft is de moeder van [eiser] - bij wie zij in Nederland woonachtig was - gevallen waarbij zij haar been heeft gebroken. Daarna heeft de moeder van [eiser] ernstige complicaties gekregen, die (mede) hebben geleid tot psychische klachten bij [eiser] .
2.4.
[eiser] is met ingang van 29 oktober 2024 ziek gemeld bij D-pers. Zij bevond zich toen in Israël en is daar vervolgens bij familie gebleven.
2.5.
Op 19 november 2024 heeft D-pers (de gemachtigde van) [eiser] gewezen op het verzuimprotocol en gevraagd de daarin genoemde stukken te verschaffen. Op 21 november 2024 is de bedrijfsarts van D-pers (de Perspectief Groep) namens [eiser] ingelicht over haar situatie. De bedrijfsarts heeft op 19 december 2024 voor het eerst een telefonisch consult met [eiser] gehad. Op 14 maart 2025 heeft de bedrijfsarts een bedrijfsgeneeskundig belastbaarheidsonderzoek geadviseerd vanwege stagnatie van herstel en re-integratie. D-Pers heeft daar toen een externe partij voor ingeschakeld, maar dit onderzoek heeft vanwege het verblijf van [eiser] in Israël niet plaats kunnen vinden.
2.4.
D-Pers heeft de gemachtigde van [eiser] op 6 juni 2025 gewezen op het feit dat het interventieadvies van de bedrijfsarts niet werd opgevolgd en [eiser] geen medische behandeling onderging waardoor herstel en re-integratie bleef stagneren. [eiser] werd verzocht om uiterlijk 15 juni 2025 terug te keren naar Nederland. Daarbij is aangekondigd dat anders een loonstop zou worden ingevoerd. [eiser] heeft daarop laten weten dat zij op korte termijn een medisch specialist zou bezoeken. Bij brief van 19 juni 2025 heeft D-Pers [eiser] laten weten dat zij de salaris betaling per 18 juni 2025 zou stopzetten, omdat [eiser] zich tot dan niet actief had ingezet voor haar herstel of re-integratie, en adviezen van de bedrijfsarts niet had opgevolgd. Op 25 juni 2025 vond opnieuw een telefonisch consult plaats met de bedrijfsarts. De bedrijfsarts bleef bij zijn eerdere advies om een belastbaarheidsonderzoek te laten plaatsvinden. Tevens is in de verzuimrapportage opgenomen dat [eiser] meedeelde niet te kunnen reizen. Op 8 september 2025 stond een nieuw digitaal consult gepland bij de bedrijfsarts. Daarbij is [eiser] niet verschenen.
2.7.
In het verslag van de bedrijfsarts van het telefonisch consult van 16 oktober 2025 staat onder meer het volgende vermeld: “(…) Op basis van de ontvangen medische informatie en mijn beoordeling is sprake van arbeidsongeschiktheid. De informatie uit het buitenland ondersteunt het beeld dat werkhervatting op dit moment niet mogelijk is. De belastbaarheid is op dit moment onvoldoende voor werk. Een herbeoordeling rond eind december ’25 ligt voor de hand. (…). Ik adviseer om het contact met de werknemer te onderhouden en uiterlijk in december ’25 opnieuw te evalueren of hervatting of re-integratie-inspanningen kunnen worden gestart. Werknemer wordt verzocht tijdig te informeren wanneer zij terugkeert naar Nederland (…). Op dit moment geen inzet van re-integratieactiviteiten mogelijk. Ik adviseer dit te laten toetsen bij het UWV middels een deskundigenoordeel (…).”
2.8.
Op 3 november 2025 heeft [eiser] de bedrijfsarts fysiek bezocht. Deze heeft toen wederom de inzet van een bedrijfsgeneeskundig belastbaarheidsonderzoek geadviseerd vanwege de stagnatie van herstel en re-integratie. D-Pers heeft daarvoor het bureau Ergatis ingeschakeld. Ergatis kon [eiser] in december 2025 niet bereiken, maar in januari 2025 heeft een online intake gesprek plaatsgevonden met [eiser] die inmiddels weer naar Israël was gereisd. D-Pers heeft toen aan [eiser] bij brief van 13 januari 2026 bericht dat zij de loonstop handhaafde en dat loonbetaling niet zou worden hervat totdat zij naar Nederland zou terugkeren en zou deelnemen aan het bedrijfsgeneeskundig belastbaarheidsonderzoek.
2.9.
Uit de rapportage van de bedrijfsarts van 20 januari 2026 blijkt dat [eiser] niet inging op vragen van diens praktijkondersteuner, waardoor het niet mogelijk was om haar belastbaarheid vast te stellen. D-Pers heeft vervolgens op 26 januari 2026 een deskundigenoordeel bij het UWV aangevraagd. Op 27 januari 2026 adviseerde de bedrijfsarts [eiser] onder meer om niet te werken en alle energie in te zetten om te starten met verdere interventies en ook interventies in Nederland te organiseren, zodat [eiser] kon terugkeren. Daarnaast adviseerde de bedrijfsarts - vanwege de duur van het niet werken en de door de loonstop verstoorde arbeidsrelatie - om een arbeidsdeskundig onderzoek te laten verrichten.
2.9.
Uit het verslag van Ergatis van het arbeidsgeneeskundig onderzoek van 26 februari 2026 blijkt kort gezegd dat de behandeling van [eiser] tot dat moment niet toereikend was, de prognose overwegend gunstig werd ingeschat en dat [eiser] gemiddeld ongeveer 20 uur per week zou kunnen werken. Op 19 maart 2026 heeft D-pers een mediation traject opgestart. Omdat [eiser] op dat moment weer in Israël verbleef, heeft het arbeidsdeskundig onderzoek door Elabo via online gesprekken plaatsgevonden. Elabo heeft op 23 maart 2026 kort gezegd geadviseerd om mediation met [eiser] te bespreken, omdat de verstoorde arbeidsrelatie een belemmering vormt voor re-integratie binnen spoor 1. Parallel daaraan is geadviseerd het spoor 2-traject op te starten, waarbij van [eiser] wordt verwacht dat zij terugkeert naar Nederland wanneer dat medisch verantwoord is.
2.10.
Op 17 april 2026 ontving D-Pers de uitslag van het deskundigenoordeel van het UWV. De conclusie van het UWV is kort gezegd dat de re-integratie-inspanningen van werknemer onvoldoende zijn geweest. Het deskundigenoordeel richt zich op de periode van 29 oktober 2024 tot en met 19 maart 2026.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert dat D-Pers, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis, wordt veroordeeld tot
i) betaling van het achterstallige salaris vanaf 18 juni 2025 tot het moment dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd, te vermeerderen met de wettelijke rente en de maximale wettelijke verhoging;
ii) verstrekking van deugdelijke salarisspecificaties op straffe van verbeurte van een dwangsom en
iii) betaling van de proceskosten.
3.2.
Aan deze vorderingen heeft [eiser] ten grondslag gelegd dat D-pers ten onrechte een loonstop heeft opgelegd. Uit artikel 7:629 lid 3 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) blijkt dat er zes situaties zijn waarin een werkgever betaling van het loon kan stopzetten. Geen van deze situaties doet zich in het geval van [eiser] voor. [eiser] verleent aantoonbaar van meet af aan haar medewerking aan re-integratie en heeft zich in dat verband proactief opgesteld.
3.3.
D-Pers voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Een vordering in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt daarbij voldoende spoedeisend belang heeft. Bij een loonvordering als die hier moet worden beoordeeld, is dat het geval. Daaraan doet niet af dat [eiser] daarmee geruime tijd heeft gewacht.
4.2.
Daarnaast moet worden beoordeeld of het aannemelijk is dat de vordering tot doorbetaling van het salaris in een gewone (bodem)procedure wordt toegewezen. In dit geval wordt ingeschat dat dat niet het geval is. Daarom wordt de vordering van [eiser] in kort geding afgewezen.
4.2.
Op grond van artikel 7:629 lid 1 BW Pro heeft een zieke werknemer, zoals [eiser] , recht op loon gedurende in beginsel 104 weken. Uit artikel 7:629 lid 3 onder Pro b BW volgt dat de werknemer dit recht niet heeft voor de tijd waarin door zijn toedoen zijn genezing wordt belemmerd of vertraagd. Uit hetzelfde artikel onder d volgt dat dit recht evenmin bestaat voor de tijd waarin hij zonder deugdelijke grond weigert mee te werken aan door de werkgever of een door hem aangewezen deskundige gegeven redelijke voorschriften of getroffen maatregelen die gericht zijn op (kort gezegd) de re-integratie van de zieke werknemer. Naar voorlopig oordeel doen die situaties zich in dit geval voor.
4.3.
[eiser] heeft na haar ziekmelding niet voldaan aan het verzuimprotocol van D-Pers. Zij heeft sinds haar ziekmelding voornamelijk in Israël verbleven, terwijl uit de adviezen van de bedrijfsarts blijkt dat er met het oog op haar re-integratie onderzoeken dienden plaats te vinden. Door het voortdurende verblijf van [eiser] in Israël hebben deze onderzoeken met veel vertraging plaatsgevonden en kon gedurende die tijd aan haar re-integratie geen concrete invulling worden gegeven. [eiser] heeft zich in dit verband op het standpunt heeft gesteld dat zij (aanvankelijk) niet naar Nederland kon reizen, maar dat dit daadwerkelijk het geval was heeft [eiser] onvoldoende onderbouwd. Zij stelt zich (vooral) op het standpunt dat zij in Nederland niet over een vangnet beschikt waardoor zij genoodzaakt is om in Israël te verblijven, maar dit is geen omstandigheid die voor rekening van D-Pers dient te komen. D-Pers mocht bovendien ook dan minst genomen van [eiser] verwachten dat zij zich proactief opstelde en digitaal goed bereikbaar zou zijn voor (afspraken met) de bedrijfsarts en deskundigen. Uit de hiervoor weergegeven uitgangspunten blijkt dat dit onvoldoende het geval geweest. [eiser] heeft wel pogingen gedaan om medische behandeling in Israël te verkrijgen, maar dit heeft niet geleid tot (toereikende) behandeling van haar klachten. Verder heeft [eiser] nagelaten met D-Pers adequaat te communiceren toen zij op enig moment kennelijk weer in staat was om naar Nederland te reizen. Weliswaar heeft de bedrijfsarts in oktober 2025 geoordeeld dat op dat moment geen inzet van re-integratiemogelijkheden mogelijk was, maar op 3 november 2025 heeft de bedrijfsarts ook opnieuw de inzet van een bedrijfsgeneeskundig belastbaarheidsonderzoek geadviseerd waarvoor [eiser] pas in januari 2026 bereikbaar bleek. Uit dat onderzoek is onder meer naar voren gekomen dat de prognose overwegend gunstig werd ingeschat en dat [eiser] gemiddeld ongeveer 20 uur per week zou kunnen werken.
4.4.
Gelet op het voorgaande is naar voorlopig oordeel het UWV terecht tot de conclusie gekomen dat de re-integratie-inspanningen van [eiser] in de gehele ziekteperiode onvoldoende zijn geweest en de loonstop - waarvoor [eiser] tijdig is gewaarschuwd - niet ten onrechte opgelegd. Dat, zoals [eiser] heeft aangevoerd, de inspanningen van de D-Pers in het deskundigenoordeel niet zijn beoordeeld en dat D-Pers volgens [eiser] lang gewacht heeft met het aanvragen van een deskundigenoordeel, maakt dat niet anders. [eiser] had bovendien ook zelf een deskundigenoordeel kunnen aanvragen, hetgeen gelet op de omstandigheden van het geval (waaronder haar verblijf in het buitenland en de lange periode die is verstreken sinds de loonstop) op haar weg lag.
4.5.
De conclusie is dat de vorderingen van [eiser] worden afgewezen. De proceskosten worden gecompenseerd, omdat geen sprake is van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht (artikel 7:629a lid 6 BW).

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
5.2.
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. B. Brokkaar en in het openbaar uitgesproken op 4 mei 2026.
42146