Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4418

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
7 mei 2026
Publicatiedatum
6 mei 2026
Zaaknummer
778921
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 1019w Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedeeltelijke toewijzing betaling buitengerechtelijke kosten rechtsbijstand na verkeersongeval

Op 25 augustus 2020 raakten twee eisers betrokken bij een kettingbotsing in Amsterdam, waarbij hun voertuig van achteren werd aangereden. De verzekeraar Allianz erkende aansprakelijkheid, maar er ontstond een geschil over het causaal verband tussen het ongeval en de gezondheidsklachten van de eisers, mede na een deskundigenrapport dat dit verband ontkende.

De eisers vorderden betaling van openstaande buitengerechtelijke kosten van rechtsbijstand via een deelgeschilprocedure. Allianz betwistte de redelijkheid van deze kosten en stelde dat de schadeafwikkeling was afgerond. De rechtbank oordeelde dat het verzoek zich leent voor een deelgeschil en dat de dubbele redelijkheidstoets van artikel 6:96 lid 2 BW Pro van toepassing is.

De rechtbank stelde vast dat de kosten redelijk en noodzakelijk waren, ook na het deskundigenrapport, omdat het geschil over het causaal verband voortduurde en de schaderegeling niet was afgerond. De rechtbank matigde deels de uren en tarieven, onder meer vanwege overlap tussen dossiers en onduidelijkheden in facturen.

Uiteindelijk veroordeelde de rechtbank Allianz tot betaling van circa €7.863 per eiser aan buitengerechtelijke kosten en tot vergoeding van de deelgeschilkosten, waarmee de procedure een bijdrage levert aan het doorbreken van de impasse in de schaderegeling.

Uitkomst: Verzekeraar Allianz wordt veroordeeld tot betaling van circa €7.863 per eiser aan buitengerechtelijke kosten en vergoeding van deelgeschilkosten.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer / rekestnummer: C/13/778921 / HA RK 25-405
Zaaknummer / rekestnummer: C/13/778922 / HA RK 25-406
Beschikkingen van 7 mei 2026
in de zaak van
[verzoeker 1],
wonende te [woonplaats 1] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker 1] ,
advocaat: mr. S. Boer,
tegen
ALLIANZ BENELUX N.V.,
gevestigd te Rotterdam,
verwerende partij,
hierna te noemen: Allianz,
advocaat: mr. H.A. Kragt.
en in de zaak van
[verzoeker 2],
wonende te [woonplaats 2] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker 2] ,
advocaat: mr. S. Boer,
tegen
ALLIANZ BENELUX N.V.,
gevestigd te Rotterdam,
verwerende partij,
hierna te noemen: Allianz,
advocaat: mr. H.A. Kragt.

1.De procedure

1.1.
Deze beschikking gaat om twee afzonderlijke procedures, die betrekking hebben op de verzoeken van respectievelijk [verzoeker 1] en [verzoeker 2] . Beide zaken zijn ter zitting gelijktijdig behandeld, aangezien zij feitelijk en inhoudelijk grotendeels overeenkomen. Om die reden worden beide zaken in deze beschikking ook gezamenlijk behandeld, waarbij indien nodig specifiek wordt verwezen naar de "zaak van [verzoeker 1] " en de "zaak van [verzoeker 2] ".
1.2.
Het verloop van de procedure van de zaak van [verzoeker 1] blijkt uit:
- het verzoekschrift deelgeschil, met bijlagen, binnengekomen ter griffie op 19 november 2025,
- de tussenbeschikking van 5 februari 2026, waarin een mondelinge behandeling is bepaald,
- het verweerschrift, met bijlagen, binnengekomen ter griffie op 17 maart 2026,
- het verkorte proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 27 maart 2026.
1.3.
Het verloop van de procedure van de zaak [verzoeker 2] blijkt uit:
- het verzoekschrift deelgeschil, met bijlagen, binnengekomen ter griffie op 19 november 2025,
- de tussenbeschikking van 5 februari 2026, waarin een mondelinge behandeling is bepaald,
- het verweerschrift, met bijlagen, binnengekomen ter griffie op 17 maart 2026,
- het verkorte proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 27 maart 2026.
1.4.
In beide zaken is beschikking bepaald op vandaag.

2.De feiten

In beide zaken
2.1.
Op 25 augustus 2020 zijn [verzoeker 2] en [verzoeker 1] betrokken geraakt bij een kettingbotsing op de [locatie] in Amsterdam. [verzoeker 2] en [verzoeker 1] bevonden zich samen in een Volkswagen Polo die van achteren werd aangereden. De aanrijding leidde ertoe dat hun voertuig vervolgens in botsing kwam met een ander voertuig.
2.2.
Allianz was destijds de WAM-verzekeraar van de bestuurster die de kettingbotsing veroorzaakte en erkende de aansprakelijkheid voor het ongeval. In het kader van de schaderegeling hebben partijen verschillende gesprekken gevoerd, waarbij Allianz aan zowel [verzoeker 1] als [verzoeker 2] een voorschot van € 10.000,- op de schadevergoeding heeft betaald.
2.3.
Na het ongeval kregen beide verzoekers diverse gezondheidsklachten, zoals (ernstige) hoofdpijn, nek-, schouder- en rugpijn, duizeligheid, misselijkheid en psychische problemen. Hoewel [verzoeker 2] en [verzoeker 1] ieder een multidisciplinair revalidatietraject hebben doorlopen, ervaren zij nog steeds ernstige klachten.
2.4.
Van 2020 tot november 2022 werden [verzoeker 2] en [verzoeker 1] bijgestaan door mr. Bennami. Vanaf november 2022 heeft mr. Boer de belangenbehartiging voor beide verzoekers overgenomen.
2.5.
In augustus 2023 hebben [verzoeker 2] en [verzoeker 1] de rechtbank verzocht om een neurologisch deskundigenonderzoek. De rechtbank heeft bij beschikking van 13 juni 2024 dit verzoek gehonoreerd en een neurologisch onderzoek door dr. Verrips bevolen. Daarnaast oordeelde de rechtbank dat beide verzoekers hun volledige medische- en procesdossiers dienden te overleggen.
2.6.
Op 2 januari 2025 heeft dr. Verrips zijn definitieve rapportages ingediend. In zijn rapporten concludeert dr. Verrips dat er geen medisch causaal verband is tussen de door zowel [verzoeker 2] als [verzoeker 1] gestelde klachten en het ongeval. Hij merkte ook op dat uit de medische dossiers van beide verzoekers blijkt dat er sprake is van een medische voorgeschiedenis, waardoor het goed mogelijk is dat de gemelde subjectieve klachten ook zonder het ongeval hadden kunnen ontstaan.
2.7.
Naar aanleiding van het rapport van dr. Verrips heeft Allianz het standpunt ingenomen dat er geen causaal verband bestaat tussen het ongeval en de klachten van zowel [verzoeker 1] als [verzoeker 2] en heeft zij een verdere schadeafwikkeling beëindigd.
2.8.
Allianz heeft in totaal (dus voor [verzoeker 1] als [verzoeker 2] samen) een bedrag van € 24.596,90 aan buitengerechtelijke kosten betaald, waarvan € 11.537,53 voor mr. Bennami en € 13.059,37 voor mr. Boer. De laatste betaling voor de buitengerechtelijke kosten aan mr. Boer door Allianz was op 10 februari 2023.

3.De verzoeken en het verweer

In de zaak van [verzoeker 1]
3.1.
verzoekt de rechtbank bij wijze van deelgeschil in de zin van artikel 1019w van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) Allianz te veroordelen tot betaling van de openstaande buitengerechtelijke kosten van € 19.249,60 en de kosten van dit deelgeschil, begroot op € 1.929,95, te vermeerderen met het griffierecht.
In de zaak van [verzoeker 2]
3.2.
[verzoeker 2] verzoekt de rechtbank bij wijze van deelgeschil in de zin van artikel 1019w Rv Allianz te veroordelen tot betaling van de openstaande buitengerechtelijke kosten van € 11.542,33 en de kosten van dit deelgeschil, begroot op € 1.929,95, te vermeerderen met het griffierecht.
In beide zaken
3.3.
[verzoeker 1] en [verzoeker 2] leggen – samengevat – aan hun verzoeken ten grondslag dat Allianz, ondanks erkenning van aansprakelijkheid en betaling van voorschotten op de schadevergoeding, de openstaande buitengerechtelijke kosten van rechtsbijstand niet volledig heeft voldaan. [verzoeker 1] en [verzoeker 2] hebben zwaarwegende en steekhoudende bezwaren tegen het rapport van dr. Verrips en zij zijn voornemens een nieuw deskundigenonderzoek te gelasten om hun argumenten tegen het rapport te onderbouwen. Volgens hen is de schaderegeling daardoor nog niet beëindigd. Daarmee is de vergoeding van de buitengerechtelijke kosten noodzakelijk voor de voortzetting van de schaderegeling en komen deze kosten op grond van artikel 6:96 BW Pro voor vergoeding in aanmerking. Zonder vergoeding van de openstaande kosten van rechtsbijstand kan de schaderegeling niet worden voortgezet, wat hen belemmert in hun recht op adequate rechtsbijstand, aldus steeds [verzoeker 2] en [verzoeker 1] .
3.4.
Allianz verzet zich tegen de verzoeken en voert daartoe – samengevat – het volgende aan. Allianz stelt dat de gevorderde buitengerechtelijke kosten niet voldoen aan de dubbele redelijkheidstoets van artikel 6:96 BW Pro. Volgens Allianz staan de klachten van verzoekers niet in causaal verband met het ongeval, zoals blijkt uit het deskundigenrapport van dr. Verrips. Allianz is van mening dat de schadevergoeding reeds is afgewikkeld, en dat de verdere betalingen voor rechtsbijstand niet redelijk zijn.

4.De beoordeling

In beide zaken
Leent dit verzoek zich voor deelgeschil?
4.1.
[verzoeker 2] en [verzoeker 1] hebben zich tot de rechtbank gewend met een verzoek zoals bedoeld in artikel 1019w Rv, waarbij een uitspraak kan worden gevraagd over een specifiek onderdeel van het geschil tussen partijen in een zaak die betrekking heeft op schade door dood of letsel (een deelgeschil). De rechtbank dient te beoordelen of de verzochte beslissing kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst.
4.2.
De ratio van de deelgeschilprocedure, zoals uit de parlementaire geschiedenis blijkt, is het bevorderen van buitengerechtelijke onderhandelingen. Daarbij dient te worden afgewogen of de investering in tijd, geld en moeite gerechtvaardigd is in verhouding tot het belang van het verzoek en de bijdrage die een beslissing kan leveren aan de totstandkoming van een minnelijke regeling. De rechtbank beschikt hierbij over een ruime
beoordelingsvrijheid.
4.3.
Allianz heeft aangevoerd dat het onderhavige geschil een verkapt incassogeschil is. Volgens Allianz gaat het hier om een verzoek om betaling van buitengerechtelijke kosten, wat volgens haar in dit geval niet onder de reikwijdte van de deelgeschilprocedure valt. Allianz stelt dat de verzoeken van [verzoeker 2] en [verzoeker 1] zich niet richten op de inhoud van de schaderegeling of een impasse daarin, maar uitsluitend op de betaling van openstaande kosten van rechtsbijstand. Verder betoogt Allianz dat er op dit moment geen onderhandelingen gaande zijn over de schadevergoeding, aangezien volgens haar de schadeafwikkeling al is afgerond. Er zijn ook geen buitengerechtelijke onderhandelingen gaande die bevorderd kunnen worden door een beslissing. Allianz wijst daarbij tenslotte op haar erkenning van aansprakelijkheid en de al betaalde voorschotten op de schadevergoeding.
4.4.
Naar het oordeel van de rechtbank leent dit verzoek zich voor behandeling als deelgeschil. De rechtbank overweegt dat, hoewel Allianz de aansprakelijkheid heeft erkend en een voorschot op de schadevergoeding heeft betaald, er op dit moment nog geen vaststellingsovereenkomst is bereikt en de onderhandelingen feitelijk stil zijn komen te liggen. Allianz heeft aangegeven niet verder te willen onderhandelen over de schadevergoeding, omdat volgens haar het causale verband tussen de klachten van [verzoeker 2] en [verzoeker 1] en het ongeval ontbreekt en dat daarmee de schadeafwikkeling is afgerond. [verzoeker 2] en [verzoeker 1] stellen op hun beurt dat er geen sprake is van een afgeronde schadeafwikkeling, omdat zij zwaarwegende en steekhoudende bezwaren hebben tegen het rapport van dr. Verrips. Vanwege de weigerachtige houding van Allianz om de reeds gemaakte buitengerechtelijke kosten te vergoeden en [verzoeker 2] en [verzoeker 1] , zoals zij stellen, mede daardoor de financiële middelen niet hebben om verdere stappen te nemen, is de schadeafhandeling in een impasse geraakt. Gezien de bezwaren tegen het deskundigenrapport en de weigering van Allianz om verder te onderhandelen, is het duidelijk dat de onderhandelingen niet kunnen worden voortgezet zonder een nieuwe stap in het proces.
4.5.
Het komt er daarom op neer dat een beslissing over betaling van de buitengerechtelijke kosten deze impasse kan doorbreken en kan bijdragen aan het herstel van de onderhandelingen, aangezien het geschil over de betaling van de buitengerechtelijke kosten een belemmering vormt voor de voortgang van de schaderegeling. De rechtbank heeft in aanmerking genomen dat een geschil over de betaling van advocaatkosten in de wetsgeschiedenis uitdrukkelijk is genoemd als voorbeeld van een deelgeschil (Kamerstukken II 2007-2008, 31 518). Het is niet noodzakelijk dat een beslissing over de buitengerechtelijke kosten direct tot een vaststellingsovereenkomst leidt. Voldoende is dat het een bijdrage kan leveren aan het weer op gang brengen van de onderhandelingen en het bereiken van een minnelijke regeling.
Buitengerechtelijke kosten
In beide zaken
4.6.
Het uitgangspunt is dat slachtoffers van een ongeval (in dit geval [verzoeker 1] en [verzoeker 2] ) recht hebben op vergoeding van de redelijke kosten van buitengerechtelijke rechtsbijstand van de partij die aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval. Allianz heeft de aansprakelijkheid erkend. Of buitengerechtelijke kosten voor vergoeding in aanmerking komen, wordt uiteindelijk bepaald door de dubbele redelijkheidstoets, zoals bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW Pro waarbij vereist is dat:
( a) condicio sine qua non-verband bestaat tussen de aansprakelijkheid scheppende gebeurtenis en de kosten;
( b) de kosten in zodanig verband staan met die gebeurtenis dat zij, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, aan de aansprakelijke persoon kunnen worden toegerekend;
( c) het redelijk was om in verband met een onderzoek naar de mogelijke gevolgen van die gebeurtenis deskundige bijstand in te roepen; en
( d) de daartoe gemaakte kosten redelijk zijn.
Voor vergoeding van de hier bedoelde kosten is echter niet vereist dat uiteindelijk komt vast te staan dat schade is geleden. De omvang van de schade wordt wel als één van de relevante aspecten meegenomen.
4.7.
Mr. Boer heeft in de periode van 22 november 2022 tot en met 10 november 2025 48,9 uur voor het dossier van [verzoeker 2] en 72,2 uur voor het dossier van [verzoeker 1] gefactureerd, tegen een uurtarief van € 255 excl. btw tot en met december 2024 en € 290 excl. btw vanaf januari 2025.
4.8.
Allianz heeft voor het dossier van [verzoeker 2] € 5.000 aan kosten voor rechtsbijstand betaald en € 1.705,02 aan medische verschotten. Voor het dossier van [verzoeker 1] heeft Allianz eveneens € 5.000 aan kosten voor rechtsbijstand betaald en € 1.354,34 aan medische verschotten.
4.9.
Na aftrek van het door Allianz twee keer betaalde bedrag van € 5.000 voor rechtsbijstand (tegen een uurtarief van € 255 excl. btw, wat neerkomt op 16,2 uur per dossier), blijft er voor beide dossiers een aantal uren over die volgens mr. Boer onbetaald zijn gelaten. Voor het dossier van [verzoeker 2] gaat het om 32,7 uur en voor het dossier van [verzoeker 1] gaat het om 56 uur.
4.10.
Mr. Boer heeft voor zowel [verzoeker 2] als [verzoeker 1] enkele facturen zonder urenaantal overgelegd en zonder te verduidelijken waar deze facturen betrekking op hebben en of Allianz deze al dan niet heeft betaald, bijvoorbeeld in verband met (medische) verschotten. Aangezien er onvoldoende onderbouwing voor deze facturen is, laat de rechtbank deze buiten beschouwing en zal zich daarom beperken tot de beoordeling of de eerder vastgestelde onbetaald gelaten uren (32,7 voor [verzoeker 2] en 56 voor [verzoeker 1] ) de dubbele redelijkheidstoets doorstaan.
Dubbele redelijkheidstoets: redelijkheid van het maken van de kosten
4.11.
De rechtbank dient eerst te beoordelen of het maken van de buitengerechtelijke kosten als zodanig redelijk is geweest.
4.12.
Naar het oordeel van de rechtbank is dat het geval. Tot aan het definitieve rapport van dr. Verrips op 2 januari 2025 bevonden partijen zich in een lopende schaderegeling en was het inschakelen van rechtsbijstand en het verrichten van werkzaamheden ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid gerechtvaardigd. Ook voor de periode na het rapport van dr. Verrips geldt dat het maken van kosten niet zonder meer onredelijk is. Tussen partijen is immers een geschil ontstaan over het causaal verband. [verzoeker 1] en [verzoeker 2] hebben daartoe aangevoerd dat zij steekhoudende en zwaarwegende bezwaren hebben tegen het rapport van dr. Verrips en hebben in dat kader hun belangenbehartiger en medisch adviseur geraadpleegd. Dat zij deze bezwaren (nog) niet (voldoende) hebben onderbouwd, maakt op zichzelf nog niet dat het inroepen van rechtsbijstand in deze fase onredelijk is. Daarbij weegt mee dat Allianz de onderhandelingen na het rapport van dr. Verrips heeft beëindigd en verdere betaling van buitengerechtelijke kosten heeft geweigerd, wat een dergelijke onderbouwing in de weg kan staan.
Dubbele redelijkheidstoets: verhouding kosten en schade
4.13.
Allianz voert aan dat zij al voldoende buitengerechtelijke kosten heeft betaald en dat de gevorderde kosten niet in verhouding staan tot de omvang van de schade. In totaal heeft Allianz € 24.596,90 aan buitengerechtelijke kosten voor [verzoeker 1] en [verzoeker 2] gezamenlijk voldaan. Volgens Allianz is sprake van hooguit tijdelijke klachten en ontbreekt een causaal verband tussen het ongeval en de gestelde klachten, zoals volgt uit het rapport van dr. Verrips. Voor Allianz is daarmee de kous af. Tegen die achtergrond acht zij (verdere) buitengerechtelijke kosten buitenproportioneel en niet in overeenstemming met de dubbele redelijkheidstoets van artikel 6:96 BW Pro.
4.14.
Dit betoog van Allianz slaagt niet. Dat Allianz zich op het standpunt stelt dat de schadeafwikkeling is afgerond, betekent niet dat daarvan ook daadwerkelijk sprake is. Zoals hiervoor overwogen bestaat tussen partijen immers nog discussie over het causaal verband, terwijl de omvang van de schade nog niet is vastgesteld. Kosten die worden gemaakt ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid komen in beginsel voor vergoeding in aanmerking op grond van artikel 6:96 lid 2 BW Pro. Daarbij is niet vereist dat uiteindelijk komt vast te staan dat schade is geleden of dat het causaal verband wordt aangenomen. Ook indien achteraf blijkt dat de schade beperkter is dan aanvankelijk gedacht, kan dat niet zonder meer leiden tot het oordeel dat de gemaakte kosten onredelijk zijn. Nu de schaderegeling nog niet is afgerond en de discussie juist is blijven steken op het punt van causaliteit, kan op dit moment niet worden vastgesteld dat sprake is van een wanverhouding tussen de buitengerechtelijke kosten en de schade. De geleden schade staat immers nog niet vast. Het enkele standpunt van Allianz dat zij afdoende heeft bevoorschot, is daarvoor onvoldoende.
Dubbele redelijkheidstoets: kosten op factuurniveau
4.15.
Allianz heeft ten aanzien van de uren op factuurniveau van zowel [verzoeker 2] als [verzoeker 1] aangevoerd dat:
 de kosten die samenhangen met de overname van het dossier door Mr. Boer niet voldoen aan de dubbele redelijkheidstoets. Allianz stelt dat de kosten voor de uren die mr. Boer in november 2022 heeft gedeclareerd, niet redelijk zijn, aangezien het dossier een overlap vertoont tussen [verzoeker 2] en [verzoeker 1] . Allianz meent dat het onterecht is dat de kosten voor de overname van het dossier volledig bij haar rekening worden gebracht, aangezien het niet noodzakelijk was om opnieuw deze kosten voor rechtsbijstand te maken;
 Mr. Boer ten onrechte reistijd tegen een specialistentarief in rekening heeft gebracht. Allianz stelt dat de reistijd niet als een speciale, deskundige taak kan worden aangemerkt, en dat het dus onterecht is om deze uren tegen het verhoogde specialistentarief te factureren. Dit is volgens Allianz in strijd met het principe van redelijkheid;
 Mr. Boer ten onrechte administratieve werkzaamheden heeft gedeclareerd tegen een specialistentarief. Allianz betoogt dat werkzaamheden zoals het verzamelen van medische informatie niet kunnen worden aangemerkt als specialistische werkzaamheden en dat deze uren dus niet tegen het hoge uurtarief mogen worden gefactureerd. Dit betreft met name de facturen van 11 januari 2023, 14 juli 2023 en 2 februari 2024, waarvoor Mr. Boer administratieve taken tegen het specialistentarief in rekening heeft gebracht;
 in de periode van 13 juni 2024 (het moment van beschikking voorlopig deskundigenbericht van de rechtbank) tot 6 november 2024 (het moment dat Allianz het volledige medische dossier ontving) geen buitengerechtelijke kosten verschuldigd zijn, omdat Mr. Boer herhaaldelijk heeft verzuimd het volledige medische dossier aan Allianz te verstrekken, ondanks het oordeel van de rechtbank en meerdere verzoeken van Allianz daartoe. Allianz wijst erop dat de benodigde documenten pas na een nieuwe tussenkomst van de rechtbank aan haar zijn verstrekt. De uren die Mr. Boer in deze periode heeft gedeclareerd, kunnen volgens Allianz dan ook niet als redelijke buitengerechtelijke kosten worden aangemerkt, aangezien zijn handelswijze niet in lijn was met de verwachtingen die men van een professionele belangenbehartiger mag hebben;
 de kosten die betrekking hebben op de procedure rondom het deskundigenbericht van Dr. Verrips niet onder de buitengerechtelijke kosten vallen. Allianz meent dat deze kosten voornamelijk betrekking hebben op het verkrijgen van een juridisch oordeel over de aansprakelijkheid en schade en niet op buitengerechtelijke onderhandelingen. Volgens Allianz komen deze kosten dus niet voor vergoeding in aanmerking op basis van artikel 6:96 lid 2 BW Pro;
 zij betwist dat de kosten die na het rapport van Dr. Verrips zijn gemaakt voor buitengerechtelijke rechtsbijstand in aanmerking komen voor vergoeding. Allianz heeft op 10 januari 2025 haar standpunt over de causaliteit ingenomen en stelt dat alle verdere onderhandelingen over de schadevergoeding, inclusief de kosten die verband houden met de medische adviseurs van Mr. Boer, onterecht zijn. Allianz vindt dat deze kosten niet voldoen aan de vereisten voor redelijke buitengerechtelijke kosten, omdat er geen verdere substantiële vorderingen zijn in de onderhandelingen;
 het door Mr. Boer gehanteerde uurtarief van € 290 (vanaf januari 2025) te hoog is, gezien de aard van de verrichte werkzaamheden en de omvang van het dossier. Allianz betwist dat dit uurtarief gerechtvaardigd is voor de kosten die worden gemaakt, gezien de relatief eenvoudige aard van de werkzaamheden en de beperkte complexiteit van het dossier.
4.16.
Ten aanzien van [verzoeker 1] voert Allianz nog aanvullend aan dat er sprake is geweest van veelvuldig contact, waarbij volgens Allianz niet efficiënt met de tijd is omgegaan. Allianz betoogt dat het aantal uren voor communicatie, zoals telefonische gesprekken en emailcorrespondentie, buitensporig is in verhouding tot de benodigde werkzaamheden. Het gaat onder meer om regelmatig contact, vaak van aanzienlijke duur, waarbij niet duidelijk is of dit contact noodzakelijk was voor de voortgang van de zaak. Allianz stelt dat, indien de communicatie efficiënter was verlopen, het aantal uren dat in rekening werd gebracht, aanzienlijk lager had kunnen zijn.
4.17.
De rechtbank zal hierna achtereenvolgens de verweren ten aanzien van de kosten op factuurniveau van Allianz beoordelen.
Overname dossier
4.18.
De rechtbank stelt voorop dat het een benadeelde in beginsel vrijstaat om van belangenbehartiger te wisselen. De daarmee gemoeide kosten kunnen voor vergoeding in aanmerking komen, mits zij de dubbele redelijkheidstoets doorstaan. In dit geval is slechts eenmaal in een periode van meerdere jaren van belangenbehartiger gewisseld en hebben [verzoeker 1] en [verzoeker 2] voldoende aannemelijk gemaakt dat zij daarin geen reële keuze hadden, omdat mr. Bennami zijn kantoor verliet en de belangenbehartiging niet door hem of een kantoorgenoot kon worden voortgezet. De met de overname gemoeide tijd op de factuur van 22 november 2022 (6,60 uur voor [verzoeker 1] en 6,20 uur voor [verzoeker 2] ) acht de rechtbank echter bovenmatig, mede gelet op de aanzienlijke overlap tussen beide dossiers. Van een redelijk handelend belangenbehartiger mocht een efficiëntere bestudering en tijdsbesteding worden verwacht. De rechtbank zal deze post daarom matigen tot 3 uur per persoon, dus een matiging van 3,6 voor [verzoeker 1] en 3,2 voor [verzoeker 2] .
Reistijd
4.19.
De rechtbank volgt Allianz niet in haar standpunt dat reistijd niet tegen een specialistentarief voor vergoeding in aanmerking komt. Reistijd maakt in beginsel onderdeel uit van de aan de zaak bestede tijd en kan, bij gebreke van bijzondere omstandigheden, tegen hetzelfde uurtarief worden gedeclareerd. Allianz heeft haar verweer op dit punt onvoldoende onderbouwd. Dit verweer wordt daarom verworpen en de uren ten aanzien van de reistijd zullen niet worden gematigd.
De periode van 13 juni 2024 tot en met 6 november 2024
4.20.
In deze periode heeft mr. Boer 16,7 uur voor [verzoeker 1] en 9,1 uur voor [verzoeker 2] gefactureerd. Vaststaat dat Allianz in deze periode herhaaldelijk heeft moeten verzoeken om toezending van het (volledige) medisch dossier en UWV-stukken en dat dit niet tijdig is verstrekt. [verzoeker 1] en [verzoeker 2] hebben dit onvoldoende weersproken. Aannemelijk is dat een deel van de in deze periode bestede tijd verband houdt met deze discussie, die in belangrijke mate aan de zijde van de belangenbehartiger ligt. Dat betekent echter niet dat alle in deze periode verrichte werkzaamheden onredelijk zijn. Ook zijn in deze periode werkzaamheden verricht die wel voor vergoeding in aanmerking komen, zoals het aanleveren en bestuderen van stukken en het bespreken van het (concept)rapport. Alles afwegende acht de rechtbank een matiging op zijn plaats. De in deze periode gedeclareerde uren worden daarom gematigd tot de helft, zijnde een matiging van 8,35 voor [verzoeker 1] en 4,55 voor [verzoeker 2] .
Administratieve en secretariële werkzaamheden
4.21.
Allianz heeft betoogd dat bepaalde werkzaamheden, zoals het verzamelen van medische informatie, als administratief moeten worden aangemerkt en daarom niet tegen een specialistentarief mogen worden gedeclareerd. De rechtbank volgt dit niet. Allianz heeft onvoldoende concreet toegelicht waarom de betreffende werkzaamheden als louter administratief moeten worden beschouwd.
4.22.
Daar staat tegenover dat uit de specificaties blijkt dat op één punt (factuur van 5 september 2024 in beide zaken) 0,10 uur door een secretaresse is verricht en tegen het specialistentarief in rekening is gebracht. Dat is niet redelijk. Nu deze post reeds is betrokken bij de hiervoor onder rechtsoverweging 4.20 besproken matiging, behoeft dit geen afzonderlijke correctie meer. Voor het overige blijven de uren in stand.
Kosten omtrent het voorlopig deskundigenbericht en daarna
4.23.
Allianz heeft aangevoerd dat de kosten die verband houden met het voorlopig deskundigenbericht moeten worden aangemerkt als kosten in rechte en daarom niet als buitengerechtelijke kosten voor vergoeding in aanmerking komen. De rechtbank volgt dit verweer niet. Kosten die worden gemaakt ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid kunnen in beginsel worden aangemerkt als kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW Pro, ook indien deze samenhangen met een procedure zoals een voorlopig deskundigenbericht. Dat geldt temeer nu deze kosten in die procedure niet afzonderlijk zijn begroot. Allianz heeft bovendien onvoldoende concreet gemaakt op welke specifieke werkzaamheden haar verweer ziet. Het enkele standpunt dat sprake is van kosten “in rechte” is daartoe onvoldoende.
4.24.
Dat Allianz na het rapport van dr. Verrips haar standpunt ten aanzien van de causaliteit heeft ingenomen en de onderhandelingen heeft beëindigd, leidt niet tot een ander oordeel. Zoals hiervoor is overwogen, bestaat tussen partijen nog steeds een geschil over het causaal verband en is de schaderegeling niet afgerond. Dat betekent dat kosten die nadien zijn gemaakt niet alleen daarom onredelijk zijn. Nu Allianz haar verweer op dit punt verder onvoldoende heeft geconcretiseerd, is de rechtbank van oordeel dat deze kosten in beginsel voor vergoeding in aanmerking komen.
Uurtarief
4.25.
Ten aanzien van het gehanteerde uurtarief overweegt de rechtbank als volgt. Het uurtarief van € 255 exclusief btw tot en met 2024 acht de rechtbank gelet op de ervaringsjaren en het lidmaatschap van de LSA van mr. Boer redelijk. Het vanaf 1 januari 2025 gehanteerde uurtarief van € 290 exclusief btw acht de rechtbank, mede gelet op indexering en inflatie, eveneens niet onredelijk. Wel is gebleken dat werkzaamheden die in 2024 zijn verricht, in 2025 zijn gedeclareerd tegen het verhoogde tarief. Dat acht de rechtbank niet juist. Deze uren zullen worden gecorrigeerd naar het in 2024 geldende uurtarief van € 255 exclusief btw.
Correctie
4.26.
De rechtbank ziet aanleiding om de resterende uren in de zaken van [verzoeker 1] en [verzoeker 2] gelijk te trekken. De dossiers vertonen een grote mate van overlap en zijn gedurende het gehele traject gezamenlijk behandeld. Voor zover in de zaak van [verzoeker 1] meer uren zijn geschreven, is onvoldoende gebleken dat dit verschil gerechtvaardigd is door de aard of omvang van die zaak. Het had op de weg van de belangenbehartiger gelegen dit toe te lichten of om zijn cliënt hierop aan te sturen en onnodige kosten te voorkomen. De rechtbank zal de uren in de zaak van [verzoeker 1] daarom matigen tot het niveau van de zaak van [verzoeker 2] .
Conclusie
4.27.
Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank het aantal voor vergoeding in aanmerking komende uren voor zowel [verzoeker 2] als [verzoeker 1] vast op 24,55 uur. Daarvan wordt 6,8 uur vergoed tegen een uurtarief van € 290 exclusief btw en het overige tegen een uurtarief van € 255 exclusief btw. Dit leidt tot een bedrag van € 7.862,88 inclusief btw per dossier. Allianz zal worden veroordeeld tot betaling van dit bedrag in beide zaken aan buitengerechtelijke kosten.
Kosten deelgeschil
4.28.
[verzoeker 2] en [verzoeker 1] hebben daarnaast verzocht Allianz te veroordelen in de kosten van het deelgeschil. Zowel [verzoeker 2] als [verzoeker 1] hebben deze kosten begroot op € 1.929,25 inclusief btw. Dit bedrag bestaat uit 5,5 uur per zaak tegen een tarief van € 290 (exclusief btw).
4.29.
Allianz stelt zich primair op het standpunt dat [verzoeker 2] en [verzoeker 1] misbruik van recht maken door een deelgeschilprocedure als een verkapte incassoprocedure te gebruiken, waardoor deze onnodig en onterecht is gestart. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, gaat de rechtbank aan dit verweer voorbij.
4.30.
Allianz vindt daarnaast het uurtarief van € 290,00 bovenmatig en stelt dat niet is toegelicht waarom voor het bestuderen van het verweerschrift en het opstellen van de pleitnota drie uur per zaak (zes uur in totaal) redelijk is. Ook betwist zij dat de uren voor de mondelinge behandeling volledig mogen worden gerekend, omdat deze behandeling voor beide zaken gezamenlijk plaatsvond en dus met 50% verminderd moet worden. Deze correctie is volgens Allianz nu alleen op de reistijd toegepast, waarvoor bovendien onterecht het speciale uurtarief is gehanteerd.
4.31.
De rechtbank onderschrijft het punt met betrekking tot het verweerschrift en de pleitnota en vindt het aantal opgevoerde uren gezien de overlap tussen beide zaken niet redelijk. De pleitnota was identiek en de verweerschriften grotendeels gelijk. Daarom matigt de rechtbank deze uren tot 1,5 uur per zaak.
4.32.
Er is verder niet gebleken dat mr. Boer dubbel tijd heeft gerekend voor de mondelinge behandeling en over de reistijd heeft de rechtbank zich al eerder in deze beschikkking uitgelaten. Het uurtarief van mr. Boer wordt redelijk bevonden, gezien zijn ervaring en specialisatie.
4.33.
De redelijke kosten voor het opstellen van het verzoekschrift en de verdere behandeling van de zaak, zoals bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW Pro, zullen per zaak door de rechtbank worden begroot op 4 uur à € 290,00 exclusief btw. Dit komt neer op een bedrag van € 1.403,60 inclusief btw voor zowel [verzoeker 1] als [verzoeker 2] , te vermeerderen met het door zowel [verzoeker 1] als [verzoeker 2] betaalde griffierecht van € 90,00. Allianz zal worden veroordeeld tot betaling van deze bedragen.

5.De beslissing

De rechtbank
In de zaak van [verzoeker 2]
5.1.
bepaalt dat Allianz rechtstreeks aan Solvit Letselschade Advocaten ten behoeve van de openstaande kosten van rechtsbijstand van [verzoeker 2] binnen twee weken na heden een bedrag van € 7.862,88 uitkeert;
5.2.
begroot de kosten van dit deelgeschil op € 1.403,60 inclusief btw te vermeerderen met het griffierecht van € 90,00 en veroordeelt Allianz tot betaling daarvan aan Solvit Letselschade Advocaten,
5.3.
wijst het meer of anders verzochte af,
In de zaak van [verzoeker 1]
5.4.
bepaalt dat Allianz rechtstreeks aan Solvit Letselschade Advocaten ten behoeve van de openstaande kosten van rechtsbijstand van [verzoeker 1] binnen twee weken na heden een bedrag van € 7.862,88 uitkeert;
5.5.
begroot de kosten van dit deelgeschil op € 1.403,60 inclusief btw te vermeerderen met het griffierecht van € 90,00 en veroordeelt Allianz tot betaling daarvan aan Solvit Letselschade Advocaten,
5.6.
wijst het meer of anders verzochte af,
Deze beschikking is gegeven door mr. S.A.M. Groot, rechter, bijgestaan door mr. S.D. Gerick, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2026.